ECLI:NL:RBNHO:2025:12793

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/15/370610 / KG ZA 25-649
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil in kort geding met betrekking tot geldleningsovereenkomst en hypotheekrecht

In deze zaak, die op 5 november 2025 door de Rechtbank Noord-Holland is behandeld, gaat het om een kort geding tussen twee eisers, [eiser 1] en [eiser 2], en een gedaagde partij, [gedaagde]. De eisers, vertegenwoordigd door advocaat mr. Y.H.M. van Mierlo, zijn in deze procedure opgekomen tegen de executie van een onroerende zaak door de gedaagde, die wordt vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Meuleman. De achtergrond van het geschil ligt in een geldleningsovereenkomst die op 4 december 2023 is gesloten, waarbij de gedaagde als geldgever optrad en de eisers als geldleners. De eisers betwisten dat zij een vordering aan de gedaagde verschuldigd zijn, omdat de gelden door de notaris aan een derde partij zijn overgemaakt. De gedaagde heeft echter gesteld dat de lening rechtsgeldig is verstrekt en dat de eisers in verzuim zijn omdat zij de geleende bedragen niet hebben terugbetaald. De rechtbank heeft in haar beoordeling vastgesteld dat er wel degelijk een opeisbare vordering bestaat en dat de gedaagde recht heeft op executie van de hypotheek. De vorderingen van de eisers zijn afgewezen, en zij zijn veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. A.J. Wolfs en is openbaar uitgesproken op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370610 / KG ZA 25-649
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[eiser 1], hierna te noemen: [eiser 1]
in hoedanigheid van pseudo trustee van de vennootschap naar het recht van Californië
[eiser 2], hierna te noemen: [eiser 2]
gevestigd te [plaats 2],
eisende partij,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers]
advocaat: mr. Y.H.M. van Mierlo,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J. Meuleman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de uitgebrachte dagvaarding van 23 oktober 2025 met 10 producties
- de producties van [gedaagde]
- de (hybride) mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Op 4 december 2023 is tussen [eiser 2] en [eiser 1] als geldlener (gezamenlijk:
Borrower) en [gedaagde] als geldgever (
Lender) een geldleningsovereenkomst (
Loan Agreement) gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
-
The abovementioned payment is due on the Belated End date.
(…)
(…)
2.2.
Eveneens op 4 december 2023 is tussen enerzijds [eiser 1] (zowel voor zich in privé als in zijn hoedanigheid van pseudo trustee van [eiser 2]) en [eiser 2] – tezamen aangeduid als: "schuldenaar" en [eiser 2] als "hypotheekgever" – en anderzijds [gedaagde] als "schuldeiser en hypotheekhouder" een overeenkomst tot vestiging van hypotheek en pand gesloten tot meerdere zekerheid voor de betaling van “
al hetgeen de schuldeiser nu of te eniger tijd van de schuldenaar verder te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of nog te verstrekken geldleningen” (waaronder bovenbedoelde
Loan Agreement) voor een bedrag (inclusief rente en boeten) van € 350.000,-. In de hypotheekakte is onder meer het volgende opgenomen:
(…)
(…)
(…)
2.3.
Bij brief van 3 december 2024 heeft [gedaagde] [eisers] in gebreke gesteld voor het geval de uiterste terugbetalingstermijn van 4 december 2024 ongebruikt zou verstrijken.
2.4.
[eiser 1] noch [eiser 2] heeft de geleende gelden tot op heden terugbetaald.
2.5.
Bij exploten van 30 april 2025 heeft [gedaagde] [eiser 2] (betekend aan het adres van de notaris die de hypotheekakte heeft verleden) en [eiser 1] (betekend in persoon) aangezegd te zullen overgaan tot executie van onroerende zaak waarop hypotheekrecht rust ex artikel 544 Rv.
2.6.
[gedaagde] heeft vervolgens bij deze rechtbank een verzoek tot onderhandse verkoop ingediend ten aanzien van voornoemd pand aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 4] (hierna: het Pand).
2.7.
Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald “
dat de verkoop van[het Pand]
onderhands zal geschieden voor een bedrag van € 625.000,00 overeenkomstig de hierbij goedgekeurde koopovereenkomst waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht”.
