ECLI:NL:RBNHO:2025:13770

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
24/5337
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op bezwaar inzake planschade door gemeente Bergen

Deze uitspraak betreft het beroep van eiseres, een inwoner van Bergen (NH), tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar dat zij had ingediend op 15 april 2024. Eiseres had eerder een aanvraag voor tegemoetkoming in planschade ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Bergen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de gemeente niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat, hoewel de gemeente uiteindelijk een besluit heeft genomen, dit niet tijdig was en dat eiseres recht heeft op een dwangsom van € 1.442,-. De rechtbank verwijst het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit op bezwaar naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling. De uitspraak is gedaan op 3 december 2025, waarbij de rechtbank ook heeft bepaald dat de gemeente de proceskosten van eiseres moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Bergen (NH), eiseres

(gemachtigde: A.G.N. van Wonderen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen, verweerder

(gemachtigde: T. van der Zande).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over het door eiseres bij brief van 14 augustus 2024 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 15 april 2024. De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat inderdaad niet tijdig is beslist. Anders dan eiseres heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder inmiddels alsnog op het bezwaar heeft beslist. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit op bezwaar wordt verwezen naar een meervoudige kamer. Ook stelt de rechtbank de hoogte van de verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen door verweerder vast.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak gevolgd door de beoordeling onder 3 en volgende. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Eiseres heeft op 19 januari 2023 een aanvraag ingediend bij verweerder voor tegemoetkoming in planschade.
2.2
Eiseres heeft verweerder bij brief van 3 januari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
2.3
Op 22 januari 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
2.4
Bij het primaire besluit van 5 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van SAOZ van 1 februari 2024.
2.5
Bij uitspraak van 15 april 2024 (zaaknummer HAA 24/271) heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en vastgesteld dat verweerder de maximale dwangsom wegens dit niet tijdig beslissen aan eiseres moet betalen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.
2.6
Bij brief van 15 april 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.7
Bij brief van 15 juli 2024 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
2.8
Bij brief van 14 augustus 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar
.
2.9
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 3 september 2024 als reactie op dit beroep.
2.1
Bij brief van 4 september 2024 heeft een beleidsmedewerker van de gemeente Bergen aan eiseres medegedeeld dat verweerder heeft besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren. Daarbij is verwezen naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente.
2.11
Bij brief van 10 september 2024 heeft de beleidsmedewerker in aanvulling op de brief van 4 september 2024 aan eiseres medegedeeld dat verweerder heeft besloten om het advies van de commissie gedeeltelijk over te nemen en om:
‘1. Het bezwaar dat betrekking heeft op het niet juist volgen van de procedure op grond
van de planschadeverordening gegrond te verklaren;
2. Te bepalen om artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen;
3. De overige bezwaren ongegrond te verklaren;
4. Een besluit te nemen op de ingebrekestelling d.d. 3 januari 2024;
5. Het bezwaar inzake het Woo-verzoek niet te betrekken bij de beslissing op bezwaar
omdat tegen die procedure zelfstandig bezwaar kan worden gemaakt;
6. Geen proceskostenvergoeding toe te kennen.’
2.12
Bij brief van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank eiseres verzocht om binnen twee weken te laten weten of zij het al dan niet eens is met de in de brieven van 4 en 10 september 2024 weergegeven beslissing van verweerder.
2.13
Eiseres heeft in reactie hierop bij brief van 26 oktober 2024 medegedeeld het niet eens te zijn met de beslissing.
2.14
Bij brief van 11 december 2024 heeft eiseres de rechtbank verzocht om uiterlijk binnen één week uitspraak te doen.
2.15
Bij brief van 12 december 2024 heeft de rechtbank aan eiseres medegedeeld dat het beroep niet versneld wordt behandeld.
2.16
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Zowel eiseres als verweerder is verschenen bij gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst vanwege een door de gemachtigde van eiseres ingediend wrakingsverzoek.
2.17
De wrakingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 16 september 2025 (zaaknummer/rekestnummer: C/15/369348 / KG RK 25/624) het verzoek tot wraking afgewezen.
2.18
Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 23 september 2025 aangegeven dat het niet nodig is om in deze zaak opnieuw een zitting te houden en dat een zitting achterwege zal worden gelaten tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft dat zij op een zitting wil worden gehoord.
2.19
Partijen hebben hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 22 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
3.1
Ook als verweerder inmiddels een besluit op het bezwaar heeft genomen, hetgeen eiseres betwist, heeft eiseres belang bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Zij heeft immers de rechtbank overeenkomstig artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om vaststelling van de dwangsom die verweerder volgens haar wegens niet tijdig beslissen heeft verbeurd.
3.2
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook ingevolge artikel 8:1 van de Awb beroep bij de rechtbank open.
3.3
Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep, indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet aan een termijn gebonden.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3.4
De termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is geregeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
3.5
Het bezwaarschrift is ingediend op 15 april 2024. Het primaire besluit is verzonden op 5 maart 2024. De bezwaartermijn bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Dat betekent dat de bezwaartermijn tot en met 16 april 2024 liep. De laatste dag waarop tijdig op het bezwaar kon worden beslist was derhalve 9 juli 2024. Eiseres heeft verweerder derhalve bij brief van 15 juli 2024 op goede gronden in gebreke gesteld nu de termijn voor het nemen van een besluit was verstreken. Ten tijde van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op 14 augustus 2024 was ook de tweewekentermijn verstreken zodat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu er op 14 augustus 2024 nog geen besluit was genomen, is het beroep op goede gronden ingesteld. Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of in september 2024 alsnog een besluit op bezwaar is genomen, zoals verweerder stelt, en vervolgens op de hoogte van de dwangsom die verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar aan eiseres heeft verbeurd.
