ECLI:NL:RBNHO:2025:13070

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
C/15/316568 / FA RK 21-2489
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgregeling en vaststelling informatieverplichting vader over minderjarige

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 11 november 2025 een zaak tussen de vader en moeder van een minderjarige, waarbij de vader een zorgregeling en een informatieverplichting over zijn dochter vorderde. De minderjarige is sinds april 2022 onder toezicht gesteld en de ondertoezichtstelling is meerdere malen verlengd. De vader heeft sinds 2021 geen contact meer met zijn dochter en ontvangt zeer beperkte informatie van de moeder.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden af te zien van omgang vanwege de angst en het verstoorde contact tussen de minderjarige en haar vader. De minderjarige zelf gaf aan geen contact met haar vader te willen en ook geen foto’s of filmpjes te willen delen. De moeder bevestigde dit standpunt en benadrukte het belang van het respecteren van de wens van de minderjarige.

De rechtbank oordeelde dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige en wees het verzoek tot zorgregeling af. Wel werd een informatieverplichting opgelegd aan de moeder om de vader eenmaal per twee maanden schriftelijk te informeren over de gezondheid, school, sociale activiteiten en andere relevante zaken van de minderjarige, inclusief het verstrekken van recente foto’s en een video.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep staat open binnen drie maanden na uitspraak. De rechtbank benadrukte dat de afwijzing van omgang tijdelijk is en dat bij gewijzigde omstandigheden opnieuw een verzoek kan worden ingediend.

Uitkomst: Verzoek tot zorgregeling afgewezen, maar moeder verplicht tot regelmatige schriftelijke informatieverstrekking aan vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zorgregeling en vaststelling informatieverplichting
zaak-/rekestnr.: C/15/316568 / FA RK 21-2489
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 november 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. Krim, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.C. Sneper, kantoorhoudende te Amersfoort,
--betreffende--
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de minderjarige.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 november 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de e-mail van [de minderjarige] van 26 juni 2025, zoals behandeld in een zogenaamde ‘kindbriefprocedure’, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/15/365922 / FA RK 25/2753;
- het aanvullende verzoekschrift van de vader, ingekomen op 23 september 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 oktober 2025 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. A. Krim en de moeder door mr. M. Erkens, waarnemer namens mr. C.C. Sneper. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) en [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ,. namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers.
1.3.
Gelijktijdig met dit verzoek is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 10 oktober 2025 aan de orde, waarvan op 11 november 2025 een afzonderlijke beslissing is gegeven, bij de rechtbank bekend onder respectievelijk de nummers C/15/369387 / JU RK 25-1251 en C/15/ 370743 / JU RK 25-1442.
1.4.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 16 oktober 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 18 november 2024 is de beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening en de pogingen om het contact te herstellen in het kader van de ondertoezichtstelling.
2.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 april 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens steeds is verlengd en nu nog duurt tot
13 november 2026.
Bij beschikkingen van 15 augustus 2023, 10juni 2025 en 7 oktober 2025 heeft het gerechtshof te Amsterdam de beslissingen van de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] bekrachtigd.
2.3.
De vader heeft de rechtbank op 23 september 2025 aanvullend verzocht een informatieplicht vast te stellen, inhoudende dat de moeder de vader iedere eerste dag van de maand schriftelijk dient te informeren over [de minderjarige] , waarbij deze informatie minstens 300 woorden bevat en betreffende de onderwerpen:
- gezondheid;
- bezoeken aan huisarts, tandarts, medische specialisten en dergelijke;
- stukken en informatie met betrekking tot de betrokken hulpverlening;
- school- en studievoortgang;
- schoolresultaten;
- schoolactiviteiten, waaronder de activiteiten in het eerstvolgende kwartaal waaraan [de minderjarige] zal deelnemen;
- dagelijkse bezigheden, sporten, interesses, sociale contacten en hobby’s;
- geplande vakanties,
alsmede de moeder te verplichten twee op dat moment gelijkende/recente foto’s van [de minderjarige] en een videofilmpje van [de minderjarige] te verstrekken, waarbij zij volledig in beeld is en haar gezicht goed duidelijk te zien is.
2.4.
