ECLI:NL:RBNHO:2025:13241

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/15/356435 / FA RK 24-4482
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing met minderjarige en vaststelling zorgregeling

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 6 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een vrouw en een man over de vervangende toestemming voor verhuizing met hun minderjarige kind. De vrouw verzocht om toestemming om met het kind naar [plaats] te verhuizen, terwijl de man zich hiertegen verzette. De rechtbank oordeelde dat het belang van de vrouw om te verhuizen niet opwoog tegen het belang van de man en het kind op ongestoord contact en het opbouwen van een gehechtheidsrelatie. De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de man zal zijn. Daarnaast werd een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind in een afwisselend schema bij beide ouders verblijft. De rechtbank benadrukte het belang van een goede communicatie tussen de ouders en adviseerde hen om hulpverlening te zoeken ter verbetering van hun onderlinge verstandhouding. Tevens werd een kinderbijdrage van € 339,00 per maand vastgesteld, die de man aan de vrouw moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
verhuizing / hoofdverblijfplaats / zorgregeling / informatie- en consultatieregeling / kinderbijdrage
zaak-/rekestnr.: C/15/356435 / FA RK 24-4482
Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 6 oktober 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.E. Tiebie, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
tegen
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. B. Anik, kantoorhoudende te Arnhem.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 28 augustus 2024;
- het bericht van de advocaat van de vrouw, ontvangen op 5 september 2024;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, van de man, ontvangen op
30 oktober 2024;
- het verweerschrift tevens wijziging van de verzoeken van de vrouw, ontvangen op
3 september 2025;
- het bericht van de advocaat van de vrouw, ontvangen op 8 september 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. H.I. Park, waarnemend voor mr. E.E. Tiebie en de man bijgestaan door mr. B. Anik. Namens de Raad is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] .

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond vanaf begin 2022 tot 3 mei 2024.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
De man heeft [de minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
Bij vonnis van deze rechtbank, locatie Haarlem, van 14 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de vrouw bevolen om uiterlijk binnen één week na betekening van het vonnis met [de minderjarige] terug te verhuizen naar [plaats] op straffe van een dwangsom van
€ 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij daaraan niet voldoet tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Daarnaast is bij dat vonnis een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaald, inhoudende dat de man de eerste drie maanden drie maal per week gedurende maximaal drie uur per keer in de woning van de vrouw omgang met [de minderjarige] heeft, waarbij hij alle zorgtaken alleen uitvoert en de vrouw zich op de achtergrond houdt, en dat de daaropvolgende maanden [de minderjarige] in ieder geval twee dagdelen per week (gedurende elke keer minimaal vier uren) waarvan één in het weekend bij de man verblijft en de man nog één keer per week gedurende drie uur in de woning van de vrouw komt om omgang met [de minderjarige] te hebben zoals hiervoor genoemd.
2.4.
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 22 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de werking van voornoemd vonnis geschorst voor zover daarin is bepaald - onder oplegging van een dwangsom - dat de vrouw met [de minderjarige] dient terug te verhuizen naar [plaats] , tot uiterlijk vrijdag 30 augustus 2024 tot 16.00 uur zodat de vrouw na betekening van het bestreden vonnis niet een week maar twee weken de tijd had om terug te keren naar [plaats] met [de minderjarige] , en is de in het vonnis vastgestelde zorgregeling geschorst, eveneens tot uiterlijk vrijdag 30 augustus 2024 tot 16.00 uur.
2.5.
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 23 december 2024 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot onmiddellijke opheffing van de door haar verbeurde dwangsommen, alsmede haar vordering de man te verbieden verdere executoriale (beslag)maatregelen te (doen) treffen op grond van het vonnis van 14 augustus 2024, afgewezen en is de vrouw veroordeeld in de proceskosten.
2.6.
