ECLI:NL:RBNHO:2025:13867

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
353816
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 lid 1 BWArt. 3:118 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:108 BWArt. 3:112 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrijgende verjaring van strook grond naast perceel met woonhuis in Enkhuizen

Gedaagden zijn eigenaar van een perceel met woonhuis in Enkhuizen en gebruiken een strook grond die kadastraal bij een perceel van de Gemeente Enkhuizen hoort, waarop Hof Wonen als erfpachter staat. Hof Wonen vordert ontruiming van deze strook, terwijl gedaagden stellen eigenaar te zijn door verjaring en vorderen notariële vastlegging.

De rechtbank stelt vast dat gedaagden sinds 2008/2009 onafgebroken en te goeder trouw bezit hebben gehad van de strook grond door het plaatsen van een schuur, uitbouw en steiger. Hof Wonen heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit te betwisten of de goede trouw van gedaagden te ontkrachten. De verjaringstermijn van tien jaar is in 2019 voltooid zonder stuiting door de Gemeente.

De rechtbank wijst de vorderingen van Hof Wonen af en verklaart dat gedaagden eigenaar zijn geworden van de strook grond. Over de gewijzigde eis in reconventie van gedaagden wordt een tussenvonnis gewezen, waarbij partijen gelegenheid krijgen zich schriftelijk uit te laten. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: Gedaagden zijn door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond geworden; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/353816 / HA ZA 24-343
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
STICHTING HOF WONEN,
te Den Haag,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Hof Wonen,
advocaat: mr. R. Benneker,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. J.C. Daniëls,
in welke zaak als partij is opgeroepen
GEMEENTE ENKHUIZEN
zetelend te Enkhuizen,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. M.C. Jonkman.
De zaak in het kort
[gedaagden] zijn eigenaar van een perceel met daarop een woonhuis in [woonplaats] . Naast dit perceel ligt een perceel van de Gemeente Enkhuizen. Hof Wonen is erfpachter van het perceel van de Gemeente. Het geschil tussen partijen ziet op een strook grond die in gebruik is bij [gedaagden] , maar die kadastraal gezien bij het perceel van de Gemeente hoort. Hof Wonen vordert als erfpachter dat [gedaagden] de strook grond ontruimen en weer ter vrije beschikking stellen aan Hof Wonen. [gedaagden] stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond en vorderen de notariële vastlegging hiervan en inschrijving in het Kadaster. De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. De rechtbank wijst een tussenvonnis, omdat partijen nog de gelegenheid krijgen om zich schriftelijk uit te laten over de gewijzigde eis in reconventie van [gedaagden]

1. De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 juni 2025 met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 27 november 2024, waarbij Hof Wonen in de gelegenheid is gesteld de Gemeente in het geding op te roepen;
- de conclusie van 19 februari 2025 van de Gemeente;
- de antwoordconclusie van Hof Wonen van 2 april 2025;
- de antwoordconclusie van [gedaagden] van 2 april 2025, met producties 7 tot en met 9;
- het tussenvonnis van 16 april 2025, waarin een gerechtelijke plaatsopneming (descente) en een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte wijziging van eis in reconventie van [gedaagden] ;
- de gerechtelijke plaatsopneming (descente) en aansluitend de mondelinge behandeling van 15 september 2025. Van de descente is een proces-verbaal opgemaakt. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 1] is sinds 2007 eigenaar van het perceel met daarop de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met [gedaagde sub 2] . Op onderstaande kaart is het perceel van [gedaagden] groen gearceerd. Aan de achterkant van het perceel van [gedaagden] ligt een perceel dat eigendom is van de Gemeente. Hof Wonen is erfpachter van dit perceel van de Gemeente. Dat perceel is in gebruik als woonwagenlocatie en Hof Wonen verhuurt standplaatsen op het perceel. Het perceel van de Gemeente is op onderstaande kaart rood gearceerd.
2.2.
[gedaagden] hebben aan de achterzijde van hun perceel een schuur met uitbouw geplaatst en een steiger die grenst aan een sloot. Partijen zijn het erover eens dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen van [gedaagden] en de Gemeente door de schuur heen loopt. De schuur en steiger bevinden zich dus gedeeltelijk op een strook grond die kadastraal gezien bij het perceel van de Gemeente hoort (hierna: de strook grond). Het geschil van partijen ziet op deze strook grond.
2.3.
Op 13 oktober 2023 heeft Hof Wonen een brief gestuurd aan [gedaagden] , waarin zij hen sommeert om de schuur af te breken en de strook grond ter vrije en volledige beschikking van Hof Wonen te stellen. Hieraan hebben [gedaagden] niet voldaan.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Hof Wonen vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
I. voor recht verklaart dat Hof Wonen erfpachter is van het (volledige) Kadastrale perceel, waaronder in elk geval ook de door [gedaagden] in gebruik genomen strook grond;
subsidiair
II. [gedaagden] veroordeelt tot vergoeding van de door Hof Wonen geleden schade in natura, dat wil zeggen in de vorm van overdracht van het erfpachtrecht aan Hof Wonen dan wel het vestigen van een recht van erfpacht ten behoeve van Hof Wonen ten aanzien van de door [gedaagden] in gebruik genomen strook grond, uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, met bepaling dat dit vonnis in de plaats zal treden van de notariële akte en op straffe van verbeurte van een dwangsom in het geval geen gehoor wordt gegeven aan de veroordeling;
primair en subsidiair
III. [gedaagden] veroordeelt tot het (laten) afbreken en afvoeren van de schuur en [gedaagden] veroordeelt tot het (laten) ontruimen, opleveren en ontruimd houden van de strook grond, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. Hof Wonen machtigt, om voor rekening van [gedaagden] de schuur te laten afbreken en afvoeren en de strook grond te laten ontruimen, indien [gedaagden] niet aan de veroordeling onder III. voldoen en de dwangsommen zijn verbeurd;
V. [gedaagden] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Hof Wonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hof Wonen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hof Wonen in de kosten van deze procedure.
3.3.
De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van Hof Wonen moeten worden toegewezen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] vorderen - samengevat en na wijziging van eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat [gedaagden] eigenaar zijn van de strook grond en bepaalt dat de erfgrens van de percelen overeenkomt met de feitelijke situatie zoals deze nu is;
II. Hof Wonen veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan notariële vastlegging van de erfgrens en inschrijving van die erfgrens in het Kadaster, binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. Het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Enkhuizen veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan een notariële vastlegging van de erfgrens en inschrijving van die erfgrens in het Kadaster, binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis;
IV. in het geval dat het gevorderde onder III. is uitgevoerd, de erfpachtovereenkomst met erfpachter Hof Wonen opheft wegens onvoorziene omstandigheden die het onredelijk maken om de erfpachtovereenkomst is stand te houden;
V. Hof Wonen veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.6.
Hof Wonen voert verweer. Hof Wonen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
3.7.
De rechtbank begrijpt uit het standpunt van de Gemeente dat zij vindt dat de vorderingen van [gedaagden] moeten worden afgewezen.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Toelaatbaarheid eiswijziging in reconventie
4.2.
Hof Wonen maakt bezwaar tegen de eiswijziging in reconventie van [gedaagden] , waarbij de eis is vermeerderd met de vorderingen III. en IV. Hof Wonen stelt dat zij niet voldoende gelegenheid heeft gehad om deugdelijk verweer te voeren tegen de eiswijziging, omdat deze erg laat is ingediend.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de eiswijziging in reconventie tien dagen voor de zitting en dus op tijd is ingediend. Ter zitting is met partijen besproken dat partijen zich nog schriftelijk mogen uitlaten over de eiswijziging als de rechtbank aan de bespreking van deze vorderingen toekomt. De eiswijziging wordt daarom toegelaten.
De positie van [gedaagde sub 2]
4.4.
[gedaagde sub 1] heeft de woning aan de [adres] in [woonplaats] in 2007 gekocht, samen met zijn toenmalige echtgenote. Na de echtscheiding is de woning in 2008 aan hem toegedeeld. [gedaagden] hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat [gedaagde sub 2] ook op de hypotheekakte staat. Hof Wonen en de Gemeente hebben dit niet weersproken. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van de zaak daarom van uit dat [gedaagden] samen eigenaar zijn van het perceel aan de [adres] in [woonplaats] .
