ECLI:NL:RBNHO:2025:13609

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
C/15/369224 / KG ZA 25-566
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verkoop voormalig echtelijke woning wegens onduidelijkheid peildatum waarde

Partijen, ex-echtgenoten, zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning. In 2017 maakten zij afspraken over de verdeling van de woning en het perceel in India, waarbij de vrouw de hypotheeklasten zou dragen en de woning zou overnemen zodra zij financieel daartoe in staat was.

De man vordert in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde indien zij binnen drie maanden niet zelfstandig kan financieren, met ontslag van de man uit de hypotheekverplichtingen. De vrouw verzet zich tegen deze vordering en stelt dat onduidelijk is welke peildatum voor de woningwaarde geldt, wat essentieel is voor de financieringsvraag.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen van de man zich niet lenen voor kort geding vanwege de onduidelijkheid over de uitleg van de afspraken uit 2017 en de peildatum voor de woningwaarde. Hierdoor kan de vrouw niet onderzoeken of zij het aandeel van de man kan overnemen. De vorderingen worden afgewezen en partijen worden geadviseerd zich tot de bodemrechter te wenden voor verdere behandeling.

De vorderingen in voorwaardelijke reconventie van de vrouw worden niet behandeld wegens niet voldaan aan de voorwaarden. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: De vorderingen tot verkoop van de woning worden afgewezen vanwege onduidelijkheid over de peildatum van de woningwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/369224 / KG ZA 25-566
Vonnis in kort geding van 31 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Tromp,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.A.Th. Klaver.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2025, met producties 1-3;
- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van de vrouw tevens akte voorwaardelijk eis in reconventie;
- de aanhouding van de zaak tot 15 oktober 2025;
- het bericht van mr. Klaver dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en vonnis wordt gevraagd.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn twee dochters geboren, die inmiddels meerderjarig zijn.
2.2.
In 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In 2017 hebben partijen een procedure gevoerd bij het gerechtshof over - onder meer - de verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) en een stuk grond in India.
2.3.
De man en de vrouw hebben vervolgens afspraken gemaakt over de wijze van verdelen en deze afspraken zijn opgenomen in de beschikking van het gerechtshof van 11 april 2017. Samengevat hebben partijen het volgende afgesproken:
“-
De vrouw zal met ingang van 1 maart 2017 de hypotheek- en gebruikslasten van de voormalig echtelijke woning aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] , voor haar rekening nemen. Zolang de vrouw in staat is deze lasten te betalen, zal zij in de voormalig echtelijke woning blijven wonen in afwachting van de afwikkeling van de verdeling van de boedelbestanddelen en/of eventuele verkoop van eigendommen van partijen in India. Zo mogelijk zal de vrouw daarna het aandeel van de man in de woning overnemen en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheekschuld. Als de vrouw niet langer in staat is de lasten van de woning te dragen, zal de vrouw dit ten spoedigste (eventueel via haar advocaat) melden aan de man en zal de woning in de verkoop worden gebracht.
- De kavel, die partijen in India in gezamenlijk eigendom hebben en die onderdeel vormt van de procedure in India (…) zal worden verkocht. De opdracht tot verkoop zal worden gegeven aan makelaar Sunil Kuamar Chettri. (…)
2.4.
Het perceel van partijen in India is in 2022 verkocht voor € 24.000,-. De verkoopopbrengst is gestort op de rekening van de man en is nog niet verdeeld.
2.5.
Aan de afspraak over de verdeling van de woning die partijen in 2017 hebben gemaakt, is nog geen uitvoering gegeven.
2.6.
Bij brief van 21 november 2024 heeft de vrouw het voorstel van de man tot verkoop van de woning afgewezen en heeft zij gewezen op de afspraak dat de vrouw het aandeel van de man in de woning zou overnemen.
2.7.
Bij e-mail van 10 januari 2025 heeft de man onder meer gevraagd of de vrouw bereid is mee te werken aan een taxatie in verband met de vraag of de vrouw de woning kan financieren.
2.8.
Bij e-mail van 4 februari 2025 heeft de vrouw onder meer aangegeven nog als doel te hebben de woning over te nemen, waarbij de man uit de hypotheek wordt ontslagen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde indien zij binnen drie maanden na betekening van dit vonnis niet in staat blijkt de woning zelfstandig te financieren met ontslag van de man ten aanzien van de hypothecaire verplichtingen, inhoudende dat zij haar medewerking zal verlenen aan:
a. het verstrekken van de verkoopopdracht aan makelaarskantoor Boekweit Olie te Hoorn;
b. het verkoopklaar maken van de woning waarbij instructies van de makelaar bindend zijn;
c. het opvolgen van alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar van partijen, waaronder de actuele geadviseerde verkoop- en laatprijs, alsmede het plaatsen van een verkoopbord in de voortuin van de voormalig echtelijke woning, de woning open te stellen voor bezichtigingen van potentiële kopers en daartoe een sleutel van de woning op het makelaarskantoor af te geven, niet aanwezig te zijn bij bezichtigingen in de woning en geen contact op te nemen met potentiële kopers;
d. de levering van de woning aan de koper(s) waarbij de vrouw op eerste verzoek van de makelaar binnen één week mee zal werken aan het notarieel transport van de woning;
e. het geven van opdracht aan de notaris om de overwaarde van de woning bij helfte te verdelen;
f. alle overige handelingen die nodig zijn om verkoop aan een derde te bewerkstellingen;
g. het leveren, ontruimen en verlaten van de woning uiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij, en de sleutels ter vrije beschikking van de kopende partij stellen;
