ECLI:NL:RBNHO:2025:13527

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/15/370586 / JU RK 25-1417
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 31 oktober 2025 een beschikking gegeven tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft momenteel in een netwerkpleeggezin vanwege een onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder, die onder invloed was van alcohol en cocaïne bij een recent incident. De minderjarige verblijft doordeweeks bij een klasgenootje en in het weekend bij de stiefvader, zodat contact met de zus behouden blijft.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht aanvankelijk om een machtiging voor zes maanden, maar wijzigde dit verzoek tot drie maanden met aanhouding van de resterende periode. De moeder en de stiefvader steunen het verzoek. De moeder toont positieve ontwikkelingen door behandeling en medicatie voor haar verslaving en ontvangt opvoedondersteuning. Ondanks deze vooruitgang is het volgens de kinderrechter nog te vroeg voor terugplaatsing van de minderjarige naar de moeder.

De kinderrechter stelt een toetsmoment in na drie maanden om de voortgang te evalueren. De machtiging wordt verleend met onmiddellijke ingang en is uitvoerbaar bij voorraad. De GI dient de kinderrechter en belanghebbenden tijdig te informeren over de stand van zaken. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor drie maanden met aanhouding van de resterende periode, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370586 / JU RK 25-1417
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N.H. Fridsma, kantoorhoudende te Heemskerk.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de stiefvader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 8 oktober 2025, ontvangen op 9 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft gelijktijdig met de behandeling van het verzoek inzake C/15/370573 / JU RK 25-1416 plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de stiefvader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzoekt voor de duur van drie maanden, met aanhouding van de overige drie maanden.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt – samengevat – onderbouwd. Op vrijdagavond 26 september 2025 heeft [zus] , de zus van [de minderjarige] , 112 gebeld omdat de moeder onder invloed zou zijn van alcohol en cocaïne. Veilig Thuis heeft daarop besloten de kinderen tijdelijk onder te brengen bij de stiefvader, de vader van [zus] . [de minderjarige] verblijft van zondagavond tot vrijdagmiddag bij een klasgenootje en in het weekend bij de stiefvader, zodat de zussen elkaar blijven zien. De GI acht de moeder momenteel onvoldoende beschikbaar voor de kinderen en wil zichtbare verandering in de thuissituatie. Daarvoor is een veiligheidsplan opgesteld met voorwaarden.
3.3.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat er bij de moeder sprake is van een stijgende lijn. De GI werkt nu aan de opbouw van het contact tussen de moeder en de kinderen. De GI wil graag met het gewijzigde verzoek een toetsmoment inlassen, zodat over drie maanden kan worden gekeken hoe de situatie dan is.

4.De standpunten

4.1.
De moeder en de advocaat hebben ingestemd met het (gewijzigde) verzoek van de GI. Het gaat sinds een maand heel goed met de moeder. De moeder van het klasgenootje van [de minderjarige] is een goede vriendin van de moeder. De moeder heeft [de minderjarige] inmiddels al weer een paar keer gezien en wil graag verder werken aan de opbouw van het contact.
4.2.
De stiefvader heeft aangegeven achter het verzoek van de GI te staan. De stiefvader vindt het belangrijk dat [zus] en [de minderjarige] elkaar kunnen blijven zien maar hoopt wel afspraken te kunnen maken over de weekenden waarin [de minderjarige] bij hem verblijft omdat hij ook wat tijd alleen met zijn dochter [zus] wil doorbrengen wanneer hij in de weekenden vrij is van werk. Hij staat overal voor open, ook voor hulpverlening. Het contact met de moeder van het klasgenootje waar [de minderjarige] verblijft is goed.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Mede vanwege de onveilige en instabiele thuissituatie waarin [de minderjarige] is opgegroeid en de persoonlijke problematiek van de moeder, waardoor zij niet altijd beschikbaar is geweest voor haar kinderen, is [de minderjarige] op 12 september 2025 onder toezicht gesteld van de GI. Recent heeft een incident plaatsgevonden waarbij [zus] , de zus van [de minderjarige] , op 26 september 2025 de politie heeft gebeld omdat zij zich niet veilig voelde thuis. De moeder was op dat moment onder invloed van alcohol en cocaïne. [de minderjarige] is toen met toestemming van de moeder geplaatst bij een klasgenootje, waar zij doordeweeks verblijft. In het weekend is zij bij de stiefvader waar [zus] ook verblijft. Het gaat naar omstandigheden goed met [de minderjarige] bij het klasgenootje. Zij heeft het daar naar haar zin maar heeft ook aangegeven graag weer terug naar de moeder te willen, aldus de GI en de moeder.
5.3.
Ter zitting is het duidelijk geworden dat het inmiddels beter gaat met de moeder. Zij ontvangt opvoedondersteuning vanuit SAFE en behandeling en medicatie voor haar alcoholverslaving vanuit de Brijder. De moeder stelt zich open voor de hulpverlening en er is een positieve verandering zichtbaar. Deze verandering is echter op dit moment nog te pril voor een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Daarnaast moet eerst nog gewerkt worden aan contactopbouw tussen [de minderjarige] en de moeder. De moeder heeft [de minderjarige] recent zelf opgehaald van school en [de minderjarige] is al een keer thuis bij de moeder geweest. De komende periode is het van belang dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] uitgebreid wordt zodat gewerkt kan worden aan de thuisplaatsing van [de minderjarige] .
5.4.
De komende periode kan [de minderjarige] doordeweeks bij het gezin van haar klasgenootje blijven en in het weekend bij de stiefvader, zodat zij contact kan houden met [zus] . De stiefvader heeft hierbij wel aangegeven dat het voor hem schakelen, en met momenten ook zwaar, is om opeens de zorg voor twee kinderen te dragen. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat hulpverlening bij de stiefvader wordt ingezet om hem hierbij te ondersteunen en dat nauw zicht wordt gehouden op de situatie en het welzijn van [de minderjarige] .
5.5.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is noodzakelijk omdat zij op dit moment nog niet bij de moeder kan wonen. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een toetsmoment nodig is zodat tussentijds gekeken kan worden of de moeder haar positieve ontwikkeling doorzet en zich aan de (veiligheids)afspraken houdt en hoe de hulpverlening van [de minderjarige] , de moeder en de stiefvader verloopt. De kinderrechter verleent daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden, met aanhouding van de resterende periode van drie maanden.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 31 oktober 2025 tot 31 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting
medio januari 2026, tegen welke zitting de moeder, mr. N.H. Fridsma, de stiefvader en de GI dienen te worden opgeroepen;
6.4.
bepaalt dat de GI de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk twee weken voor de zitting schriftelijk dient te informeren over de actuele stand van zaken.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.