ECLI:NL:RBNHO:2025:13121

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
367627
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 RvArt. 107 RvArt. 1:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Splitsing en bevoegdheidsincident bij aankoop speculatieve landbouwgrond

In deze civiele procedure vordert [eiser] vernietiging van koopovereenkomsten van speculatieve landbouwgrond wegens dwaling en onrechtmatige handelspraktijken jegens [gedaagde] en De Twaalf Provinciën. Beide gedaagden vorderen incidenteel splitsing van de zaak en stellen dat er geen samenhang is die gezamenlijke behandeling rechtvaardigt.

De rechtbank overweegt dat hoewel de vorderingen gelijksoortig zijn, de feitencomplexen, verkoopmaterialen, locaties en toepasselijke juridische kaders verschillen per gedaagde. De enkele relatie via een bemiddelaar met dezelfde aandeelhouder is onvoldoende voor samenhang. Daarom wordt de splitsing toegewezen.

Door splitsing ontstaat voor het deel tegen [gedaagde] een relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Noord-Holland, waarna de zaak wordt verwezen naar de rechtbank in [plaats 2]. De rechtbank wijst tevens de kostenveroordeling tegen [eiser] toe en bepaalt dat verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vorderingen tot splitsing toe en verklaart zich onbevoegd voor het deel tegen [gedaagde], waarna verwijzing volgt naar de rechtbank in [plaats 2].

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367627 / HA ZA 25-421
Vonnis in incidenten van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1], België,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in de incidenten,
advocaat: mr. M.A. Pieters,
tegen

1.[gedaagde] B.V.,

te [plaats 2],
advocaat: mr. H.M. Giezen,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in de incidenten,

2.2. DE TWAALF PROVINCIËN VASTGOED B.V.,

te Heemstede,
advocaat: mr. H. Knotter,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident.
Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser], [gedaagde] en De Twaalf Provinciën worden genoemd. [gedaagde] en De Twaalf Provinciën zullen hierna gezamenlijk gedaagden worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de incidentele conclusie tot splitsing van het geding van De Twaalf Provinciën
- de incidentele conclusie van eis in het splitsingsincident, tevens bevoegdheids- en/of verwijzingsincident van [gedaagde]
- de conclusie van antwoord in het incident tot splitsing van het geding met productie 17 van [eiser]
- de akte uitlating productie 17 met productie 1 van [gedaagde]
- de akte uitlating productie 17 van De Twaalf Provinciën.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
2. De vordering in de hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak speelt - kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van de incidenten - het volgende.
2.2.
[gedaagde] en De Twaalf Provinciën zijn allebei handelaar in speculatieve landbouwgrond. [eiser] heeft in 2007 van [gedaagde] en in 2011 en 2012 van De Twaalf Provinciën percelen (speculatieve) landbouwgrond gekocht. [eiser] stelt dat gedaagden bij de verkoop van deze percelen misleidende informatie hebben verstrekt, zonder dat zij [eiser] hebben gewaarschuwd voor de aanzienlijke risico’s die gepaard gaan met investeren in speculatieve landbouwgrond. [eiser] vordert primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de koopovereenkomsten wegens dwaling rechtsgeldig heeft vernietigd, althans dat de rechtbank de koopovereenkomsten bij vonnis vernietigt, en gedaagden in het kader van de ongedaanmaking te veroordelen de door [eiser] betaalde koopsommen te vermeerderen met wettelijke rente terug te betalen. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens hem door gebruik te maken van oneerlijke handelspraktijken en gedaagden te veroordelen de door [eiser] geleden schade te vergoeden, waarbij [eiser] verzoekt deze schade te begroten op de door [eiser] betaalde koopsommen verminderd met het bedrag dat [eiser] heeft ontvangen door de doorverkoop van een van de percelen.

