ECLI:NL:RBNHO:2025:13329

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
23-4194
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 2:14 AwbArt. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar last onder dwangsom wegens te late indiening vernietigd

Eiser ontving een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer wegens het huisvesten van arbeidsmigranten op een recreatiewoning, wat niet is toegestaan. De last onder dwangsom en daaropvolgende besluiten werden aangetekend verzonden, maar retour gezonden aan het college omdat eiser deze niet had afgehaald. Eiser maakte bezwaar tegen de last onder dwangsom en tegen de invordering van de dwangsom, maar het college verklaarde het bezwaar tegen de last onder dwangsom niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Eiser betwistte de ontvangst van het besluit en stelde dat hij geen afhaalbericht van PostNL had ontvangen. Hij onderbouwde dit met bewijsstukken, waaronder correspondentie met PostNL en een notariële verklaring. De rechtbank oordeelde dat er redelijkerwijs twijfel bestaat of een afhaalbericht is achtergelaten, mede gelet op fouten in de postbezorging in de buurt van eiser. Hierdoor werd de overschrijding van de bezwaartermijn als verschoonbaar beschouwd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept de besluiten tot invordering en afwijzing van uitstel van betaling, omdat deze besluiten voortbouwen op de last onder dwangsom die nog niet in rechte vaststaat. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de last onder dwangsom. Daarnaast moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet het bezwaar alsnog inhoudelijk behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4194

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. L.T. van Eijck van Heslinga),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer

