In deze kortgedingprocedure vordert een hippisch bedrijf betaling van openstaande facturen en bijkomende kosten van twee buitenlandse vennootschappen onder firma gevestigd in Hongarije. De vorderingen betreffen bedragen voor stalling, verzorging en training van paarden, die door de gedaagden niet zijn voldaan ondanks toezeggingen.
De buitenlandse gedaagden zijn niet verschenen, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend conform de EU-betekeningsverordening. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is omdat de verbintenis in Nederland is uitgevoerd en dat Nederlands recht van toepassing is.
Een eiswijziging van eiseres wordt niet toegelaten omdat deze niet tijdig aan de niet-verschenen gedaagden is betekend. De rechtbank wijst de oorspronkelijke vorderingen toe, veroordeelt de gedaagden hoofdelijk tot betaling van de hoofdsommen, incassokosten, beslagkosten en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.