3.Het geschil in de incidenten

3.1.
De Twaalf Provinciën vordert in het incident, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. aanhouding van de hoofdzaak gedurende de behandeling van het incident;
II. splitsing van de zaak tegen De Twaalf Provinciën en de zaak tegen [gedaagde], waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met het stellen van een termijn aan [eiser] voor het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding die uitsluitend is gericht aan De Twaalf Provinciën, gevolgd door een conclusie van antwoord van De Twaalf Provinciën in de zaak tegen De Twaalf Provinciën;
III. verlening van een gewoon uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident;
IV. veroordeling van [eiser] in de kosten in het incident inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
subsidiair:
V. aanhouding van de hoofdzaak gedurende de behandeling van het incident;
VI. splitsing van de zaak tegen De Twaalf Provinciën en de zaak tegen [gedaagde], waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met de conclusie van antwoord van De Twaalf Provinciën in de zaak tegen De Twaalf Provinciën;
VII. verlening van een gewoon uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident;
VIII. veroordeling van [eiser] in de kosten in het incident inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
meer subsidiair:
IV. voor het geval de rechtbank niet tot splitsing van de procedure van [eiser] overgaat, verlening van een gewoon uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident.
3.2.
[gedaagde] vordert in de incidenten, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
aanhouding van de hoofdzaak gedurende de behandeling van het incident;
splitsing van de zaak tegen De Twaalf Provinciën en de zaak tegen [gedaagde], waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met de conclusie van antwoord van [gedaagde] in de zaak tegen [gedaagde];
dat de rechtbank zich als gevolg van de splitsing relatief onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering jegens [gedaagde] en de zaak van [eiser] tegen [gedaagde] verwijst naar de relatief bevoegde rechtbank;
verlening van een gewoon uitstel van zes weken voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident;
[eiser] te veroordelen in de kosten van dit incident waaronder de nakosten.
3.3.
De Twaalf Provinciën legt aan haar vordering tot splitsing, samengevat, ten grondslag dat hoewel de vorderingen jegens [gedaagde] en De Twaalf Provinciën gelijksoortig zijn, deze per gedaagde zijn gegrond op een ander feitencomplex. De vorderingen per gedaagde hebben niet betrekking op dezelfde schade en de individuele rechtsverhoudingen van gedaagden jegens [eiser] verschillen van elkaar. Gedaagden hebben geen onderlinge relatie met elkaar en zij hebben ieder verschillende overeenkomsten met [eiser] gesloten. Bovendien verschillen de eigenschappen van de percelen, zoals de geografische ligging en de prijzen per vierkante meter. Ook de mededelingen die door of namens partijen zijn gedaan over de percelen verschillen per gedaagde. De vorderingen vergen een afzonderlijke beoordeling per gedaagde. Er is bovendien geen risico op onverenigbare uitspraken, omdat een beslissing op de vordering tegen De Twaalf Provinciën geen invloed heeft op een beslissing op de vordering tegen [gedaagde]. Ten slotte is het volgens De Twaalf Provinciën onduidelijk welke stellingen en verwijten in de dagvaarding gericht zijn tegen haar en welke gericht zijn tegen [gedaagde], zodat De Twaalf Provinciën niet goed verweer kan voeren.
3.4.
[gedaagde] legt aan haar vordering tot splitsing, samengevat, ten grondslag dat geen sprake is van samenhang tussen de vorderingen tegen haar en tegen De Twaalf Provinciën, omdat geen sprake is van een juridische of organisatorische band tussen [gedaagde] en De Twaalf Provinciën. Ook stelt [gedaagde] dat sprake is van fundamenteel verschillende feitencomplexen. Verder liggen de percelen die door [gedaagde] en De Twaalf Provinciën zijn verkocht in verschillende gemeenten en betreffen verschillende kavels met elk hun eigen planologische context. Ten slotte is de koopovereenkomst met [gedaagde] gesloten in 2007, terwijl de koopovereenkomsten met De Twaalf Provinciën zijn gesloten in 2011 en 2012. Het tijdsverschil heeft volgens [gedaagde] directe gevolgen voor het toepasselijk juridisch kader. Ten tijde van de transactie met [gedaagde] was de Wet oneerlijke handelspraktijken namelijk nog niet in werking getreden. Bovendien zal de betrokkenheid van meer gedaagden in de onderhavige procedure volgens [gedaagde] meer vertraging van de procedure met zich meebrengen dan een losse behandeling van de vorderingen. Deze vertraging kan volgens [gedaagde] bijvoorbeeld ontstaan als gevolg van incidenten of reconventionele vorderingen die worden opgeworpen of ingesteld door de ene gedaagden en die niet relevant zijn voor de andere gedaagde.
[gedaagde] heeft aan het incident tot onbevoegdverklaring en verwijzing, samengevat, ten grondslag gelegd dat de rechtbank Noord-Holland niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering jegens [gedaagde]. Op grond van artikel 99 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 1:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de rechtbank de zaak volgens [gedaagde] verwijzen naar de rechtbank die bevoegd is op basis van de statutaire zetel van [gedaagde]. Dat is de rechtbank [plaats 2].
3.5.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van gedaagden in hun incidentele vorderingen, althans tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Volgens [eiser] is sprake van sterke gelijkenissen in verkoopmaterialen en verkooptactiek en in de mededelingen die gedaagden hebben gedaan over de percelen. Omdat de feiten bij beide gedaagden in belangrijke mate overeenkomen, is de juridische kwalificatie van deze feiten hetzelfde. Verder zijn gedaagden aan elkaar verbonden doordat [gedaagde] bij de verkoop van het perceel gebruik heeft gemaakt van de verkoopmaterialen van Geo Vastgoed B.V. (hierna: Geo Vastgoed), een onderneming met dezelfde bestuurder en aandeelhouder als De Twaalf Provinciën. Volgens [eiser] moet de rechtbank in ieder geval de primaire vordering van De Twaalf Provinciën tot het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding afwijzen, omdat duidelijk kenbaar is welke stellingen en feiten in de dagvaarding betrekking hebben op De Twaalf Provinciën.
[eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen het incident tot onbevoegdverklaring.
3.6.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader in.

