De gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers verzocht de rechtbank om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlenen, gevolgd door een reguliere machtiging voor zes maanden. De kinderrechter verleende aanvankelijk een spoedmachtiging voor vier weken, maar stelde de verdere beslissing uit om de betrokkenen te horen.
Tijdens de zitting verscheen de minderjarige niet persoonlijk, maar via zijn advocaat werd aangegeven dat hij via videobelverbinding gehoord wilde worden. De gedragswetenschapper had op dossieronderzoek geconcludeerd dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk was, maar had de jeugdige niet persoonlijk onderzocht, hetgeen volgens de Jeugdwet en relevante richtlijnen een onmisbaar element is voor het afgeven van een instemmingsverklaring.
De instelling stelde dat onderzoek feitelijk onmogelijk was omdat de jeugdige direct na vrijlating van het politiebureau gesloten geplaatst zou worden. De rechtbank stelde echter vast dat de jeugdige na vrijlating wel degelijk op bekende locaties verbleef en naar school ging, waardoor persoonlijk onderzoek mogelijk was geweest. Het ontbreken van een actuele instemmingsverklaring leidde tot het oordeel dat de spoedmachtiging per zittingsdatum werd beëindigd en het verzoek tot reguliere machtiging werd afgewezen.
De rechtbank benadrukte dat gesloten jeugdhulp een zeer ingrijpende maatregel is die met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden ingezet en dat aan de wettelijke vereisten strikt moet worden voldaan. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak.