ECLI:NL:RBNHO:2025:1380
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek eenhoofdig gezag over minderjarige na vaststelling vaderschap
De rechtbank Noord-Holland behandelde het verzoek van de vader om hem het eenhoofdig gezag over zijn minderjarige kind toe te kennen, na vaststelling van zijn vaderschap en vernietiging van de eerdere erkenning door een ander. De moeder was niet verschenen ondanks oproep, en de minderjarige woont sinds 2020 bij de vader onder een machtiging.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op het gezagsvraagstuk, conform Brussel II ter-verordening en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. De moeder had van rechtswege het eenhoofdig gezag, maar door de vaststelling van het vaderschap is het gezag van de vader nog niet van rechtswege ontstaan.
Gezien de langdurige afwezigheid en ontoegankelijkheid van de moeder, en de positieve rol van de vader in de zorg en opvoeding, acht de rechtbank het in het belang van het kind dat de vader het eenhoofdig gezag krijgt. Gezamenlijk gezag is niet wenselijk vanwege de verstoorde verhoudingen. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling onderschreven dit standpunt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er staat hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe en belast hem met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.