De vader heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. De vader heeft behoefte aan informatie over [de minderjarige] , te meer nu er geen contact tussen hem en [de minderjarige] mogelijk is. Sinds [de minderjarige] twaalf jaar is geworden, heeft zij hem de toegang tot haar medische dossier bij het ziekenhuis ontzegd. De moeder informeert de vader sporadisch en zeer beperkt. Gelet op de omstandigheden is het niet de verwachting dat dit zal veranderen. De vader vindt een bericht van 300 woorden een redelijk verzoek als het gaat om informeren van de andere ouder.
2.5.
De Raad stelt zich op het standpunt dat ieder kind behoefte heeft aan contact met de vader. [de minderjarige] had in het begin van de ondertoezichtstelling een positief contact met haar vader. [de minderjarige] wil nu geen contact meer met haar vader. Ze heeft nu een verwrongen beeld van de vader en door haar angst versterkt dit beeld en is het contact geproblematiseerd
.De vader wil betrokken worden in het leven van [de minderjarige] .
Voor de aantijgingen die de moeder jegens vader doet, zijn geen aanwijzingen gevonden. Het is daarom van belang dat er zicht komt op de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder thuis.
Het is in het belang van [de minderjarige] dat er intensieve hulpverlening wordt opgestart om zicht te krijgen op de interactie tussen de moeder en [de minderjarige] . De vader begrijpt dat het forceren van een contactregeling niet in het belang van [de minderjarige] is.
De Raad is van mening dat [de minderjarige] ideeën ingeprent heeft gekregen door de moeder en dat er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor een opbouw naar contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] . De Raad adviseert daarom het verzoek van de vader tot een omgangsregeling voor nu af te wijzen. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij los kan komen van het beeld van de moeder over de vader en dat zij zelfstandig een beeld kan vormen over haar vader. [de minderjarige] zit nu vast in dit systeem en een contact met de vader is momenteel te belastend voor haar.
De Raad begrijpt de vader in zijn verzoek tot een informatieverplichting. Wellicht kan de GI daar een rol in spelen.
2.6.
De advocaat voert namens de vader het woord, en stelt dat het in deze zaak gaat om een 12-jarig meisje dat al jaren klem zit. Na het verbreken van de relatie tussen de ouders was een verdeling van de opvoedtaken bepaald die heel goed verliep. Vanaf het begin is echter duidelijk dat de moeder moeite had met de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en dat zij alles uit de kast heeft gehaald om het contact tussen vader en dochter te dwarsbomen. Zij heeft valse beschuldigingen geuit jegens de vader.
De moeder zegt ter zitting dat zij meewerkt aan contactherstel en dat er geen problemen thuis zijn, maar in de praktijk werkt de moeder nergens aan mee en blijkt het tegenovergestelde. De moeder is alleen maar bezig met het starten van procedures bij de rechtbank en het indienen van klachten om de GI dwars te zitten.
Kortom de moeder werkt nergens aan mee. De vader heeft daarom vanaf 2021 zijn dochter niet meer gezien en heeft verder geen vader-dochterrelatie kunnen opbouwen, dit terwijl het contact tussen de vader en [de minderjarige] in het begin goed verliep. [de minderjarige] ging graag naar haar vader. De vraag is hoe het dan komt dat [de minderjarige] zoveel angst naar haar vader toe heeft opgebouwd. Het is daarom belangrijk dat de thuissituatie bij de moeder, haar opvoedvaardigheden en de interactie tussen de moeder en [de minderjarige] wordt onderzocht. De vader begrijpt dat er in het belang van [de minderjarige] nu geen omgangsregeling tot stand kan komen. De vader legt zich in het belang van [de minderjarige] daarbij neer. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij geholpen wordt en de zorg en de benodigde therapie en/of begeleiding krijgt die zij nodig heeft. Daarbij zou de focus moeten liggen op onderzoek naar de thuissituatie bij de moeder en haar opvoedvaardigheden zodat op termijn er een opening ontstaat voor contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .
De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de vader tot een zorgregeling met [de minderjarige] .
De vader krijgt tot nu toe zeer beperkt informatie van de moeder, terwijl de moeder hier op zitting zegt dat zij de vader regelmatig informeert over het welzijn van [de minderjarige] . De vader krijgt geen informatie meer uit het ziekenhuis in verband met het op verzoek van [de minderjarige] daartoe.
De vader heeft [de minderjarige] al vijf jaar niet gezien. Hij heeft geen recente foto’s of filmpjes van haar.