De vrouw is in hoger beroep gekomen van het vonnis van deze rechtbank van
14 augustus 2024. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024 is het vonnis van 14 augustus 2024 vernietigd en is in zoverre opnieuw rechtgedaan dat het hof de vordering van de man om de vrouw te bevelen met [de minderjarige] terug te verhuizen naar [plaats] onder verbeurte van een dwangsom, heeft afgewezen. Voorts heeft het hof, totdat de rechtbank in de bodemprocedure over de zorgregeling heeft beslist, de volgende zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] bepaald:
- de eerste zes weken na dit arrest heeft de man tweemaal per week omgang met [de minderjarige] , waarvan eenmaal zes uur in het weekend in de woning van de man en eenmaal drie uur op een doordeweekse dag in de woning van de man, waarbij de vrouw [de minderjarige] brengt en weer ophaalt;
- na zes weken heeft de man de ene week in het weekend één dag van 10:00 uur tot 16:00 uur omgang met [de minderjarige] in zijn woning en het andere weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige] zal brengen en halen.
2.7.
Bij beschikking van deze rechtbank, locatie Alkmaar, van 17 juni 2025 is het verzoek van de man op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) tot terug verhuizing en het vaststellen van een zorgregeling afgewezen omdat de man -kort gezegd- onderhavige bodemprocedure dient af te wachten. De rechtbank heeft in de beschikking een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zomervakantie 2025 vastgesteld.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw heeft na wijziging verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [plaats] te verhuizen;
II. te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
III. een zorgregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de man waarbij [de minderjarige] drie van de vier weekenden van vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man verblijft, althans een door de rechtbank te bepalen zorgregeling;
IV. te bepalen dat [de minderjarige] op Moederdag bij de vrouw verblijft en op Vaderdag bij de man verblijft en te bepalen dat de zomervakantie niet langer dan twee aaneengesloten weken betreft;
V. te bepalen dat de man met ingang van de datum indiening van het (inleidend) verzoekschrift een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) van € 479,00 per maand aan de vrouw zal voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen kinderbijdrage.
3.2.
De vrouw heeft aan haar verzoek -kort samengevat- het volgende ten grondslag gelegd. De vrouw is verhuisd naar [plaats] toen partijen besloten met elkaar samen te wonen. De vrouw was niet gelukkig in [plaats] en heeft er geen geheim van gemaakt dat zij terug wilde naar [plaats] . De vrouw is in [plaats] opgegroeid en haar familie en vrienden wonen in [plaats] . De vrouw raakte zwanger op basis van een kinderwens waar de man mee instemde. De vrouw is teleurgesteld in de betrokkenheid van de man bij de zwangerschap en geboorte. Kort na de geboorte van [de minderjarige] heeft de vrouw de relatie met de man beëindigd. De vrouw heeft haar verhuizing met de man besproken. Inmiddels heeft de vrouw een woning toegewezen gekregen waar zij met [de minderjarige] woont.

4.Verweer en zelfstandig verzoeken

4.1.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De man is van mening dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. De man heeft de rechtbank na wijziging bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft indien de rechtbank dat in het belang van [de minderjarige] acht. Daarnaast heeft de man verzocht een zorgregeling, een vakantie- en feestdagenregeling en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen zoals verzocht in zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
4.2.
De man stelt dat partijen met elkaar samenwoonden in zijn woning in [plaats] en dat zij daar een gezinsleven wilden opbouwen. De man was blij toen de vrouw in verwachting raakte en hij verheugde zich op de komst van [de minderjarige] en het aanstaande vaderschap. De vrouw is echter vlak na de geboorte van [de minderjarige] , op [datum] , zonder overleg en zonder de toestemming van de man plotseling vertrokken naar haar familie in [plaats] . Een (definitieve) verhuizing van [de minderjarige] naar [plaats] zou tot gevolg hebben dat de man [de minderjarige] veel minder zou zien dan wanneer [de minderjarige] in [plaats] woont.

5.De visie van de Raad

5.1.
De Raad heeft ter zitting aangegeven dat er tussen de man en de vrouw een patstelling is ontstaan waardoor [de minderjarige] klem zit in het conflict van haar ouders. Door de afstand die is ontstaan tussen de ouders, wordt [de minderjarige] niet in staat gesteld om een gehechtheidsrelatie met haar beide ouders op te bouwen. Die basis wordt in de eerste levensjaren van een kind gelegd. Een gezonde en veilige hechting is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] . De Raad adviseert de rechtbank daarom om een zorgregeling vast te stellen waarbij de zorg voor [de minderjarige] tussen de ouders gelijk wordt verdeeld. [de minderjarige] kan dan een sterke band opbouwen met haar beide ouders. Tot [de minderjarige] vier jaar is en naar de basisschool gaat acht de Raad dit het meest in haar belang. De Raad adviseert de ouders om de komende tijd te benutten om hulpverlening aan te gaan in de hoop dat partijen in de toekomst met elkaar afspraken kunnen gaan maken.

6.De beoordeling

bevoegdheid
6.1.
Op grond van artikel 265 Rv is de rechtbank van de woonplaats van de minderjarige bevoegd van de zaak kennis te nemen.
6.2.
Op grond van artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Bij gezamenlijk gezag volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het werkelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
6.3.
Nu de woonplaats van de ouder bij wie [de minderjarige] feitelijk verblijft in dit geval [plaats] is, is deze rechtbank bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
stukken buiten beschouwing
6.4.
De advocaat van de man heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de door de advocaat van de vrouw op 8 september 2025 ingediende stukken ten aanzien van de kinderbijdrage. Deze stukken zijn na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn en daarom in strijd met de goede procesorde ingediend.
6.5.
De rechtbank heeft bepaald dat, hoewel de stukken te laat zijn ingediend, deze toch meegenomen worden bij de beoordeling. De stukken zijn eenvoudig te doorgronden, waardoor de man niet zodanig in zijn procespositie is geschaad, dat de stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten.
vervangende toestemming verhuizing
6.6.
De ouders hebben gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . Dit brengt mee dat de vrouw voor het verhuizen met [de minderjarige] naar [plaats] toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil worden voorgelegd aan de rechter op de voet van artikel 1:253a van het BW.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, is gebleken dat de standpunten van partijen haaks op elkaar staan en dat zij niet tot een vergelijk hebben kunnen komen.
6.7.
Bij de beoordeling van een verzoek vervangende toestemming tot verhuizing zijn volgens vaste jurisprudentie de volgende factoren van belang, waarbij de belangen van [de minderjarige] een wezenlijke, maar niet alles bepalende rol spelen:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing.
6.8.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat partijen bewust in [plaats] zijn gaan wonen en voornemens waren om in [plaats] een gezinsleven op te bouwen. Partijen hadden een gezamenlijke kinderwens en de vrouw is zwanger geworden. De vrouw is twee weken na de geboorte van [de minderjarige] vanuit [plaats] vertrokken naar haar familie in [plaats] . Als gevolg van deze keuze is de vrouw sindsdien de hoofdopvoeder van [de minderjarige] . De vrouw voelde zich niet thuis in [plaats] en wil met [de minderjarige] in [plaats] blijven. [plaats] is de stad waar zij is opgegroeid, waar zij werkt en waar haar sociale netwerk zich bevindt. Inmiddels heeft de vrouw een sociale huurwoning toegewezen gekregen in [plaats] waar zij met [de minderjarige] verblijft. Dat de man zijn toestemming aan de vrouw heeft verleend om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats] , zoals de vrouw stelt, is de rechtbank niet gebleken.
6.9.
De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om haar leven in [plaats] in te richten en het belang dat zij daarbij heeft. Bij de beslissing op het onderhavige verzoek dienen daartegenover de belangen van [de minderjarige] en de man te worden afgewogen.
De noodzaak tot verhuizing naar [plaats] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Weliswaar betekent een relatiebreuk tussen partijen dat er een noodzaak was om een andere woning te zoeken, maar de vrouw heeft geen enkele poging ondernomen om in de buurt van [plaats] iets te vinden. De keuze om een gezin te stichten in [plaats] en van daaruit haar leven vorm te geven staat voorts in contrast tot de stellingen van de vrouw dat zij slechts in de buurt van [plaats] kan wonen vanwege netwerk en werk. Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een verhuizing die zorgvuldig is voorbereid en doordacht, door het plotselinge vertrek van de vrouw met [de minderjarige] naar [plaats] , slechts twee weken na de geboorte van [de minderjarige] .
6.10.