II. bepaalt dat dit vonnis, in het geval dat de vrouw haar onvoorwaardelijke medewerking niet binnen de aangegeven termijn heeft verleend, in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van de vrouw benodigd voor de verkoop van de woning, de koopovereenkomst en juridische levering van de eigendom van de woning aan de kandidaat-koper;
III. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De man legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen hebben afspraken gemaakt, op basis waarvan de vrouw in de echtelijke woning zou blijven wonen en de gebruikslasten zou voldoen, in afwachting van de afwikkeling van de verdeling van de overige eigendommen zoals het stuk grond in India. Zodra dit zou zijn geregeld, zou de vrouw proberen de echtelijke woning op haar naam te krijgen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Inmiddels is het acht jaar geleden dat partijen afspraken maakten over de afwikkeling van de echtscheiding. Omdat de man nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek, belemmert dit hem in de zoektocht naar een passende woonruimte die aansluit bij zijn medische toestand en leeftijd. Het belang van de vrouw bij behoud van de woning weegt niet op tegen het belang van de man bij verkoop.
3.3.
De vrouw voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
Indien de vordering van de man in conventie wordt toegewezen vordert de vrouw
- samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis de man veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 36.000,- aan de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.6.
De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man zich niet aan de afspraken heeft gehouden voor wat betreft de verkoop van het gezamenlijke perceel in India. Zo heeft de man de kavel voor een veel te lage prijs verkocht. Als de kavel voor de als realistisch geachte opbrengst (volgens een deskundige) van € 72.000,- verkocht zou zijn, dan zou de vrouw een bedrag van € 36.000,- ontvangen hebben in plaats van de helft van de opbrengst van € 24.000,-. Voor zover de voorzieningenrechter de vorderingen van de man toewijst, vordert de vrouw dan ook de schade die zij lijdt doordat de kavel voor een veel lager bedrag is verkocht dan de realistische waarde plus het bedrag van de daadwerkelijke verkoop wat de man momenteel nog achterhoudt voor de vrouw.
3.7.
De man voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Juridisch kader in kort geding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen nog gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat gebleken is dat niet van partijen gevergd kan worden dat zij nog langer in de onverdeelde gemeenschap blijven. De voorzieningenrechter leidt de spoedeisendheid van de vorderingen van partijen daar dan ook uit af.
Peildatum woningwaarde onduidelijk
4.3.
De man vordert in dit kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde, indien binnen drie maanden na betekening van het vonnis blijkt dat zij niet in staat is om de woning zelfstandig te financieren met ontslag van de man uit de hypothecaire verplichtingen.
4.4.
De vrouw heeft hiertegen aangevoerd dat de zaak zich niet leent voor kort geding. Partijen hebben volgens haar namelijk geen overleg gehad of overeenstemming bereikt over de vraag van welke peildatum voor de waarde van de woning uit zou moeten worden gegaan. Nu het gaat om nakoming van de afspraak uit 2017, meent de vrouw dat als peildatum moet worden gehanteerd de datum van de overeenkomst van de wijze van verdeling in april 2017 ten overstaan van het gerechtshof. De man heeft in zijn vordering in het midden gelaten van welke waarde van de woning moet worden uitgegaan. Ter zitting heeft de man toegelicht dat hij wil uitgaan van de datum van verdeling van de woning. Zolang partijen dus nog geen overeenstemming hebben over van welke waarde uit zou moeten worden gegaan, is het voor de vrouw onmogelijk om te onderzoeken of zij de hypotheek alleen op haar naam kan krijgen. Voor de vrouw zijn er wel financieel mogelijkheden in de zin dat haar oudste dochter zich mede wil verbinden aan een hypotheek en ook de familie van de vrouw in India over financiële middelen beschikt om haar eventueel te helpen om het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, aldus de vrouw.
4.5.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man afwijzen. De man vordert nakoming van de afspraak die partijen in 2017 bij het gerechtshof hebben gemaakt. Het is op dit moment echter onduidelijk hoe die afspraak over de verdeling van de woning (onder 2.3 genoemd) moet worden uitgelegd, wat partijen precies hebben bedoeld en hoe om te gaan met het gegeven dat pas na acht jaar uitvoering van de afspraak actueel wordt. De man wil namelijk dat de vrouw de woning overneemt tegen de actuele woningwaarde, terwijl de vrouw meent dat is afgesproken dat de peildatum voor de woningwaarde is het moment dat de afspraken van partijen in de beschikking van het gerechtshof in april 2017 zijn opgenomen. Vanwege deze onduidelijkheid en het gebrek aan overeenstemming over een peildatum voor waardering van de woning in verband met uitkoop van de een, lenen de vorderingen van de man zich niet voor kort geding en wijst de voorzieningenrechter zijn vorderingen dan ook af. Immers, zolang partijen het niet eens zijn over een peildatum of niet duidelijk is hoe de afspraken moeten worden uitgelegd (het debat daarover is nog niet gevoerd) is het voor de vrouw niet mogelijk om te onderzoeken of zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen.
4.6.
Partijen zullen zich tot de bodemrechter moeten wenden om daarover verder te debatteren dan wel alsnog te proberen het onderling eens te worden over een peildatum voor het bepalen van de waarde van de woning waartegen die door de vrouw kan worden overgenomen.
in voorwaardelijke reconventie
4.7.
De voorzieningenrechter komt niet toe aan de vorderingen in reconventie, nu niet is voldaan aan de voorwaarde daarvoor.
Proceskosten
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in voorwaardelijke reconventie
5.3.
komt aan de behandeling niet toe.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.