2.7.Onderhoudsbijdragen
2.7.1.De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 823,- per kind per maand en een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 6.400,- per maand aan haar dient te betalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand.
2.7.2.De man verzoekt deze verzoeken van de vrouw af te wijzen.
2.7.3.De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage beoordelen. De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
2.7.4.De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De man is eigenaar van de eenmanszaak [eenmanszaak] te [plaats] . De vrouw is sinds 7 juni 2019 in loondienst werkzaam bij [BV] B.V. voor 28 uur per week.
2.7.5.De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. De man verzet zich tegen het vaststellen van een kinderbijdrage met terugwerkende kracht aangezien hij sinds zijn vertrek uit de woning heeft bijgedragen aan de kosten van de minderjarigen.
2.7.6.De rechtbank stelt vast dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 1 augustus 2025, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. Partijen hebben nadien niet verzocht om een wijziging van deze beschikking omdat de kinderbijdrage vanwege gewijzigde omstandigheden hoger of lager zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van de beschikking, te weten 6 november 2025.
2.7.7.Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Partijen zijn in maart 2024 feitelijk uit elkaar gegaan en in augustus 2024 heeft de man zich uitgeschreven van het adres van de echtelijke woning.
Het gebruikelijk inkomen van partijen voorafgaand aan dit uiteengaan is bepalend voor het berekenen van de behoefte van de minderjarigen.
2.7.8.Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de vrouw moet worden uitgegaan van haar jaaropgave 2024. Blijkens deze jaaropgave heeft de vrouw in 2024 een bruto salaris ontvangen van € 21.564,-.
2.7.9.Tussen partijen is wel in geschil welk inkomen van de man tot uitgangspunt moet worden genomen. De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de
privé-onttrekkingen uit de onderneming van de man. De privé-onttrekkingen stonden volgens de vrouw daadwerkelijk ter beschikking aan partijen en waren daarmee bepalend voor de feitelijke welstand. Gemiddeld bedroegen de privé-onttrekkingen in de jaren 2022, 2023 en 2024 € 162.031,- per jaar. Daarnaast moet volgens de vrouw rekening worden gehouden met de huurinkomsten van de man uit zijn garageboxen en appartement. Blijkens de e-mail van de accountant van de man heeft de man zelf aangegeven dat deze inkomsten € 25.000,- netto per jaar bedragen. Met deze inkomensgegevens van de man dient volgens de vrouw te worden gerekend. De man betwist dat voor zijn inkomen kan worden uitgegaan van de
privé-onttrekkingen uit zijn onderneming. Met de privé-onttrekkingen is geïnvesteerd in de echtelijke woning en de aankoop van onroerend goed zodat deze onttrekkingen feitelijk niet geheel aan partijen ter beschikking hebben gestaan. Ook dient volgens de man geen rekening te worden gehouden met de huurinkomsten uit zijn garageboxen en appartement aangezien hij een pensioengat heeft en dit zijn pensioenopbouw is. Bovendien bedragen de huurinkomsten geen € 25.000,- netto per jaar aangezien hij ook onderhoudskosten heeft en belasting verschuldigd is. De man is van mening dat voor zijn inkomen moet worden uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat van zijn onderneming in de jaren 2023 tot en met 2025, te weten € 39.445,- bruto per jaar.
