ECLI:NL:RBNHO:2025:13010

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
11902633 CV EXPL 25-6550
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens prevalerende belangen huurder en minderjarige kinderen

Woningbedrijf Velsen vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens een huurachterstand van bijna vier maanden, naast betaling van de achterstallige huur.

De huurder erkent de achterstand en voert aan dat zij door het overlijden van haar zoontje geen grip heeft op haar financiële situatie, en dat zij inmiddels een schuldhulptraject is gestart. De kantonrechter weegt dat de verhuurder aan zijn meldplicht bij problematische schulden heeft voldaan door de huurder op 19 augustus 2025 aan te melden bij de gemeente, maar dat dit een te korte periode is om al tot ontbinding over te gaan.

Vanwege de kwetsbare positie van de huurder en haar minderjarige kinderen, die eveneens te maken hebben met het verlies van hun broertje, prevaleren hun belangen om de woning te behouden boven het belang van de verhuurder. Daarom wijst de kantonrechter de ontbinding en ontruiming af, terwijl de huurachterstand en wettelijke rente worden toegewezen.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €3.268,22 aan achterstallige huur en de proceskosten van €1.254,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurachterstand toegewezen, ontbinding en ontruiming afgewezen vanwege prevalerende belangen huurder en minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11902633 \ CV EXPL 25-6550
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
STICHTING WONINGBEDRIJF VELSEN,
te IJmuiden,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningbedrijf Velsen,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
De huurachterstand wordt als onbetwist toegewezen. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt afgewezen omdat in de onderhavige situatie de belangen van [gedaagde] en haar minderjarige kinderen prevaleren boven het belang van Pré Wonen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het mondelinge antwoord
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woningbedrijf Velsen verhuurt met ingang van 23 mei 2018 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 667,64 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
In de huurovereenkomst staat:
“4.2. De huurprijs wordt jaarlijks gewijzigd overeenkomstig de bij of krachtens de wet bepaalde wijze.”
2.2.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Woningbedrijf Velsen heeft [gedaagde] sinds 2021 aangemaand om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Met [gedaagde] zijn diverse betalingsregelingen overeengekomen maar [gedaagde] kwam deze telkens niet na.
2.3.
Woningbedrijf Velsen heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningbedrijf Velsen heeft [gedaagde] daarna op 19 augustus 2025 bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Woningbedrijf Velsen vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 2.600,58 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Woningbedrijf Velsen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woningbedrijf Velsen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand maar voert aan dat zij, sinds haar zoontje enkele jaren geleden is overleden, geen grip meer heeft op haar leven en op haar financiële situatie. Het schuldhulptraject is inmiddels opgestart. Zij heeft twee kinderen van 9 en 7 jaar oud en kan niet zonder haar woning.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De voor de vordering relevante beding in artikel 4.2. van de huurovereenkomst is getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Huurachterstand
4.3.
[gedaagde] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met september 2025 berekend is op een bedrag van € 2.600,58. Op de mondelinge behandeling heeft Woningbedrijf Velsen haar vordering vermeerderd met de huur van oktober 2025, waardoor haar vordering inmiddels € 3.268,22 bedraagt. [gedaagde] heeft erkend dat de huur over de maand oktober niet is voldaan. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
4.4.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen. De gevorderde wettelijke rente zal daarom eveneens worden toegewezen.
Ontbinding en ontruiming
4.5.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen.
4.6.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand bijna vier maanden.
Daarmee is de huurachterstand in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Echter, in dit geval acht de kantonrechter de ontbinding met haar gevolgen niet gerechtvaardigd. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.7.
Sinds 1 januari 2021 zijn verhuurders verplicht om bij een betalingsachterstand persoonlijk contact te zoeken en de huurder te informeren over de mogelijkheden tot schuldhulpverlening (ook schriftelijk) [2] . Als de huurder geen stappen onderneemt, moet de verhuurder de huurachterstand melden bij de gemeente zodat een schuldhulpverlener betrokken raakt die zicht krijgt op de persoonlijke (financiële) situatie van de huurder. Gelet op de ratio achter die verplichting gaat de meldplicht van de verhuurder pas een rol spelen op het moment dat er signalen zijn die wijzen op problematische schulden waarbij huisuitzetting kan plaatsvinden. Als de verhuurder aan zijn verplichting niet heeft voldaan, kan dat ertoe leiden dat de gevorderde ontbinding en ontruiming worden afgewezen.
4.8.
In dit geval is sprake van problematische schulden en heeft Woningbedrijf Velsen [gedaagde] op 19 augustus 2025 aangemeld bij de gemeente. De dagvaarding is uitgebracht op 25 september 2025. Dit is een relatief korte periode voor een schuldhulpverlener om zicht te krijgen op en veranderingen te brengen in de financiële positie van [gedaagde]. Inmiddels wordt [gedaagde] bijgestaan door schuldhulp, zijn alle benodigde documenten ingeleverd en wacht zij op een beoordeling. Het op zo’n korte termijn uitbrengen van de dagvaarding gaat daarom ook voorbij aan het doel van de aanmelding. Dat Woningbedrijf Velsen ook al begin 2025 een melding heeft gedaan en dit geen resultaat heeft opgeleverd, doet hier niet aan af omdat [gedaagde] zich in een bij Woningbedrijf Velsen bekende zeer kwetsbare positie bevindt en begeleiding nodig heeft.
4.9.
Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen prevaleert vanwege de bijzondere omstandigheden in deze zaak het belang van [gedaagde] om haar woning te behouden boven het belang van Woningbedrijf Velsen. [gedaagde] kampt met psychische gevolgen van het overlijden van haar zoontje zodat stabiliteit op dit moment van belang is.
4.10.
Naast het belang van [gedaagde] zelf moet ook gekeken worden naar de belangen van de minderjarige kinderen; zij moeten zelfs vooropgesteld worden [3] . Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn.
4.11.
De kinderen van [gedaagde] zijn nog jong en hebben, net als [gedaagde], te maken met het verlies van hun broertje. Op dit moment zal een ontruiming nog meer ontwrichting van het gezin teweegbrengen. Daarbij geldt dat Woningbedrijf Velsen ter zitting heeft verklaard niet tot doel te hebben [gedaagde] te ontruimen maar dat zij de zorg en begeleiding krijgt die zij nodig heeft om haar leven weer op de rit te krijgen.
4.12.
Omdat de belangen van [gedaagde] en haar kinderen om het gehuurde te behouden in de onderhavige situatie prevaleren boven het belang van Woningbedrijf Velsen, zal de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden afgewezen. De vordering tot betaling van de huur na september 2025 zal bij gebrek aan belang afgewezen. [gedaagde] is immers op grond van de huurovereenkomst de huurtermijnen verschuldigd.
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningbedrijf Velsen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.254,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Woningbedrijf Velsen € 3.268,22 aan achterstallige huur tot en met oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.254,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.op grond van artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening (Bgs)
3.op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (verder: IVRK)