Een verhuizing naar [plaats] van de vrouw met [de minderjarige] zou verder kunnen betekenen dat het contact tussen de man en [de minderjarige] beperkt blijft. Dit geldt in ieder geval vanaf het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool zal gaan. De mogelijkheden tot contact worden dan beperkt tot de weekenden en de vakanties. Tot op heden is het contact tussen de man en [de minderjarige] ook beperkt geweest. De omgang van de man met [de minderjarige] is na het arrest van het Hof enigszins opgebouwd en vindt nu de ene week op zondag van 10.00 tot 16.00 uur plaats en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur. De man heeft erkend dat de rolverdeling ten aanzien van de zorg over [de minderjarige] als partijen samen waren gebleven vrij traditioneel zou zijn geweest. Nu partijen uit elkaar zijn wenst de man echter een substantieel deel van de zorg te dragen. Hij kan dat ook in samenspraak met zijn werkgever invullen, door parttime te gaan werken. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Mede gelet op het ter zitting gegeven advies van de Raad acht de rechtbank een beperkt contact met de man niet in het belang van [de minderjarige] . De angst van de man dat zijn vaderrol door de verhuizing zal worden uitgehold, acht de rechtbank reëel. Het belang van de man en [de minderjarige] op een evenwichtige zorgregeling wordt hierdoor ernstig geschaad. De vrouw heeft geen alternatieven of maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizing op dit punt te verzachten, behoudens het ter zitting gewijzigde verzoek van een weekendregeling per 14 dagen naar een weekendregeling van drie per vier weken.
6.11.
Gelet op genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw om met [de minderjarige] naar [plaats] te verhuizen minder zwaar weegt dan het belang van de man en [de minderjarige] op ongestoord contact met elkaar en daardoor het opbouwen van een stevige gehechtheidsrelatie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor de verhuizing met [de minderjarige] naar [plaats] afwijzen.
hoofdverblijfplaats
6.12.
Nu het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de verhuizing met [de minderjarige] naar [plaats] wordt afgewezen, zal haar verzoek om te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, eveneens worden afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] onbepaald te laten, nu het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken de woonplaats [plaats] is. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] zal daarom bij de man worden bepaald.
zorgregeling
6.13.
De ouders hebben allebei hun zienswijze ten aanzien van de zorgregeling naar voren gebracht. Beide ouders zijn het erover eens dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij contact heeft met haar beide ouders. De vrouw wenst een weekendregeling van drie weekenden per vier weken en de man wenst co-ouderschap.
6.14.
De rechtbank zal geen toestemming verlenen voor de verhuizing van [de minderjarige] . Dat betekent dat zij niet in [plaats] kan worden ingeschreven. De rechtbank is in navolging van het advies dat de Raad ter zitting heeft gegeven en gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat een gelijke verdeling van de zorg in het belang is van [de minderjarige] . De rechtbank kan niet voorspellen of de vrouw zelf ook zal terugverhuizen naar de regio [regio] . Omdat [de minderjarige] pas in [jaar] vier jaar wordt, is zij echter tot die tijd op doordeweekse dagen niet gebonden aan [plaats] . Ook als de vrouw niet terugverhuist kan de zorg voor [de minderjarige] derhalve voorlopig worden gedeeld. De rechtbank zal daarom bepalen dat [de minderjarige] in de ene week van maandag tot en met woensdag bij de man verblijft en van donderdag tot en met zondag bij de vrouw verblijft. In de andere week verblijft [de minderjarige] op maandag en dinsdag bij de man, op woensdag tot en met en vrijdag bij de vrouw en op zaterdag en zondag weer bij de man. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het halen en brengen zullen delen.
6.15.
Met deze zorgregeling verblijft [de minderjarige] niet te lang aaneengesloten bij een ouder. Daarnaast verblijft [de minderjarige] altijd op maandag en dinsdag bij de man en altijd op donderdag en vrijdag bij de vrouw, hetgeen structuur geeft en voor beide partijen praktisch is voor het regelen van opvang voor [de minderjarige] indien nodig. Het geeft de gelegenheid voor [de minderjarige] om ook met de man een stevige basis op te bouwen, zonder verlies van substantieel contact met de vrouw. Daarnaast kunnen partijen de tijd tot [de minderjarige] vier jaar wordt benutten om hun gezamenlijk ouderschap vorm te geven en zich te oriënteren op de schoolgaande fase.
vakantie- en feestdagenregeling
6.16.
