Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 april 2025;
- het herstelexploot van 12 mei 2025;
- de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 6 van Artilux van 21 mei 2025;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex. artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 30 juli 2025
- de incidentele conclusie van antwoord met producties 7 en 8 van 13 augustus 2025,
- de incidentele conclusie van antwoord met aanvulling en producties 6B en 6C van 27 augustus 2025.
2.De feiten van belang voor het incident
purchase ordersproducten af van Artilux. Deze producten produceert Artilux met behulp van productonderdelen van onder meer Chinese leverancier(s) waar Nomenta al een samenwerking mee had.
purchase orders, met een totale waarde van € 1.224.307,51. De afspraken komen er onder meer op neer dat Nomenta aan Artilux een bedrag aan voorfinanciering is verschuldigd van € 292.284,03, door partijen het Deposit genoemd, welk bedrag op grond van artikel 2.5 van de Settlement Agreement niet direct opeisbaar is.
3.Het geschil in de hoofdzaak
4.De vorderingen in het incident
5.De beoordeling in het incident
‘(…) all they do is time consuming activities with no results. They have received all related invoices, statements, payments. They are basically postponing everything as much they can’. Onder deze omstandigheden kan niet zonder meer gezegd worden dat Artilux geen opeisbare vordering heeft en dat sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering. De beoordeling of de vordering al dan niet opeisbaar is vindt verder plaats in de hoofdzaak.