Eiseres diende een aanvraag in voor tegemoetkoming in planschade bij verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Bergen. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag en daaropvolgend bezwaar, stelde eiseres meerdere malen verweerder in gebreke en stelde zij beroep in tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet tijdig had beslist op het bezwaar, maar dat er inmiddels alsnog een besluit was genomen. Dit besluit werd echter betwist door eiseres vanwege het ontbreken van een ondertekend besluit door de bevoegde instantie. De rechtbank oordeelde dat de brieven van verweerder wel degelijk een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormden, ook al waren er materiële en formele gebreken.
De rechtbank stelde de hoogte van de verbeurde dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,-, omdat verweerder pas op 10 september 2024 een besluit op bezwaar had genomen, ruim na de wettelijke termijnen. Het van rechtswege ontstane beroep tegen dit besluit op bezwaar werd verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter J. de Vries en griffier J. Poggemeier op 3 december 2025.