De kern van het geschil
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat de schuur met toebehoren van [gedaagden] gedeeltelijk op het kadastrale perceel staat waarvan Hof Wonen erfpachter is en de Gemeente eigenaar. De kern van het geschil ziet op de vraag of de strook grond waar de schuur, de uitbouw daarvan en de steiger op staan door verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [gedaagden] De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Juridisch kader verkrijgende verjaring
4.6.
Om via verkrijgende verjaring eigenaar te worden van een registergoed (zoals een strook grond) moet iemand gedurende een onafgebroken periode van tien jaar in bezit zijn geweest van het goed. Daarbij is het noodzakelijk dat het bezit te goeder trouw was. [1]
Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. [2]
4.7.
Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. [3] De vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf doet wordt beoordeeld naar de verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. [4] Bij de vraag of sprake is van bezit moet de aard van het betrokken goed (hier: een strook grond op een perceel) in aanmerking moet worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bezit ondubbelzinnig en kenbaar moet zijn. ‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [5]
Het bezit kan worden verkregen door inbezitneming. [6] Dit betekent dat men zich de feitelijke macht over het registergoed verschaft. Een verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit. [7]
Inbezitneming
4.8.
[gedaagden] hebben een schuur met uitbouw geplaatst die gedeeltelijk op de strook grond staat. Ook hebben zij een steiger op de strook grond aangelegd. Het neerzetten van een schuur en het aanleggen van een steiger op de strook grond is een duidelijke bezitsdaad. Door dat te doen hebben [gedaagden] zich de feitelijke macht over de strook grond verschaft. Vervolgens zijn [gedaagden] de grond voor zichzelf gaan gebruiken, op een manier waaruit Hof Wonen als erfpachter en de Gemeente als eigenaar van de strook grond niets anders konden en mochten afleiden dan dat [gedaagden] handelden en de grond gebruikten alsof zij daar eigenaar van waren. Daarbij komt dat de strook grond voor zowel Hof Wonen (of haar huurders) als de Gemeente niet (langer) toegankelijk of te gebruiken was.
4.9.
Dit betekent dat [gedaagden] het bezit van de strook grond via inbezitneming hebben verkregen.
Start verjaringstermijn
4.10.
[gedaagden] stellen dat de schuur in 2008 of 2009 is geplaatst. De Gemeente gaat daar in haar conclusie ook van uit. Hof Wonen betwist dat de schuur al in 2008 of 2009 is neergezet en daar sindsdien onafgebroken heeft gestaan. Voor zover Hof Wonen weet is de schuur in 2019 geplaatst.
4.11.
Ter onderbouwing van hun stelling hebben [gedaagden] getuigenverklaringen en foto’s overgelegd. Zo hebben de vader van [gedaagde sub 2] en een broer van [gedaagde sub 1] verklaard dat zij in 2008 hebben geholpen met het uitgraven van de grond waar de schuur geplaatst is. De vader van [gedaagde sub 2] heeft in dezelfde periode ook geholpen met het halen van hout voor de bouw van de schuur. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat de schuur in 2008/2009 is geplaatst en de uitbouw ongeveer een half jaar later. Op een foto uit 2009 is de steiger te zien. [8] Op foto’s uit 2010 [9] en 2011 [10] is te zien dat de schuur toen al aanwezig was. Hof Wonen betwist de datering van de foto’s weliswaar, maar daaraan gaat de rechtbank voorbij. [gedaagden] hebben de eigenschappen van de foto’s waarop de datum staat waarop deze zijn genomen namelijk bijgevoegd en Hof Wonen heeft haar betwisting niet gemotiveerd.
4.12.
Tegenover de gemotiveerde stellingen van [gedaagden] heeft Hof Wonen zelf geen verklaringen of foto’s overgelegd, bijvoorbeeld van buren of bewoners van het woonwagenterrein die er destijds woonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat Hof Wonen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de schuur, de uitbouw daarvan en de steiger in 2008 of 2009 zijn geplaatst, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van die stelling van [gedaagden] Dit betekent dat de verjaringstermijn van tien jaar uiterlijk in 2009 is gaan lopen. Hof Wonen heeft haar verweer dat de schuur niet onafgebroken aanwezig is geweest op de strook grond, op geen enkele manier onderbouwd, zodat de rechtbank dit passeert. De tienjaarstermijn is dus in 2019 voltooid, tenzij Hof Wonen of de Gemeente de verjaring eerder heeft gestuit.
