ECLI:NL:RBNHO:2025:12695

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
C/15/369668 / JU RK 25-1299
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige in afwachting gezamenlijk gezag

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma. De moeder van de minderjarige kampt met ernstige verslavings- en psychische problematiek, waardoor zij onvoldoende in staat is voor haar kind te zorgen. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn eerder al meerdere malen verlengd.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, was de oma aanwezig en de moeder was niet verschenen ondanks behoorlijke oproeping. De kinderrechter concludeert dat de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige voortduurt vanwege de onstabiele situatie van de moeder. De oma is in staat gebleken de verzorging en veiligheid te waarborgen.

De GI heeft aangegeven dat na het verkrijgen van gezamenlijk gezag tussen moeder en oma een borgingsplan zal worden opgesteld en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kunnen worden beëindigd. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en verlengt de maatregelen voor zes maanden, van 8 november 2025 tot 8 mei 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/369668 / JU RK 25-1299
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de oma (moederszijde)],
hierna te noemen de oma (moederszijde),
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, van de GI van , 8 september 2025, ontvangen op 15 september 2025;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 april 2025, ontvangen op 15 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de oma.
1.3.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Op 12 augustus 2022 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna bij beschikking van 9 november 2022 definitief uitgesproken. Bij beschikkingen van 23 oktober 2023 en 7 november 2024 is de ondertoezichtstelling steeds verlengd, voor het laatst tot 8 november 2025.
2.3.
Op 12 augustus 2022 heeft de kinderrechter ook een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin. De machtiging is daarna bij beschikking van 7 september 2022 verlengd tot 11 november 2022.
2.4.
Bij beschikking van 9 november 2022 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een 24-uurs voorziening, te weten bij een moeder-kindhuis van de Brijder, tot 9 augustus 2023.
2.5.
Bij beschikking 26 juni 2023 heeft de kinderrechter opnieuw een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma. Die machtiging is daarna bij beschikkingen van 23 oktober 2023, 2 mei 2024, 7 november 2024 en 29 april 2025 steeds verlengd, voor het laatst tot 8 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI vindt de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nodig, omdat de moeder door haar problematiek niet voor [de minderjarige] kan zorgen en er is nog steeds geen sprake van gezamenlijk gezag van de moeder en de oma. De advocaat van de moeder en de oma zal binnenkort een verzoek daartoe indienen. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal de GI overwegen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beëindigen of te laten aflopen. Als sprake is van gezamenlijk gezag, gaat de GI er namelijk van uit dat de moeder en oma samen in het belang van [de minderjarige] kunnen handelen en dat de belangrijke beslissingen over [de minderjarige] genomen kunnen worden, ook als het niet goed gaat met de moeder. Op dit moment speelt de GI daar nog een rol in. Verder is de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] vanwege de zorgelijke, psychische situatie van de moeder, on hold gezet.

4.De standpunten

De oma is het eens met het verzoek. Het verzoek om gezamenlijk gezag is door de advocaat inmiddels ingediend bij de rechtbank in Amsterdam, omdat de doorlooptijden daar gunstiger zijn. De moeder heeft sinds augustus 2025 een terugval, waarvoor net een verzoek om een zorgmachtiging is ingediend. De oma hoopt dat de moeder snel behandeld zal worden en weer stabieler wordt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de moeder nog steeds belast is met ernstige verslavings-, en psychische en emotieregulatie problematiek. De situatie van de moeder is al langere tijd, ondanks de ingezette hulp, niet stabiel. Daardoor is zij al langere tijd zowel fysiek als emotioneel onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en onvoldoende in staat om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zelfstandig te dragen. De oma is wel in staat gebleken om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen en zijn veiligheid te waarborgen. Deze plek moet dan ook geborgd worden. Nadat het gezamenlijk gezag is uitgesproken, zal de GI een borgingsplan maken en tot een afronding van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing komen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige] , met ingang van 8 november 2025 tot 8 mei 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin (bij oma), met ingang van 8 november 2025 tot 8 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hausenblasová als griffier, en op schrift gesteld op 16 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro en artikel 1:265c, tweede lid, BW.