De vrouw heeft ingestemd met de door de man verzochte vakantie- en feestdagenregeling. Zij wenst daaraan toe te voegen dat [de minderjarige] op Moederdag bij de vrouw verblijft en dat de zomervakantie niet langer dan twee aaneengesloten weken betreft. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd.
6.17.
De verzoeken van partijen ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling zullen worden toegewezen op de wijze als hieronder vermeld. Niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet. De rechtbank zal in aanvulling hierop bepalen dat [de minderjarige] de avond voor de verjaardag van de vrouw tot de volgende dag bij de vrouw verblijft.
informatie- en consultatieregeling
6.18.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw hem eens per maand per e-mail zal informeren over aangelegenheden met betrekking tot [de minderjarige] . De vrouw heeft hiermee ingestemd.
6.19.
De rechtbank zal dit verzoek niet toewijzen. Hiertoe is redengevend dat één en ander reeds voortvloeit uit de wet en voorts zullen partijen volgens de te nemen beslissing van de rechtbank ieder een gelijk deel van de zorg dragen en op de hoogte blijven van de ontwikkelingen van [de minderjarige] .
hulpverlening
6.20.
De rechtbank merkt op dat de gebeurtenissen in afgelopen periode de onderlinge verstandhouding en communicatie tussen partijen niet ten goede is gekomen. Partijen zullen nog vele jaren met elkaar moeten overleggen over zaken met betrekking tot [de minderjarige] en een goede manier van communiceren is daarvoor belangrijk. De rechtbank acht het dan ook van groot belang voor [de minderjarige] dat partijen gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie en aan het vormgeven van een toekomstig gezamenlijk ouderschap. Daar is hulpverlening voor nodig. De rechtbank adviseert de ouders zich te wenden tot het wijkteam van de gemeente [gemeente] om hulpverlening te krijgen ter verbetering van hun onderlinge communicatie, in de hoop dat partijen in staat zullen zijn om met elkaar afspraken te kunnen maken die in het belang zijn van [de minderjarige] . De rechtbank hoopt dat de vrouw zich de komende periode inspant om de samenwerking met de man aan te gaan en niet om verdere dossieropbouw te bewerkstelligen.
kinderbijdrage
6.21.
De rechtbank zal hierna de kinderbijdrage bespreken met inachtneming van de aanbevelingen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, het zogeheten en hierna te noemen: Tremarapport, versie 2025-II.
6.22.
De rechtbank heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
ingangsdatum
6.23.
De vrouw heeft verzocht de kinderbijdrage vast te stellen met ingang van de datum van haar verzoek daartoe. Omdat de man hiertegen geen verweer voert, bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van een eventuele kinderbijdrage op 28 augustus 2024.
behoefte
6.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] in 2024 € 880,00 per maand bedraagt. Naar 1 januari 2025 geïndexeerd bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 937,00 per maand. Deze behoefte neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
draagkracht van partijen
6.25.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte van [de minderjarige] te kunnen betalen.
6.26.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2025-II, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van
€ 1.310,00 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
6.27.
Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt
gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.
draagkracht man
6.28.
Partijen gaan aan de zijde van de man uit van een bruto maandsalaris van € 4.321,00, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld. De door de man te betalen premies bedragen:
€ 284,00 per maand pensioenpremie, € 17,00 per maand premie aanvullende pensioen en € 5,00 per maand premie arbeidsongeschiktheid. De man maakt voorts aanspraak op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 4.201,00 per jaar. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt zijn NBI € 3.924,00 per maand.
schulden
6.29.
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing op de volgende schulden:
- DUO € 100,00 per maand;
- CJIB € 94,00 per maand en
- Alpha Credit € 200,00 per maand.
6.30.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening met de aflossing van zijn schuld bij DUO, nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat met de aflossing van de schuld bij CJIB en Alpha Credit geen rekening moet worden gehouden omdat dit niet op [de minderjarige] mag worden afgewenteld, zal de rechtbank deze schulden in aanmerking nemen, aangezien het niet vermijdbare schulden betreft. De rechtbank zal daarom het draagkrachtloos inkomen van de man met voormelde last van totaal € 394,00 per maand verhogen.
6.31.
Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310 + 394] op € 730,00 per maand.
draagkracht vrouw
6.20.