Is alsnog een besluit op het bezwaar genomen?
4.1
Eiseres heeft betoogd dat met de brieven van 4 en 10 september 2024 geen besluit is genomen in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Zij heeft de rechtbank gevraagd te bepalen dat nog immer geen besluit op bezwaar door verweerder bekend is gemaakt en verweerder op te dragen binnen veertien dagen alsnog een besluit te nemen, zodanig dat ook daadwerkelijk een besluit wordt genomen over de ingebrekestelling van 3 januari 2024 en ook een proceskostenvergoeding wordt toegekend. Voorts heeft zij de rechtbank gevraagd aan verweerder een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat verweerder in gebreke is om alsnog een besluit op het bezwaar te nemen. Voornoemde brieven zijn (gedeeltelijk) contrair aan het advies van de bezwarencommissie. Uit de ‘Bevoegdhedenregeling colleges en burgemeesters Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo 2020’ blijkt dat uitsluitend verweerder bevoegd is tot ondertekening van besluiten die contrair zijn aan het advies van de bezwaarcommissie. De brieven zijn niet ondertekend door verweerder maar door een beleidsmedewerker en betreffen dus geen bevoegd genomen en ondertekend besluit, aldus eiseres.
4.2
De rechtbank stelt vast dat in de brieven van 4 en 10 september 2024 aan eiseres uitdrukkelijk is medegedeeld hoe verweerder op haar bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2024 heeft beslist. Daarmee strekken deze brieven tot bekendmaking van het besluit op het bezwaar van 15 april 2024. Dat verweerder een besluit op dat bezwaar heeft genomen, wordt bevestigd door de openbare besluitenlijst van de desbetreffende vergadering van verweerder, zoals gepubliceerd op de website met bestuurlijke informatie van de gemeente (https://raadbergen-nh.nl). Dat naar de mening van eiseres het besluit mank gaat aan materiële en formele gebreken, betekent niet dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De beoordeling of een besluit in de zin van de Awb is genomen, staat immers los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1323). Een gebrekkig besluit is ook een besluit in de zin van de Awb. Het betoog van eiseres dat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb wordt derhalve verworpen. Voor zover eiseres als gebrek heeft aangevoerd dat verweerder geen besluit over de ingebrekestelling van 3 januari 2024 heeft genomen, merkt de rechtbank nog op dat de rechtbank bij de hiervoor onder 2.5 vermelde uitspraak al heeft vastgesteld dat verweerder in verband met deze ingebrekestelling de maximale dwangsom aan eiseres heeft verbeurd.
4.3
Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding om verweerder onder aanzegging van een dwangsom op te dragen om een besluit op het bezwaar te nemen.
Verwijzing van het van rechtswege ontstane beroep tegen de beslissing op bezwaar naar de meervoudige kamer van deze rechtbank
5. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het besluit op bezwaar de afwijzing van de aanvraag van eiseres van 19 januari 2023 in stand heeft gelaten. Van tegemoetkomen is derhalve geen sprake. Dit betekent dat van rechtswege beroep tegen het besluit op bezwaar is ontstaan. Uit navraag bij de griffie na de zitting is aan de enkelvoudige kamer gebleken dat eiseres desalniettemin afzonderlijk beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Dit beroep (zaaknummer HAA 24/6477) staat gepland op een zitting van de meervoudige kamer van 10 februari 2026. Anders dan in de onderhavige procedure, heeft eiseres in het afzonderlijke beroepschrift inhoudelijke gronden over de afwijzing van haar aanvraag aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep zal om die reden worden verwezen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling.
De dwangsom wegens de niet tijdige beslissing op het bezwaar
6.1
Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 (artikelen 4:13 tot en met 4:20f) verbeurde dwangsom vast.
6.2
Eiseres heeft de rechtbank verzocht de maximale dwangsom van € 1.442,- toe te kennen op grond van de ingebrekestelling van 15 juli 2024.
6.3
In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
6.4
De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3.5 en stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling van 15 juli 2024 de volgende dag heeft ontvangen en dat niet binnen twee weken nadien een besluit is genomen op het bezwaar. De besluitenlijst waarin het besluit op bezwaar is weergegeven, betreft volgens de aanhef de vergadering van verweerder van 3 september 2024, maar onderaan de besluitenlijst staat dat deze op 10 september 2024 is vastgesteld. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de beslissing op bezwaar op 10 september 2024 is genomen en dus met de brief van die datum bekend is gemaakt. Bij de berekening van de hoogte van de dwangsom zal de rechtbank dan ook uitgaan van deze datum. Dat betekent dat verweerder 42 dagen na het verstrijken van de tweewekentermijn na de ingebrekestelling een besluit op bezwaar heeft genomen. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het maximale bedrag van € 1.442,- heeft verbeurd.
Conclusie
7.1
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beluit op bezwaar is gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit moet daarom worden vernietigd. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar zal worden verwezen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Verweerder dient wegens het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar een dwangsom van € 1.442,- aan eiseres te betalen.
7.2
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener levert twee punten op (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op zitting). De waarde van een punt is € 907,-. Omdat het gegrond verklaarde beroep uitsluitend het niet tijdig nemen van een besluit betreft, wordt hierop een wegingsfactor van 0,5 toegepast. Toegekend wordt dus € 907,-.

Beslissing

De rechtbank:
-
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- verwijst het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit op bezwaar naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar aan eiseres een dwangsom heeft verbeurd van € 1442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan (behalve voor zover het de verwijzing naar de meervoudige kamer betreft) een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de verwijzing naar de meervoudige kamer kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de uitspraak op het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit op bezwaar.