4.De beoordeling van de incidenten

4.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De rechtbank kan een aanhangig gemaakt geding splitsen indien tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. [1]
4.2.
De door [eiser] ingestelde vorderingen in de hoofdzaak zijn gelijksoortig. Zij zien beide op verklaringen voor recht dat de koopovereenkomsten van (speculatieve) landbouwpercelen tussen [eiser] en [gedaagde] en tussen [eiser] en De Twaalf Provinciën op grond van dwaling rechtsgeldig zijn vernietigd, dan wel worden vernietigd, dan wel dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld door gebruik te maken van oneerlijke handelspraktijken. Maar hoewel de vorderingen zijn samengevoegd in één dagvaarding, is per gedaagde een ander feitencomplex aan de vorderingen ten grondslag gelegd. Verder verschillen de inhoud van de verkoopbrochures, de verkoopprijzen, de koopovereenkomsten en de locaties en eigenschappen van de percelen sterk van elkaar. Bovendien heeft het tijdsverschil tussen de verkoopovereenkomsten directe gevolgen voor het toepasselijk juridisch kader omdat ten tijde van de verkoop door [gedaagde] de wet oneerlijke handelspraktijken nog niet in werking was getreden. [eiser] heeft gesteld en aan de hand van productie 17 onderbouwd dat bemiddelaar Geo Vastgoed en De Twaalf Provinciën dezelfde aandeelhouders hebben en dat [gedaagde] ten tijde van de verkoop van de percelen aan [eiser] gebruik heeft gemaakt van Geo Vastgoed voor bemiddeling. Geo Vastgoed is evenwel geen partij in deze procedure en dit enkele feit is onvoldoende om een onderlinge relatie aan te kunnen nemen tussen [gedaagde] en De Twaalf Provinciën die maakt dat sprake is van een zodanige samenhang tussen de vorderingen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat [gedaagde] alleen in de jaren 2006-2008 gebruik heeft gemaakt van Geo Vastgoed als bemiddelaar. De Twaalf Provinciën was toen nog niet opgericht.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De vorderingen vergen een afzonderlijke beoordeling per gedaagde. Gelet hierop acht de rechtbank de incidentele vorderingen tot splitsing toewijsbaar.
4.4.
De splitsing van beide zaken heeft gevolgen voor de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank wat betreft de zaak tegen [gedaagde] die gevestigd is in [plaats 2]. Door de splitsing is sprake van twee afzonderlijke zaken. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank in de zaak tegen [gedaagde] kan daardoor niet langer worden gebaseerd op artikel 107 Rv Pro. Een andere grond voor relatieve bevoegdheid van de rechtbank Noord-Holland is niet gesteld en niet gebleken.
Dit betekent dat op grond van artikel 99 Rv Pro de rechtbank [plaats 2] bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen [eiser] en [gedaagde]. De incidentele vordering van [gedaagde] tot onbevoegdheid en verwijzing slaagt dus. De rechtbank Noord-Holland zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dat geschil en de zaak als gevorderd in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank in [plaats 2].
4.5.
De vordering van De Twaalf Provinciën en [gedaagde] om beide zaken een eigen zaak- en rolnummer te geven zal ook worden toegewezen, in die zin dat één van beide zaken het huidige zaaknummer (C/15/367627 / HA ZA 25-421) zal houden en de andere zaak een nieuw zaak- en rolnummer zal krijgen.
4.6.
[eiser] zal jegens gedaagden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de incidenten worden veroordeeld. De kosten worden per gedaagde begroot op € 614,00 (1 punt × tarief € 614,00) aan salaris advocaat. De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5.De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