2.8.
De levering van het Pand staat gepland voor 6 november 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I.
te bevelen dat [gedaagde] de tenuitvoerlegging van de beschikking d.d. 9 oktober 2025 (C/15/366316 / KG RK 25-440) staakt en gestaakt dient te houden totdat onherroepelijk in rechte is vast komen te staan of en zo ja hoeveel [eiser 2] aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 625.000,-;
II.
te bevelen dat [gedaagde] de executie uit hoofde van het recht van hypotheek op de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats 4] staakt en gestaakt dient te houden totdat onherroepelijk in rechte is vast komen te staan of en zo ja hoeveel [eiser 2] aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 625.000,-;
III.
[gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van deugdelijke kwijting aan [eiser 2] te voldoen de kosten van deze procedure alsmede de volgens het liquidatietarief Rechtbanken en Hoven verschuldigde nakosten, forfaitair berekend op € 157,-- zonder betekening en verhoogd met € 82,-- in geval van betekening, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de termijn van twee dagen na vonnis wijzen heeft voldaan aan het vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank te bepalen termijn, zulks onder bepaling dat deze kosten rentedragend zullen zijn naar het percentage van de wettelijke rente indien die kosten niet binnen tien dagen na vonnis wijzen aan [eiser 2] zijn voldaan;
IV.
althans een zodanige beslissing te nemen als uw Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen [eisers] – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] geen (opeisbare) vordering op [eisers] heeft, omdat de gelden door de notaris zijn overgemaakt naar een derde partij die niet is betrokken bij de geldleningsovereenkomst ([bedrijf] BV, hierna: [bedrijf]). [eisers] betwisten dat zij geld hebben ontvangen c.q. geleend van [gedaagde], zodat zij geen vordering op hen heeft en ook geen beroep kan doen op het recht van hypotheek.
Voorts is de aanzegging van de executie door [gedaagde] niet op een juridisch correcte wijze gedaan (niet aan de
trustee[eiser 1], en niet aan [eiser 2] maar aan de notaris).
Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank [gedaagde] weliswaar toestemming gegeven om tot verkoop van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats 4] over te gaan, maar de rechtbank heeft zich niet uitgelaten over het bestaan van enig vorderingsrecht. Bij gebrek aan opeisbare vordering kan de hypotheekakte niet ten uitvoer gelegd worden.
Tot slot levert het beroep op executie in de gegeven omstandigheden misbruik van recht op, aldus nog steeds [eisers]
3.3.
[gedaagde] voert tot haar verweer – kort gezegd – aan dat zij de lening heeft verstrekt in december 2023, welke lening binnen drie maanden maar uiterlijk binnen een jaar terugbetaald diende te zijn (maar dat nog altijd niet is). De vordering van [gedaagde] vloeit rechtsreeks voort uit de
Loan Agreement. De lening is vervolgens opgeëist, maar omdat terugbetaling uitbleef heeft [gedaagde] de executie aangezegd op 30 april 2025. Die aanzeggingen zijn ten aanzien van [eiser 2] gedaan op het kantoor van de notaris die de hypotheekakte heeft verleden en ten aanzien van [eiser 1] aan hem in persoon.
Dat de aan [eisers] geleende gelden door de notaris aan een ‘andere entiteit’ ter beschikking zijn gesteld, doet niets af aan de terugbetalingsverplichting van [eiser 2] en [eiser 1] omdat dat volgens de notaris op verzoek van [eiser 1] zélf is gebeurd. [bedrijf] is een vennootschap waarvan hij de enige bestuurder is.
Het geld is verstrekt, de vordering bestaat, het recht van hypotheek is rechtsgeldig gevestigd en [eisers] zijn in verzuim. Dat betekent dat [gedaagde] tot executie mag overgaan op grond van artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De enige uitzondering daarop is misbruik van recht, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen (opeisbare) vordering?
4.1.
