Partijen zijn erfgenamen in een nalatenschap die na verkoop van onroerend goed een depot van bijna €12 miljoen omvat. De bodemrechter adviseerde om vooruitlopend op het eindvonnis €1 miljoen in depot te houden en de rest naar rato te verdelen. Gedaagde weigerde medewerking, waarop eisers een kort geding startten om gedeeltelijke vrijgave van het depot af te dwingen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende spoedeisend belang is bij vrijgave van het aan eisers toekomende deel van het depot, mede vanwege het gemiste rendement door het depot. De depotovereenkomst bepaalt dat uitkering pas kan na minnelijke regeling of definitief vonnis, maar de rechtbank acht een ruime uitleg daarvan onredelijk gezien de omvang van het bedrag en het renteverschil.
Daarom wordt gedaagde veroordeeld tot medewerking aan vrijgave van €7.325.277,28, met een dwangsom bij weigering. Het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.