ECLI:NL:RBNHO:2025:13563

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/15/367389 / FA RK 25-3529
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van een meerderjarig kind in het kader van een alimentatieprocedure

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van een meerderjarig kind. Het verzoek is ingediend door de verzoeker, die stelt dat de man, die inmiddels is overleden, zijn verwekker is. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat de man de verwekker is in het kader van een alimentatieprocedure, waarbij de man verplicht was een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. De verzoeker heeft zijn verzoek onderbouwd met feiten over zijn relatie met de man en de erkenning van het ouderschap op het geboortekaartje. De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de vereisten van het verwekkerschap is voldaan en heeft het verzoek toegewezen. De rechtbank heeft echter het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen, omdat de aard van de zaak zich daartegen verzet. De beschikking is openbaar uitgesproken en kan, voor zover definitief, worden aangevochten bij het gerechtshof te Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gerechtelijke vaststelling ouderschap van de man
zaak-/rekestnr.: C/15/367389 / FA RK 25-3529
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 november 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. A.W. Hoogland, kantoorhoudende te [plaats] ,
welke zaak betrekking heeft op:
[de man] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
overleden op [overlijdensdatum] te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de man,
in welke zaak belanghebbende is:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de moeder.

1.Procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van verzoeker, ingekomen op 20 juni 2025;
- de nadere stukken van de zijde van verzoeker, ingekomen op 15 juli 2025, 25 juli 2025, 1 augustus 2025 en 9 september 2025;
- de referteverklaring van de moeder, ingekomen op 14 november 2025.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
Verzoeker is op [geboortedatum] te [plaats] geboren als kind van [de moeder] , de moeder.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2008 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de (destijds) minderjarige verzoeker dient te betalen € 150,00 per maand met ingang van 1 september 2007.
2.3.
Uit het uittreksel van de basisregistratie personen van de gemeente [gemeente] blijkt dat de man op [overlijdensdatum] te [plaats] is overleden.

3.Behandeling en beoordeling van het verzoek

3.1.
Het verzoek strekt tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man als bedoeld in artikel 1:207 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verzoeker heeft daarbij verzocht om de beslissing, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Verzoeker stelt dat de man zijn verwekker is en dat hij er recht en belang bij heeft dat de rechtbank overgaat tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man. Verzoeker heeft daartoe gesteld dat hij is geboren uit een korte affectieve relatie tussen zijn moeder en de man. De man staat ook als vader op het geboortekaartje van verzoeker vermeld. Na zijn geboorte kwam de man af en toe langs om verzoeker te zien. Nadat de rechtbank ten laste van de man een aan de moeder te betalen kinderbijdrage voor verzoeker heeft vastgesteld, is het contact jarenlang verbroken geweest. In 2015 heeft verzoeker de man weer ontmoet en is er een hechte band ontstaan. Verzoeker ging om de twee weken een weekend bij de man logeren en de man ging mee naar voetbalwedstrijden van verzoeker. In 2018 is de man overleden. Verzoeker staat bij de andere kinderen van de man vermeld in de rouwadvertentie. Na zijn overlijden heeft verzoeker het goede contact met zijn oma, de moeder van de man, voortgezet. Dit contact is echter recent door de oma verbroken toen zij heeft vernomen dat verzoeker onderhavig verzoek ging indienen. Verzoeker acht het in zijn belang dat de onduidelijkheid over zijn afstamming wordt opgeheven en dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
3.3.
In artikel 1:207 lid 1 sub b BW is bepaald dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op grond dat deze de verwekker is van het kind of op grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van het kind.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat er op 4 juni 2008 door deze rechtbank een beschikking is gegeven waarbij ten laste van de man een aan de moeder ten behoeve van verzoeker te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. Deze beslissing is gegrond op artikel 1:394 van het Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is bepaald, voor zover hier van toepassing, dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder, verplicht is tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Uit deze beschikking blijkt dat bij de behandeling van de zaak destijds de moeder en de man ter zitting zijn verschenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op hetgeen de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 18 februari 2008 heeft verklaard, voldoende aannemelijk is geworden dat de man de verwekker is van verzoeker. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel ingesteld, waarmee deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan en aldus in rechte is komen vast te staan dat de man de verwekker is van verzoeker.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat aan het vereiste van het verwekkerschap als bedoeld in artikel 1:207 BW is voldaan. De rechtbank zal het verzoek van verzoeker om het ouderschap van de man met betrekking tot verzoeker vast te stellen dan ook toewijzen.
3.6.
Op grond van artikel 1:5 lid 7 BW heeft verzoeker ervoor gekozen zijn huidige geslachtsnaam,
[geslachtsnaam], te behouden.
3.7.
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen.

4.Beslissing:

De rechtbank:
4.1.
stelt vast het ouderschap van de heer
[de man], geboren op [geboortedatum] te [plaats] en overleden op [overlijdensdatum] te [plaats] , betreffende het kind:
-
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
4.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
4.3.
draagt de griffier - op grond van artikel 1: 20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.