2.7.10.De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen moet worden uitgegaan van de privéonttrekkingen uit de onderneming van de man. Tussen partijen is niet in geschil dat een groot deel van de privéonttrekkingen is geïnvesteerd in het aankleden en bewoonbaar maken van de casco opgeleverde echtelijke woning en de aankoop van onroerend goed door de man, zodat hiermee vermogensopbouw voor partijen dan wel de man heeft plaatsgevonden en partijen deze bedragen niet feitelijk tot hun beschikking hebben gehad. Gelet hierop is de rechtbank in tegenstelling tot de vrouw van oordeel dat de privé-onttrekkingen niet bepalend waren voor de welstand van de minderjarigen. De rechtbank zal daarom het bedrijfsresultaat van de onderneming van de man tot uitgangspunt nemen voor zijn inkomen. Omdat inkomensschommelingen inherent zijn aan het voeren van een eigen onderneming is het gebruikelijk om bij een ondernemer uit te gaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over een periode van drie jaar. Nu partijen in 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over deze jaren € 50.794,67 bedroeg zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Daarnaast dient naar het oordeel van de rechtbank rekening te worden gehouden met de inkomsten van de man uit de verhuur van zijn garageboxen en appartement. Dit onroerend goed is wellicht door de man aangekocht als pensioenvoorziening, maar de man heeft niet aangetoond dat hij ook de huurinkomsten spaart of belegt voor zijn pensioen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze inkomsten ter beschikking stonden aan het gezin. De man heeft de netto huurinkomsten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt door slechts enkele huurovereenkomsten te verstrekken. Blijkens de door de vrouw overgelegde brief van de belastingadviseur van de man heeft de man tegenover deze adviseur verklaard dat hij € 25.000,- netto per jaar ontvangt uit de verhuur van zijn garageboxen. Daarnaast heeft de man tijdens de zitting aangegeven dat hij € 995,- per maand aan huur voor het appartement ontvangt. Dit in aanmerking nemende en gelet op het standpunt van de vrouw dat moet worden uitgegaan van € 25.000,- netto per jaar aan huurinkomsten, gaat de rechtbank er vanuit dat de man in ieder geval € 25.000,- netto per jaar aan huurinkomsten uit zijn garageboxen en appartement ontvangt.
2.7.11.Aan de hand van voormelde inkomens van partijen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 op € 7.230,- per maand.
2.7.12.De rechtbank sluit bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen aan bij de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld en die behoren bij het Tremarapport. Uitgangspunt van deze tabellen is dat ouders een bepaald percentage van hun gezinsinkomen aan hun kinderen besteden. De man heeft voor het eerst tijdens de zitting aangevoerd dat gerekend moet worden met de tabel voor drie kinderen in plaats van met de tabel twee kinderen, omdat [de jongmeerderjarige] ten tijde van de samenwoning van partijen nog minderjarig was. De rechtbank volgt de man onder verwijzing naar overweging 2.7.22 niet in dit standpunt. De man heeft gesteld dat [de jongmeerderjarige] in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien omdat hij fulltime werkt en de rechtbank is niet gebleken dat dit ten tijde van het vertrek van de man uit de echtelijke woning anders was. Nu het gezinsinkomen niet besteed hoefde te worden aan [de jongmeerderjarige] , zal de rechtbank uitgaan van de tabel voor twee kinderen. Volgens deze tabel van 2024 gaven ouders met twee kinderen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 7.230,- per maand gemiddeld € 1.470,- per maand uit voor hun kinderen. Geïndexeerd naar 1 januari 2025 bedraagt de behoefte van de minderjarigen dan € 1.566,- per maand, oftewel € 783,- per kind per maand.
2.7.13.Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.7.14.Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2025, vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.310)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.310 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70.
2.7.15.Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.16.De rechtbank zal voor het salaris van de vrouw haar jaaropgave 2024 tot uitgangspunt te nemen. Door partijen is niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat het inkomen van de vrouw nadien is gewijzigd.
2.7.17.De man stelt dat van de vrouw gelet op haar leeftijd, de leeftijd van de kinderen en haar werkervaring mag worden verwacht dat zij net als hij fulltime gaat werken. De vrouw is weliswaar gediagnosticeerd met multiple sclerose, maar uit het bericht van de arts van de vrouw blijkt dat er goede medicatie beschikbaar is en dat de progressie van deze ziekte tegenwoordig goed kan worden geremd. Het huidige salaris van de vrouw omgerekend naar een 40-urige werkweek bedraagt € 33.462,- bruto per jaar en van dit salaris moet volgens de man worden uitgegaan. De vrouw stelt dat zij vanwege haar medische situatie niet in staat is om meer te werken. De vrouw is in december 2023 gediagnosticeerd met multiple sclerose en zij ondervindt hier ernstige vermoeidheidsklachten en lichamelijke klachten van.
2.7.18.De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij meer uren gaat werken. De vrouw heeft een arbeidscontract van substantiële omvang (28 uur per week) en runt op dit moment daarnaast een huishouden met drie kinderen. De vrouw is in december 2023 gediagnosticeerd met multiple sclerose, van welke aandoening zij blijkens haar uitgebreide toelichting ter zitting behoorlijke klachten ondervindt. De vrouw is op dit moment nog aan het re-integreren in haar werk. Dit in aanmerking nemende laat de belastbaarheid van de vrouw een uitbreiding van haar arbeidsduur niet toe. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een hoger (fictief) loon van de vrouw uit te gaan.
