Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Heemskerk, verzoekster
Samenvatting
Inleiding
Verzoekster heeft op 10 september 2025 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekster, voormalig schoonmaakmedewerker bij een VOF, werd op 3 september 2025 op staande voet ontslagen. Zij vroeg op 10 september 2025 een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze op 3 oktober 2025 omdat zij volgens het UWV verwijtbaar werkloos was geworden. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden van het ontslag en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het UWV baseerde zich vooral op een telefonisch gesprek met de ex-werkgever en een kort gesprek met verzoekster, zonder de gedragingen die tot het ontslag leidden nader te onderzoeken.
Gezien de financiële situatie van verzoekster, waaronder huurachterstand en zorg voor een opgroeiend kind, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende aanwezig. Daarom wordt het primaire besluit geschorst tot de beslissing op bezwaar en wordt het UWV verplicht voorschotten op de WW-uitkering toe te kennen vanaf 21 oktober 2025.
Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten van verzoekster vergoeden. De uitspraak bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet en het UWV moet het onderzoek in de bezwaarprocedure volledig uitvoeren.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt geschorst en verzoekster krijgt voorschotten op de WW-uitkering vanaf 21 oktober 2025.