De moeder is verplicht om de vader te informeren. [de minderjarige] heeft veel activiteiten veel buiten school zoals tv en theater, dus er is voor de moeder genoeg om over te schrijven in minimaal 300 woorden.
De advocaat verzoekt om die reden het aanvullend verzoek toe te wijzen en aan de moeder een informatieverplichting op te leggen. De vader wil graag weten hoe het met zijn dochter gaat en hoe zij zich ontwikkelt
.
2.7.
De vader begrijpt dat hij een stapje terug moet doen in het belang van [de minderjarige] . Hij vindt het van belang dat [de minderjarige] tot rust komt en dat zij de benodigde hulpverlening krijgt om haar angsten en trauma’s te verwerken en zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandige jonge vrouw. De vader zou graag een rol spelen in haar leven. De vader laat het over aan [de minderjarige] , zodra zij er aan toe is, om het contact tussen hen te herstellen. Zij is altijd welkom.
De vader wil graag op de hoogte gehouden worden door de moeder hoe het met [de minderjarige] gaat en in 300 woorden. Het liefst zou hij ook een foto of een video willen ontvangen. De vader begrijpt dat [de minderjarige] heeft aangegeven dat zij dat pertinent niet wil.
2.8.
De advocaat voert namens de moeder het woord. Blijkens de beschikking van het gerechtshof van 7 oktober 2025 is een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . De focus moet liggen op de behandeling van [de minderjarige] . De advocaat stelt dat uit de beschikking van de meervoudige kamer van 18 november 2024 blijkt dat nog eenmaal een poging moest worden ondernomen om begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] te organiseren en daarbij te bekijken of er een omgangsregeling gerealiseerd kon worden die in het belang van [de minderjarige] was. Daarbij heeft de GI de kindbehartiger ingezet. Uit het gesprek tussen [de minderjarige] en de kindbehartiger is naar voren gekomen dat de mening van [de minderjarige] helder is en dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om dwang en drang op de omgang met haar vader te zetten. De GI bleef [de minderjarige] toch dwingen tot contact met haar vader, wat uiteindelijk niet is gelukt.
De advocaat voert aan dat de omgang op dit moment niet gerealiseerd kan worden. Er is genoeg hulpverlening ingezet. De advocaat verzoekt daarom het verzoek van de vader tot een zorgregeling af te wijzen.
De advocaat verzoekt aanpassing van het verzoek van de vader met betrekking tot de informatieverplichting in die zin dat de moeder de vader zal informeren zoals de moeder dat altijd heeft gedaan en afwijzing van het verzoek voor het overige.
De moeder informeert de vader over belangrijke dingen in het leven van [de minderjarige] . [de minderjarige] wil niet dat er foto’s en filmpjes naar de vader gaan. De moeder wil de wens van [de minderjarige] respecteren.
De vertrouwensband tussen de moeder en [de minderjarige] is belangrijk.
2.9
De moeder vertelt dat zij wel openstaat voor contact tussen de vader en [de minderjarige] , maar dat [de minderjarige] aangeeft dat zij pertinent geen contact met haar vader wil en dat de moeder haar niet wil dwingen.
2.1
[de minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter gezegd dat zij geen contact met haar vader wil en dat zij ook voor de toekomst geen enkele mogelijkheid tot een contact herstel met de vader ziet. [de minderjarige] wil niet dat de vader foto’s en filmpjes van haar krijgt.
2.11
De GI stelt zich op het standpunt dat zij beter zicht wil krijgen op het opvoedend vermogen van de moeder en haar rol in het in stand houden van de problematiek bij [de minderjarige] . Tevens dient dit bij te dragen aan het realiseren van een voor [de minderjarige] veilige en ontwikkelingsgerichte omgeving. De GI heeft geprobeerd druk te leggen bij zowel de moeder als [de minderjarige] op contactherstel met de vader, maar dat is tot op heden niet gelukt. De weerstand en angstgevoelens jegens de vader bij [de minderjarige] worden alleen maar groter.
De focus ligt nu op behandeling van [de minderjarige] , zicht krijgen op de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder, om uiteindelijk een opening bij [de minderjarige] te creëren tot voorzichtig contactherstel met haar vader. De GI vertelt dat op dit moment een omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet mogelijk is. De omgang wordt dan ook voor nu geparkeerd, maar is niet van de baan. De GI wil onderzoeken wat nodig is om uiteindelijk een contactherstel te bewerkstellingen.