2.7.19.De vrouw heeft voor het eerst tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij met ingang van mei 2026 met 10% zal worden gekort op haar huidige salaris vanwege de duur van haar ziekmelding. De rechtbank ziet in deze stelling van de vrouw geen aanleiding om van een lager salaris van de vrouw uit te gaan. Door de vrouw zijn geen stukken over deze korting op haar salaris in het geding gebracht. Bovendien heeft de vrouw tijdens de zitting aangegeven dat zij aan het re-integreren is in haar werk zodat op dit moment nog onduidelijk is of de vrouw weer volledig aan het werk kan.
2.7.20.Uit de jaaropgave 2024 volgt een salaris van de vrouw van € 21.564,- bruto per jaar. Uitgaande van dit inkomen, de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.563,- per maand.
2.7.21.De vrouw is van mening dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten die zij maakt voor [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] woont bij de vrouw en hij wil haar geen kostgeld betalen. De vrouw schat de kosten van [de jongmeerderjarige] op € 125,- per maand. De man betwist dat rekening moet worden gehouden met de door de vrouw genoemde kosten voor [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] werkt fulltime in het bedrijf van de man en hij kan in zijn eigen levensonderhoud voorzien.
2.7.22.De rechtbank zal geen rekening houden met de door de vrouw genoemde kosten voor [de jongmeerderjarige] . De vrouw heeft tijdens de zitting onderschreven dat [de jongmeerderjarige] fulltime werkt en dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Het zou gelet hierop alleszins redelijk zijn als [de jongmeerderjarige] een financiële vergoeding aan zijn moeder gaat betalen voor kost en inwoning.
2.7.23.De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van voormelde draagkrachtformule op € 339,- per maand, oftewel € 170,- per kind per maand.
2.7.24.Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.25.Partijen zijn het erover eens dat bij de berekening van de draagkracht van de man het bedrijfsresultaat van zijn onderneming tot uitgangspunt moet worden genomen. Zoals eerder overwogen zijn inkomensschommelingen inherent aan het voeren van een eigen onderneming zodat het gebruikelijk is om bij een ondernemer uit te gaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over een periode van drie jaar. De man stelt primair dat moet worden uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025 en subsidiair van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw is van mening dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024 tot uitgangspunt moet worden genomen.
2.7.26.De rechtbank ziet aanleiding om het gemiddelde bedrijfsresultaat van de onderneming van de man over de jaren 2022, 2023 en 2024 tot uitgangspunt te nemen aangezien het jaar 2024 het meest recente volledige boekjaar is. De vrouw heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over deze jaren € 50.794,67 bedroeg zodat de rechtbank hiervan uitgaat.
2.7.27.De man stelt dat het bedrijfsresultaat maar beperkt beschikbaar is voor de betaling van een kinderbijdrage aangezien daarvan ook reserves moeten worden aangelegd voor slechtere tijden. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1532) is de man van mening dat hij een bedrag van € 15.000,- mag reserveren ten laste van het resultaat om mindere tijden te kunnen overbruggen. Dit is volgens de man ook hard nodig, omdat er zwaardere tijden aankomen. Er moeten twee vrachtwagens worden vervangen en vanaf 2030 moet de transportbranche elektrisch gaan rijden. De vrouw betwist dat de man een bedrag van € 15.000,- ten laste van het resultaat van zijn onderneming mag reserveren. Een dergelijke reservering gaat volgens de vrouw niet op voor de man aangezien hij over meer dan voldoende eigen vermogen beschikt om in de toekomst minderen periodes te kunnen overbruggen. 2.7.28.De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde reservering van € 15.000,- ten laste van het bedrijfsresultaat. De man heeft niet aangetoond dat hij deze reservering daadwerkelijk maakt en daarnaast heeft de onderneming blijkens de jaarrekening 2024 voldoende eigen vermogen om mogelijke financiële tegenvallers in de toekomst op te kunnen vangen.
2.7.29.Naast voormeld bedrijfsresultaat zal de rechtbank ook rekening houden met de inkomsten die de man geniet uit de verhuur van zijn garageboxen en appartement. Onder verwijzing naar overweging 2.7.10 neemt de rechtbank in dit verband een inkomen in aanmerking van € 25.000,- netto per jaar.
2.7.30.Uitgaande van voornoemde inkomsten en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 5.475,- per maand.
