In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige, ingediend door de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers. De kinderrechter had eerder op 20 oktober 2025 een spoedmachtiging verleend voor de duur van vier weken, maar de behandeling van het verzoek om een reguliere machtiging was aangehouden tot 30 oktober 2025. Tijdens de zitting bleek dat de minderjarige, hoewel opgeroepen, niet aanwezig was, maar wel via videobellen gehoord wilde worden. De vader van de minderjarige was ook aanwezig en steunde de hulpverlening.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader het ouderlijk gezag heeft en dat de minderjarige eerder onder toezicht was gesteld. De GI handhaafde haar verzoek om gesloten jeugdhulp, maar de advocaat van de minderjarige betwistte dit, omdat er geen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper was overgelegd. De gedragswetenschapper had verklaard dat onderzoek feitelijk onmogelijk was, maar de kinderrechter oordeelde dat dit niet het geval was, aangezien de GI had kunnen weten waar de minderjarige zich bevond.
Uiteindelijk heeft de kinderrechter besloten de spoedmachtiging te beëindigen en het verzoek om een reguliere machtiging voor zes maanden af te wijzen. De kinderrechter benadrukte dat een spoedverzoek voor gesloten plaatsing een ingrijpende maatregel is die met de grootste zorgvuldigheid moet worden behandeld. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is hoger beroep mogelijk tegen deze beschikking.