(gemachtigde: mr. P.H.J. de Jonge).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser gericht tegen een aan hem opgelegde last onder dwangsom. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vraag. Heeft het college het bezwaar tegen de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk verklaard? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 14 april 2022 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
2.1.
Bij besluit van 28 november 2022 is aan eiser medegedeeld dat hij de dwangsom heeft verbeurd. De verbeurde dwangsom wordt van eiser ingevorderd.
2.2.
Bij besluit van 19 december 2022 is het verzoek van eiser om uitstel van betaling afgewezen.
2.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
2.4.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2023 op het bezwaar van eiser tegen de invordering en weigering van uitstel van betaling is het college bij deze besluiten gebleven. Het college heeft bij dit bestreden besluit ook het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom en de verbeuring daarvan niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Gedurende de beroepsfase heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 4 oktober 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en eiser uitstel van betaling tot één maand na de datum van de onderhavige uitspraak verleend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is sinds 17 september 2018 eigenaar van de recreatiewoning [perceel] in [plaats 2] (hierna: het perceel). De toezichthouders hebben daar meerdere keren gecontroleerd. In het controlerapport staat dat arbeidsmigranten op het perceel worden gehuisvest. Omdat dit niet is toegestaan heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
3.1.
De vooraankondiging van die last onder dwangsom was op 28 januari 2022 per aangetekende post naar eiser toegezonden. De brief is op 14 februari 2022 vanuit PostNL retour gezonden aan het college.
3.2.
Eiser heeft op 21 december 2022 zijn zienswijze kenbaar gemaakt tegen de vooraankondiging van de last onder dwangsom.
3.3.
Op 14 april 2022 heeft het college per aangetekende post de last onder dwangsom naar eiser toegezonden. Het college gelast eiser om binnen zes weken na dagtekening van het besluit het (laten) gebruiken van het perceel ten behoeve van niet-recreatieve bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. De hoogte van de dwangsom heeft het college vastgesteld op een bedrag van € 25.000,- ineens. Het besluit was geadresseerd aan eiser en naar zijn woonadres, [adres] in [plaats 1] , verstuurd. Het besluit is op 2 mei 2022 vanuit PostNL geretourneerd aan het college.
3.4.
Eiser heeft op 7 december 2022, aangevuld op 21 december 2022, bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en het college verzocht om uitstel van betaling.
3.5.
Na afloop van de begunstigingstermijn heeft het college onderzocht en middels een toezichthouder gecontroleerd of aan de last is voldaan. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 24 augustus 2022 bij brief aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn de dwangsom in te vorderen. De brief is op 10 september 2022 vanuit PostNL geretourneerd aan het college.
3.6.
Eiser heeft op 21 december 2022 zijn zienswijze kenbaar gemaakt inzake het voornemen van het college.
3.7.
Met besluit van 28 november 2022 is het college overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsom van €25.000,-. Eiser heeft hiertegen op 8 januari 2023 bezwaar gemaakt.
3.8.
Bij besluit van 19 december 2022 heeft het college het verzoek van eiser om uitstel van betaling afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 27 januari 2023 bezwaar gemaakt.
3.9.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2023 heeft het college het bezwaar tegen de last onder dwangsom niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de verbeuring van de dwangsom niet-ontvankelijk verklaard en het invorderingsbesluit en het besluit inzake de afwijzing van uitstel van betaling in stand gelaten.
Heeft het college het bezwaar tegen de last onder dwangsom terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiser betoogt dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Het staat vast dat hij het besluit niet heeft ontvangen. Het is namelijk retour gezonden aan het college. Hij betwist dat een afhaalbericht is achtergelaten. Pas toen hij het invorderingsbesluit ontving, werd het hem duidelijk dat eerder brieven naar hem zijn gestuurd. Eiser werd pas op 8 december 2022 bekend met de inhoud van die brieven. Op zitting heeft eiser toegelicht dat uit de kennisgevingscode en zakelijke track & trace niet blijkt dat het afhaalbericht op zijn adres is achtergelaten. Ter ondersteuning verwijst hij ook naar correspondentie met PostNL-medewerkers en de bijbehorende notariële verklaring met transcript van een telefoongesprek. De aangetekende postbehandeling gaat in toenemende mate niet op de juiste voorgeschreven wijze. Dit volgt uit een onderzoek van Radar van 6 maart 2023. Daarbij gaat het bij eiser en zijn buren ook regelmatig verkeerd met de postbezorging. Zo worden pakketten regelmatig ‘gedropt’ in het gezamenlijke trappenhuis en ten onrechte ingeboekt in het systeem als bezorgd op het juiste adres. Daarnaast zetten postbezorgers zelf een handtekening voor ontvangst bij aangetekende post die voor eiser bestemd is. Nadat eiser kennis had genomen van het besluit heeft hij binnen korte termijn daartegen bezwaar gemaakt. Om deze redenen is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Het college ziet in het aangevoerde geen reden te betwijfelen dat een afhaalbericht op het adres van eiser is achtergelaten. Van de bezorging van de last onder dwangsom is een verzendbewijs, zakelijke track & trace en kennisgevingscode. Uit een e-mail van de accountmanager van PostNL blijkt ook dat een afhaalbericht is achtergelaten. Op zitting heeft het college toegelicht dat het tijdstip op de zakelijke track & trace en kennisgevingscode uit de e-mail van de accountmanager overeenkomen. Volgens het college bevestigt het vorenstaande dat een afhaalbericht is achtergelaten. Eiser heeft bewust nagelaten de aangetekende post in ontvangst te nemen of af te halen. Dit komt voor zijn risico.
4.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat indien eiser de ontvangst van een aangetekend verzonden besluit ontkent, onderzocht moet worden of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van eiser is aangeboden. Wanneer PostNL niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen daarvan voor rekening en risico van eiser. Stelt eiser geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. [1]
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat eiser het besluit (en vooraankondigingen) niet heeft afgehaald bij PostNL. De brieven zijn namelijk retour gezonden aan het college. Eiser betwist dat een afhaalbericht is achtergelaten en heeft de in rechtsoverweging 4 genoemde bewijsstukken overgelegd. Volgens het college bevestigt het overzicht met de kennisgevingscode dat een afhaalbericht is achtergelaten op het adres van eiser. De rechtbank volgt dit niet, gelet op het adres dat daarop is vermeld. Eiser merkte op zitting terecht op dat het vermelde adres niet zijn woonadres is. Dat wat het college verder heeft overgelegd overtuigt niet, want uit geen van de stukken blijkt dat een afhaalbericht is achtergelaten op het adres van eiser. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat eiser met feiten aannemelijk heeft gemaakt dat er redelijkerwijs over kan worden betwijfeld dat er een afhaalbericht is achtergelaten.
4.4.
Nu deze beroepsgrond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden tegen het bestreden besluit. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het college het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en het college alsnog inhoudelijk moet beslissen op het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat hieruit volgt dat de last onder dwangsom nog niet in rechte vaststaat, kan het invorderingsbesluit en het besluit tot afwijzing van eisers verzoek om uitstel van betaling – die voortbouwen op deze last – niet in stand blijven. Deze besluiten van respectievelijk 28 november 2022 en 19 december 2022 moeten daarom worden herroepen.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen op eisers bezwaar tegen de last onder dwangsom met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 mei 2023;
- herroept de besluiten van 28 november 2022 en 19 december 2022;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de last onder dwangsom met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 2:14
1Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
2Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht, niet uitsluitend elektronisch.
3Indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, geschiedt dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.
Artikel 3:40
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Artikel 3:41
1De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
2Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…)
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:585; Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987.
2.Afdeling van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:767, r.o. 9.