2.7.31.De vrouw heeft voor het eerst tijdens zitting aangevoerd dat bij de man geen rekening moet worden gehouden met het woonbudget. De man woont al bijna anderhalf jaar bij zijn vader in huis en heeft volgens de vrouw daarom geen woonlasten.
2.7.32.De rechtbank stelt vast dat in de draagkrachtformule op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de woonlast, te weten 30% van het NBI. Dit wordt het woonbudget genoemd. De rechtbank is niet gebleken dat de man op dit moment geen woonlasten heeft. De man woont niet bij zijn vader, maar in de woning van zijn vader die inmiddels in een verzorgingshuis woont. Bovendien heeft de man tijdens de zitting verklaard dat hij op zoek is naar andere woonruimte die geschikt is voor de minderjarigen. Gelet hierop houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met het woonbudget.
2.7.33.De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van voormelde draagkrachtformule op € 1.766,- per maand, oftewel € 883,- per kind per maand.
2.7.34.De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.053,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 657,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 126,- per kind per maand.
2.7.35.Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en de minderjarigen.
2.7.36.De rechtbank zal bij de man geen zorgkorting in aanmerking nemen. Op dit moment hebben de man en de minderjarigen enkel contact met elkaar bij de vader van de man in het verzorgingshuis en via WhatsApp. Tijdens de zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat dit voorlopig niet zal veranderen aangezien de man nog geen zicht heeft op een andere woning. Feitelijk draagt de man op dit moment dan ook geen zorg voor de minderjarigen. Zodra dit verandert kan er wel rekening gehouden gaan worden met een zorgkorting.
2.7.37.Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 6 november 2025 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 657,00 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen.
2.7.38.De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de partnerbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. De man verzet zich hiertegen en stelt dat de partnerbijdrage niet eerder kan ingaan dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
2.7.39.De rechtbank zal de ingangsdatum van de partnerbijdrage bepalen op de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, nu dit uit de wet voortvloeit.
(Aanvullende) behoefte vrouw
2.7.40.De rechtbank verwijst voor de stelling van de man dat de vrouw haar arbeidsduur kan uitbreiden en niet behoeftig is naar hetgeen zij hierover heeft overwogen onder 2.7.18. Gelet hierop zal de rechtbank overgaan tot het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.7.41.Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw moet worden berekend aan de hand van de hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
2.7.42.Onder verwijzing naar overweging 2.7.11 gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 op € 7.230,- per maand. Op dit inkomen dienen de kosten van de minderjarigen in 2024 van € 1.470,- per maand in mindering te worden gebracht nu dit bedrag niet ter beschikking stond aan partijen. Het inkomen waarop de behoefte gebaseerd dient te worden bedraagt dan € 5.760,- per maand. Aan de hand van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan in 2024 € 3.456,- netto per maand, geïndexeerd naar 1 januari 2025 € 3.681,- netto per maand.
2.7.43.Op deze behoefte dienen de eigen inkomsten van de vrouw in mindering te worden gebracht.
2.7.44.Onder verwijzing naar overwegingen 2.7.16 tot en met 2.7.19 gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van de vrouw van € 21.564,-. Na aftrek van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskorting resteert een aanvullende behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage van € 1.955,- netto per maand, oftewel € 3.724,- bruto per maand.
2.7.45.De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.7.46.Daarvoor maakt de rechtbank evenals bij de kinderbijdrage (zie overweging 2.7.14) gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In tegenstelling tot de kinderbijdrage geldt bij de partnerbijdrage dat van de draagkrachtruimte 60% beschikbaar is voor partnerbijdrage. De berekening ziet er in dat geval – gebruikmakend van de formule die geldt voor 2025 – als volgt uit:
60% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.310)].
2.7.47.Voor de berekening van de draagkracht van de man hanteert de rechtbank het inkomen van de man zoals genoemd onder overwegingen 2.7.25 tot en met 2.7.29. Uitgaande van deze inkomsten en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.475,- per maand. Op grond van voormelde draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de man dan € 1.514,- per maand. Hierbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar overweging 2.7.32 rekening gehouden met het woonbudget. Na aftrek van de bijdrage van de man in de behoefte van de minderjarigen van € 1.314,- per maand, resteert een beschikbare draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage van € 200,- netto per maand, dan wel € 319,- bruto per maand.
2.7.48.Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partnerbijdrage van € 319,00 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.