Bij de vorderingen tot aanhouding van de hoofdzaak totdat in de incidenten is beslist, hebben gedaagden gelet op de stand van de procedure geen belang meer, zodat de rechtbank die vorderingen zal afwijzen.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de primaire incidentele vorderingen onder II. van De Twaalf Provinciën toe te wijzen en [eiser] een termijn te stellen voor het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding die uitsluitend is gericht aan De Twaalf Provinciën. De Twaalf Provinciën wordt namelijk niet in haar verdediging geschaad als zij verweer moet voeren tegen de door [eiser] uitgebrachte dagvaarding. In de dagvaarding is voldoende onderscheid gemaakt tussen de feiten en stellingen die zien op De Twaalf Provinciën en die zien op [gedaagde]. Voor zover De Twaalf Provinciën vindt dat [eiser] op onderdelen ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt, kan zij daar in haar conclusie van antwoord op in gaan. Het stellen van een termijn aan [eiser] voor het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding zou bovendien tot onnodige vertraging van de procedure leiden. De rechtbank zal de subsidiaire incidentele vorderingen toewijzen. Dat betekent dat De Twaalf Provinciën in de gelegenheid zal worden gesteld om op een termijn van zes weken na de datum van dit vonnis een conclusie van antwoord te nemen.
5.3.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen, verwijst de rechtbank de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank [plaats 2], sector civiel.
5.4.
Over het verlenen van uitstel voor het indienen van de conclusie van antwoord door [gedaagde] zal de rechtbank zich niet uitlaten, omdat die beslissing aan de rechtbank in [plaats 2] is. De zaak wordt immers verwezen in de stand waarin die zich nu bevindt.
5.5.
In elke afgesplitste zaak zal afzonderlijk griffierecht worden geheven.
5.6.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6.De beslissing

De rechtbank,
in het incident tot splitsing
6.1.
wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde] en De Twaalf Provinciën tot splitsing toe,
6.2.
bepaalt dat de procedure met zaak- en rolnummer C/15/367627 / HA ZA 25-421, wordt gesplitst, in die zin dat de zaken tussen [eiser] en [gedaagde] en [eiser] en De Twaalf Provinciën in afzonderlijke procedures zullen worden behandeld, waarbij één van de afzonderlijke procedures zaak- en rolnummer C/15/367627 / HA ZA 25-421 zal behouden, en de andere afzonderlijke procedure een nieuw zaak- en rolnummer zal krijgen,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in het incident tot onbevoegdverklaring
6.4.
wijst de incidentele vordering toe,
6.5.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak jegens [gedaagde] kennis te nemen,
in alle incidenten
6.6.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van De Twaalf Provinciën tot op heden begroot op € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.7.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incidenten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
6.10.
bepaalt dat de zaak tussen [eiser] en De Twaalf Provinciën weer op de rol zal komen van
woensdag 24 december 2025voor conclusie van antwoord aan de zijde van De Twaalf Provinciën,
6.11.
verwijst de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Amsterdam, sector civiel,
6.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
1846

Voetnoten

1.HR 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384.