Partijen gaan aan de zijde van de vrouw uit van een bruto salaris van € 428,00 per week, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedraagt haar NBI € 1.920,00 per maand.
6.21.
Op grond van de hiervoor vermelde draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht
€ 53,00 per maand.
draagkrachtvergelijking
6.32.
De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 783,00 per maand. Nu deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de totale behoefte van [de minderjarige] van € 937,00 per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien.
zorgkorting
6.33.
Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Nu partijen de zorg voor [de minderjarige] gelijk verdelen en beide de verblijfsoverstijgende kosten voor hun rekening dienen te nemen evenals de kosten van het halen en brengen, ziet de rechtbank aanleiding om een zorgregeling van 50% te hanteren.
Omdat de behoefte € 937,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van
€ 469,00 per maand. Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht
€ 783,00 per maand, zodat er een tekort is van € 154,00 per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel € 77,00 per maand.
6.34.
Uitgaande van het tekort aan zorgkorting bedraagt de draagkracht van de man aldus:
[730 – (469 – 77)] = afgerond € 339,00 per maand.
conclusie
6.34.1.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een kinderbijdrage van € 339,00 per maand aan de vrouw moet betalen.
6.35.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van de draagkracht van partijen en de verdeling van de kosten van [de minderjarige] . Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
indexering
6.36.
De rechtbank wijst erop dat de hierna vast te stellen kinderbijdrage jaarlijks is onderworpen aan het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.
6.37.
De man heeft ter zitting aangegeven dat hij minder zal gaan werken om voor [de minderjarige] te kunnen zorgen. Het inkomen van de man zal dalen en dat zal gevolgen hebben voor de kinderbijdrage. De door de man opgevoerde schulden zullen ook op den duur worden afgelost. Partijen kunnen te zijner tijd in onderling overleg een herberekening maken van de kinderbijdrage, gebaseerd op de nieuwe situatie.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
wijst af het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen met de minderjarige
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] naar [plaats] te verhuizen;
7.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn;
7.3.
stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast: [de minderjarige] verblijft in de ene week van maandag tot en met woensdag bij de man en van donderdag tot en met zondag bij de vrouw. In de andere week verblijft [de minderjarige] op maandag en dinsdag bij de man, op woensdag tot en met vrijdag bij de vrouw en op zaterdag en zondag weer bij de man,
waarbij partijen het halen en brengen delen;
7.4.
stelt de volgende vakantie- en feestdagenregeling als volgt vast:
- zomervakantie: de man heeft in de even jaren de keuze en de vrouw in de oneven jaren. De ouders dienen de keuze jaarlijks in de maand februari aan elkaar bekend te maken. [de minderjarige] verblijft niet langer dan een aaneengesloten periode van twee weken bij iedere ouder;
- kerstavond en eerste kerstdag: [de minderjarige] is in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- tweede paasdag of tweede pinksterdag indien [de minderjarige] het voorafgaande weekend bij de man is;
- Hemelvaartsdag en de vrijdag daarna indien [de minderjarige] het opvolgende weekend bij de man is;
- oud en nieuw: [de minderjarige] is in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- herfstvakantie: [de minderjarige] is in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- voorjaarsvakantie: [de minderjarige] is in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- meivakantie: [de minderjarige] is de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
- verjaardag [de minderjarige] : [de minderjarige] is in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- verjaardag [de minderjarige] : in de oneven jaren zal [de minderjarige] de verjaardag bij haar man vieren en in de even jaren bij haar vrouw;
- verjaardag man: [de minderjarige] zal de avond voor de verjaardag bij de man zijn tot de volgende dag;
- verjaardag vrouw: [de minderjarige] zal de avond voor de verjaardag bij de vrouw zijn tot de volgende dag;
- Vaderdag: [de minderjarige] zal de avond voor Vaderdag bij de man zijn tot de volgende dag;
- Moederdag: [de minderjarige] zal de avond voor Moederdag bij de vrouw zijn tot de volgende dag;
7.5.
bepaalt dat de man € 339,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , met ingang van 28 augustus 2024, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
7.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter, en mr. S.W.S. Kilic en mr. M. Flipse, leden van deze kamer, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Udo de Haes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.