De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die reeds sinds 4 november 2024 onder toezicht stond. De GI stelde dat er nog steeds sprake was van meerdere ontwikkelingsbedreigingen, waaronder schoolverzuim en onvoldoende lichamelijke zorg, en dat de moeder onvoldoende beschikbaar was voor het kind. Ook de beperkte betrokkenheid van de vader werd genoemd.
Tijdens de zitting was de vader aanwezig en gaf aan actief betrokken te zijn en zijn rol als opvoeder te willen oppakken. De moeder was niet aanwezig, maar had schriftelijk aangegeven dat de GI weinig contact had gezocht en afspraken had afgezegd. De minderjarige gaf aan dat het beter met hem ging, maar dat hij meer hulp van de GI had verwacht.
De kinderrechter constateerde dat drie van de vier ontwikkelingsbedreigingen nog aanwezig waren, maar dat de relatie tussen ouders en de betrokkenheid van de vader waren verbeterd. Ondanks jarenlange inzet van hulpverlening was het niet gelukt om de situatie fundamenteel te verbeteren. De GI kon niet aannemelijk maken dat een verlenging van de ondertoezichtstelling tot een andere uitkomst zou leiden.
De rechter overwoog dat andere ondersteuningsmiddelen, zoals de trajectbegeleider op school en de betrokkenheid van de vader, meer passend zijn. De ondertoezichtstelling was niet effectief gebleken en verlenging zou niet in het belang van de minderjarige zijn. Daarom werd het verzoek afgewezen.