De vorderingen van [eisers] zijn primair gegrond op de stelling dat van een (opeisbare) vordering van [gedaagde] op [eisers] geen sprake zou zijn. Dat betoog faalt. Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser 2] en [eiser 1] anderzijds is een geldleningsovereenkomst (
Loan Agreement) gesloten. De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (art. 7:129 BW). [gedaagde] heeft op basis van de
Loan Agreementeen bedrag van € 200.000,- verstrekt aan [eiser 2] en [eiser 1] door middel van storting van dat bedrag onder de notaris die ook de hypotheekakte heeft verleden. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan haar kant van de overeenkomst. [eiser 2] en [eiser 1] hebben zich met de
Loan Agreementverbonden tot terugbetaling van die lening, aan welke contractuele verplichting zij echter tot op heden níet hebben voldaan. In de
Loan Agreementis een einddatum opgenomen, die inmiddels
– ruimschoots – verstreken is. [eisers] zijn bij brief van 3 december 2024 in gebreke gesteld. Zij zijn in verzuim. Reeds op grond daarvan heeft [gedaagde] een opeisbare vordering op [eisers]
4.2.
Tot meerdere zekerheid van de nakoming van (de terugbetalingsverplichting voortvloeiend uit) de
Loan Agreementhebben partijen bovendien een recht van hypotheek gevestigd op het Pand van [eiser 2]. [gedaagde] heeft als hypotheekhouder de executie aangezegd. Betekening van die aanzegging heeft plaatsgevonden (1) aan [eiser 1] in persoon en (2) aan [eiser 2] op het adres van de notaris die de hypotheekakte heeft verleden. Gelet op het feit dat partijen in die hypotheekakte (zowel voor de tenuitvoerlegging van die akte als voor daden van gerechtelijke tenuitvoerlegging) woonplaats hebben gekozen bij die notaris, is de voorzieningenrechter – anders dan [eisers] – van oordeel dat die aanzeggingen rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat [eisers] ter zitting niet heeft weersproken dat diezelfde notaris de aanzegging ten aanzien van [eiser 2] een dag later heeft doorgezonden aan het woonadres van [eiser 1], zodat zowel [eiser 1] (zowel in privé als in zijn hoedanigheid van pseudo trustee van [eiser 2]) als [eiser 2] bekend moeten worden geacht met de aanzeggingen. Nu [gedaagde] een opeisbare vordering op [eisers] heeft en [eisers] in verzuim verkeren, mocht [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook overgaan tot executie.
Misbruik van recht?
4.3.
Dat laatste zou slechts anders kunnen zijn in het geval van misbruik van recht, maar daarvan is niets gebleken. Het enige dat [eisers] daarover hebben aangevoerd, is dat [gedaagde] geen (opeisbare) vordering op [eisers] heeft, terwijl uit het voorgaande reeds volgt dat die grondslag de vordering niet kan dragen. Om die reden zal ook het beroep op 3:13 BW van [eisers] worden verworpen.
Voor zover de stelling van [eisers] dat de hoogte van het in de
Loan Agreementovereengekomen rentepercentage dan wel boetebeding buitensporig en onredelijk zijn zou moeten worden begrepen als een beroep op misbruik van recht, faalt het eveneens. De hoogte van de rente c.q. boete zijn partijen vrijelijk overeengekomen en maakt niet dat [gedaagde] reeds om die reden misbruik zou maken van haar recht om tot executie over te gaan.
Prioriteitsrecht
4.4.
[eisers] hebben voorts nog gewezen op haar ‘prioriteitsrecht’, op grond waarvan volgens hen “
alle roerende en onroerende goederen van eiser exclusief[zijn]
toegeëigend aan [eiser 1] dan wel[[eiser 2]]”. Dit prioriteitsrecht is volgens [eisers] van internationale aard en prevaleert boven nationale wetgeving.
Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door [eisers] in dat kader in het geding gebrachte stukken niet eenduidig blijkt dát er daadwerkelijk een “
prior lien” op het Pand rust. [gedaagde] betwist dat bij gebrek aan wetenschap. De voorzieningenrechter overweegt dat zelfs al zou hiervan sprake zijn, dit de onderhavige executie als zodanig niet in de weg zou staan, maar enkel een rol zou spelen bij de verdeling van de opbrengst.
Conclusie
4.5.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Dat betekent dat de executieverkoop doorgang kan vinden.
4.6.
[eiser 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.616,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.