3.Verdere beoordeling

zorgregeling
3.1
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.2
De rechtbank stelt voorop dat omgang tussen ouder en kind in beginsel in het belang van het kind wordt geacht te zijn. In dit geval echter, acht de rechtbank omgang tussen de vader en [de minderjarige] in strijd met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Zowel de Raad als de GI geven aan dat omgang met de vader op dit moment te belastend is voor [de minderjarige] . Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij eerst de benodigde (trauma) behandeling krijgt zodat zij uiteindelijk zelf haar mening kan vormen over haar vader en dan mogelijk in staat is om het contact met haar vader te herstellen. De focus zal nu liggen op de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] , het in kaart brengen van de thuissituatie bij de moeder en haar opvoedvaardigheden, inclusief de interactie tussen de moeder en [de minderjarige] . Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij bereid is, in het belang van [de minderjarige] , een stapje terug te doen. De vader heeft het beste voor met [de minderjarige] . Hij houdt van haar en zou graag een rol in haar leven hebben.
De rechtbank realiseert zich dat het heel spijtig is voor de vader dat er geen omgang kan plaatsvinden met [de minderjarige] . De vader heeft zich volledig ingezet om een rol in haar leven te spelen en heeft geprobeerd samen een band op te bouwen. De rechtbank wil dat [de minderjarige] weet dat haar vader veel van haar houdt en dat professionele instanties geen zorgen hebben over haar veiligheid bij de vader.
Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zal om die reden worden afgewezen.
3.3
De rechtbank wijst partijen erop dat elke afwijzing van een verzoek tot omgang van tijdelijke aard is, in die zin dat de ouder van wie het verzoek is afgewezen in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar zich opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).
Informatie verplichting
3.4
De rechtbank stelt voorop dat de ouder bij wie het kind verblijft gehouden is de ouder bij wie het kind niet verblijft te informeren over belangrijke aangelegenheden en de ontwikkelingen van het kind.
Nu er geen omgangcontacten zijn tussen de vader en [de minderjarige] , is het - door de moeder - verstrekken van informatie over [de minderjarige] een belangrijk middel voor de vader om de band met zijn kind te behouden. De vader heeft daarom belang bij een informatieregeling.
De rechtbank ziet aanleiding om in de onderhavige zaak een informatieregeling vast te stellen. De rechtbank acht het, nu de vader in het belang van [de minderjarige] geen omgang met haar heeft omdat zij dat nu niet wil, onder meer van belang dat de vader informatie ontvangt over de onderwerpen in zijn verzoek en dat hij foto’s en filmpjes van [de minderjarige] ontvangt. De rechtbank zal echter een andere frequentie vaststellen dan verzocht, gelet op de huidige situatie tussen de moeder, de vader en [de minderjarige] .
De rechtbank acht het in het belang van zowel de vader als [de minderjarige] dat de vader op de hoogte blijft van hoe het met [de minderjarige] gaat en hoe zij zich ontwikkelt. Zo kan de vader, als er in de toekomst ruimte bij hen ontstaat voor een herstelgesprek, goed bij haar aansluiten en weet hij wat er op dat moment in haar leven gaande is.
Een en ander leidt tot de volgende beslissing
.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot zorgregeling van de vader af;
4.2
bepaalt dat de moeder de vader
eenmaal per twee maandenop de eerste dag van de maand schriftelijk informeert over [de minderjarige] , waarbij deze informatie minstens 300 woorden bevat en betreffende de onderwerpen:
- gezondheid;
- bezoeken aan huisarts, tandarts, medische specialisten en dergelijke;
- stukken en informatie met betrekking tot de betrokken hulpverlening;
- school- en studievoortgang;
- schoolresultaten;
- schoolactiviteiten, waaronder de activiteiten in het eerstvolgende kwartaal waaraan [de minderjarige] zal deelnemen;
- dagelijkse bezigheden, sporten, interesses, sociale contacten en hobby’s;
- geplande vakanties,
Alsmede dat de moeder aan de vader
eenmaal per vier maandeneen op dat moment gelijkende/recente foto’s van [de minderjarige] en een videofilmpje van [de minderjarige] verstrekt, waarbij zij volledig in beeld is en haar gezicht goed duidelijk te zien is.
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door
mr. F.W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van S. Dekker als griffier.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.