Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:13264

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
11696321
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant factuur na overdracht cafetaria toegewezen

Eiseres heeft haar cafetaria verkocht aan gedaagde voor €55.000, inclusief een regeling voor de overname van voorraden ter waarde van €13.359,04. Partijen spraken een betalingsregeling af waarbij gedaagde het bedrag in vijf maanden zou voldoen, maar hij stopte met betalen in mei 2024 met nog €3.487,83 openstaand.

Gedaagde is niet op de zitting verschenen en heeft zijn verweer onvoldoende toegelicht of gemotiveerd. De kantonrechter acht daarom het standpunt van eiseres juist, mede gelet op de gemaakte betalingsregeling en de reeds verrichte betalingen.

De vordering tot betaling van het openstaande bedrag wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf 24 april 2025. Tevens wordt een bedrag van €473,80 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, omdat eiseres aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €829,71 en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.487,83, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11696321 \ CV EXPL 25-1793 (PA)
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1] ,
M.H.O.D.N. [bedrijf 2],
te Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2025
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 2 juli 2025
- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is in persoon verschenen. [gedaagde] is, zonder bericht, niet op de zitting verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verkoopt haar onderneming, een cafetaria, aan [gedaagde] . Partijen komen een koopprijs van € 55.000,00 overeen en de overdracht vindt plaats op 1 november 2023. [gedaagde] betaalt de koopprijs.
2.2.
In de koopovereenkomst staat verder het volgende:

6. De courante voorraden worden geacht niet tot de Onderneming te behoren en zullen door koper op de Overdrachtsdatum worden overgenomen van verkoper tegen de laatste inkoopprijzen van verkoper. Verkoper minimaliseert de komende weken haar voorraad.
2.3.
[eiser] telt op 6 november 2023 de voorraden. De waarde van de voorraden bedraagt € 13.359,04. [eiser] deelt dit mee aan [gedaagde] .
2.4.
Partijen komen een betalingsregeling overeen. [gedaagde] zal het bedrag van € 13.359,04 in vijf maanden betalen. De eerste betaling door [gedaagde] vindt plaats in januari 2024. In mei 2024 stopt [gedaagde] met betalen; er staat dan een bedrag van € 3.487,83 open.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.487,83, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van € 3.487,83 aan [eiser] .
4.2.
[gedaagde] is niet op de zitting verschenen. [gedaagde] heeft dus geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden of inlichtingen kunnen geven. Ook heeft hij de nadere toelichting van [eiser] niet weersproken. Dat komt voor rekening en risico van [gedaagde] .
Het gevolg daarvan is dat moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zijn verweer onvoldoende heeft toegelicht en gemotiveerd. Dat betekent dat het standpunt van [eiser] voor juist wordt gehouden. De kantonrechter weegt daarbij mee dat partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen en [gedaagde] een aantal betalingen heeft verricht.
4.3.
De stelling van [gedaagde] dat hij niet hoeft te betalen omdat er niets is afgesproken, kan niet worden gevolgd, omdat die stelling niet is onderbouwd en gemotiveerd. Bovendien volgt de afspraak uit de koopovereenkomst. Verder heeft [eiser] op de zitting gemotiveerd toegelicht hoe zij de voorraden heeft geteld, dat zij haar bevindingen heeft gedeeld met [gedaagde] en dat [gedaagde] nooit heeft geprotesteerd, hetgeen ook blijkt uit de door haar en [gedaagde] gemaakte betalingsregeling.
4.4.
De vordering van [eiser] tot betaling van het bedrag van € 3.487,83 wordt daarom toegewezen. Omdat [gedaagde] te laat is met betalen, moet hij ook de wettelijke rente betalen. De wettelijke rente zal als na te melden worden toegewezen.
4.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 473,80 worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
- reis-verblijf- en verletkosten
238,00
50,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
829,71

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.487,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 473,80 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 829,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.