De rechtbank Noord-Holland heeft op 11 november 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van de invoer van 2,9 kilo cocaïne op 29 maart 2025 via Schiphol. De verdachte en haar echtgenoot droegen zwemvesten met daarin cocaïne. De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er cocaïne in het zwemvest zat, waarmee sprake was van voorwaardelijk opzet.
De verdediging voerde aan dat het opzet niet bewezen kon worden, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van de omstandigheden, waaronder het feit dat de verdachte pas kort van tevoren op de reis was voorbereid, de ongewone wijze van het dragen van het zwemvest en de algemene bekendheid van cocaïnesmokkel uit Suriname. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met anderen de cocaïne het land binnenbracht.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een mogelijk beperkt intellectueel niveau, afhankelijkheid van haar echtgenoot en angst vanwege een verleden van huiselijk geweld. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 20 maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van andere tenlasteleggingen en verklaarde haar strafbaar voor het bewezen verklaarde feit. De uitspraak werd gewezen door drie rechters onder voorzitterschap van mr. C.H. de Jonge van Ellemeet.