De verhuurder verhuurt sinds 2018 een woonruimte aan de eerste verdieping van een winkelpand met een platje dat grenst aan het gehuurde. De huurder heeft het platje ingericht met een lounge set, planten en een afsluitbare poortdeur geplaatst. De verhuurder vordert in kort geding dat de huurder het platje ontruimt en de poortdeur verwijdert, stellende dat het platje niet tot het gehuurde behoort en dat het gebruik inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht.
De huurder betwist het spoedeisend belang en stelt dat het platje sinds 2018 op deze wijze wordt gebruikt zonder dat er sprake is van schade of hinder voor derden. De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat de verhuurder onvoldoende heeft onderbouwd waarom er nu wel sprake zou zijn van schade of belemmering. Ook is niet aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen, omdat nader bewijs nodig is over de vraag of het platje tot het gehuurde behoort.
De kantonrechter wijst de vordering af en veroordeelt de verhuurder in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is gewezen door mr. S.N. Schipper op 20 november 2025.