Geen stuiting verjaringstermijn
4.13.
Uit de door partijen overgelegde stukken en wat zij tijdens de zitting hebben verteld, begrijpt de rechtbank dat de Gemeente de verjaringstermijn niet heeft gestuit. Vanuit de Gemeente is hier vóór 2019 nooit een brief over verstuurd of een andere stuitingshandeling verricht. Hof Wonen heeft voor het eerst op 13 oktober 2023 een brief aan [gedaagden] gestuurd, met daarin een sommatie aan [gedaagden] om de schuur te verwijderen en de strook grond ter vrije beschikking van Hof Wonen te stellen. Toen was de verjaringstermijn van tien jaar echter al voltooid.
Ter zitting is nog naar voren gebracht dat er in 2019 een aantal buren aan de deur zijn geweest bij [gedaagden] om te klagen over de schuur en dat er nadien bemiddeling heeft plaatsgevonden door de Gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen handelingen die de verjaringstermijn hebben kunnen stuiten.
4.14.
Dit betekent dat [gedaagden] gedurende een onafgebroken periode van ten minste tien jaar in bezit zijn geweest van de grond.
Te goeder trouw
4.15.
Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn. Dit betekent dat het ontbreken ervan bewezen moet worden. [11] Hof Wonen en de Gemeente dragen hiervan dus de bewijslast.
4.16.
Hof Wonen voert aan dat van goede trouw geen sprake kan zijn. De akte van vestiging van erfpacht en de leveringsakten van zowel het perceel van [gedaagden] als het perceel dat bij Hof Wonen in erfpacht is zijn opgenomen in de openbare registers. [gedaagden] hebben een onderzoeksplicht en hadden de registers moeten raadplegen. Uit de genoemde stukken volgt volgens Hof Wonen duidelijk dat de strook grond nooit tot het perceel van [gedaagden] heeft behoord. Daarbij merkt Hof Wonen op dat uit de leveringsakte duidelijk blijkt dat [gedaagden] een perceel met een oppervlakte van 300 vierkante meter gekocht hebben. Volgens Hof Wonen is de strook grond die [gedaagden] in gebruik hebben circa 45 vierkante meter groot en hadden [gedaagden] een dergelijk verschil in perceel- grootte moeten opmerken. Bovendien was het perceel van [gedaagden] niet omheind toen [gedaagde sub 1] dat kocht, zodat ook de feitelijke omstandigheden aanleiding voor [gedaagden] hadden moeten zijn onderzoek te doen naar de erfgrens voordat zij de schuur plaatsten. De Gemeente sluit zich aan bij het verweer van Hof Wonen dat de goede trouw bij [gedaagden] ontbreekt.
4.17.
De rechtbank volgt het standpunt van Hof Wonen en de Gemeente niet. Hof Wonen en de Gemeente hebben niet onderbouwd hoe [gedaagden] uit de openbare registers hadden kunnen en moeten afleiden dat de strook grond niet van hen was. Hof Wonen verwijst slechts in algemene zin naar stukken die in de openbare registers zijn opgenomen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te bewijzen dat [gedaagden] niet te goeder trouw zijn geweest. Hof Wonen en de Gemeente hadden expliciet moeten toelichten welke stukken daarin zijn opgenomen en hoe [gedaagden] daaruit had moeten afleiden dat de strook grond niet van hen was. Voor zover dit volgens Hof Wonen en de Gemeente volgt uit de omvang van het perceel van [gedaagden] zoals dit uit de leveringsakte blijkt, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De enkele wetenschap dat hun perceel 300 vierkante meter is, is namelijk onvoldoende voor het oordeel dat [gedaagden] ook moesten weten dat de strook grond niet tot hun perceel behoorde. Hof Wonen stelt dat de strook grond circa 45 vierkante meter groot is, maar onderbouwt dit verder niet. Zelfs als de strook grond daadwerkelijk 45 vierkante meter groot zou zijn, dan volgt hier gelet op de lengte van de overbouw en de breedte daarvan niet uit dat dit [gedaagden] had moeten opvallen. Ook de situatie ter plaatse, zoals [gedaagde sub 1] deze aantrof toen hij de woning in 2007 kocht, kan niet tot het oordeel leiden dat [gedaagden] aanleiding hadden om nader onderzoek te doen naar de erfgrens. [gedaagden] stellen dat hun perceel aan de achterzijde werd omheind met schuttingen en het sanitaire gebouw van de woonwagenlocatie toen [gedaagde sub 1] het perceel kocht. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [gedaagden] meerdere verklaringen en foto’s overgelegd. Uit de getuigenverklaringen (van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ) en de foto’s leidt de rechtbank af dat zich op het perceel van de Gemeente een sanitair gebouw en een schutting bevonden. Op de strook grond bevonden zich destijds bomen en andere beplanting. Hof Wonen betwist weliswaar dat de schutting er destijds al stond, maar overlegt geen stukken of verklaringen die haar betwisting ondersteunen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze betwisting onvoldoende gemotiveerd is. Op het oog vormden de muur van het sanitair gebouw en de schutting dus de erfafscheiding tussen de beide percelen. De feitelijke omstandigheden ter plaatse waren dan ook niet zodanig dat dit aanleiding voor [gedaagden] had moeten zijn onderzoek te doen naar de erfgrens voordat zij de strook grond in gebruik namen.
4.18.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Hof Wonen en de Gemeente onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat [gedaagden] niet te goeder trouw zijn geweest toen zij de strook grond in bezit namen. De conclusie is dan ook dat [gedaagden] te goeder trouw zijn geweest toen zij de strook grond in bezit namen. Nu eerder is vastgesteld dat er sprake is van inbezitneming en bezit gedurende een onafgebroken periode van tien jaar, is sprake van verkrijgende verjaring. Hierna zal de rechtbank bespreken wat dit betekent voor de vorderingen van Hof Wonen en [gedaagden]
De vorderingen van Hof Wonen
4.19.
De rechtbank begrijpt dat Hof Wonen met haar eerste en primaire vordering bedoelt dat zij een verklaring voor recht wil dat de kadastrale erfgrens ook de juridische erfgrens van het perceel is. Deze primaire vordering zal worden afgewezen, omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat sprake is van verkrijgende verjaring. Daardoor zijn [gedaagden] eigenaar geworden van de strook grond en loopt de juridische erfgrens niet (meer) gelijk aan de kadastrale erfgrens.
4.20.
Hof Wonen vordert subsidiair schadevergoeding in natura, inhoudende het vestigen van een (nieuw) recht van erfpacht met betrekking tot de strook grond. Hof Wonen stelt daartoe dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door de strook grond in bezit te nemen, wetende dat de Gemeente daarvan eigenaar is en Hof Wonen erfpachter. Hierin volgt de rechtbank Hof Wonen niet. Zoals hiervoor is overwogen, waren [gedaagden] te goeder trouw toen zij de strook grond in bezit namen door daarop een schuur te plaatsen en een steiger aan te leggen. Zij hebben daarmee niet onrechtmatig jegens Hof Wonen gehandeld. Om die reden zullen ook de tweede en subsidiaire vordering van Hof Wonen worden afgewezen.
4.21.
Het voorgaande brengt ook mee dat de vorderingen III. en IV. zullen worden afgewezen.
De vorderingen van [gedaagden]
4.22.
[gedaagden] vorderen in de eerste plaats een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn geworden van de strook grond. Deze vordering is toewijsbaar gelet op het geslaagde beroep op verkrijgende verjaring. Wat betreft de loop van de nieuwe erfgrens overweegt de rechtbank het volgende.
4.23.
Op foto 1 hieronder staat de schuur. De gele pijl op de foto wijst naar een inham, waar de wat smallere uitbouw zich bevindt. De uitbouw is weergegeven op foto 2 en wordt aangewezen met de oranje pijl.
Foto 1 Foto 2
Aan de linkerkant van de schuur – zoals afgebeeld op foto 1 – bevindt zich de steiger. Zie foto 3 hieronder. Op foto 3 is te zien dat de schuur iets breder is dan de aanwezige steiger (de oranje pijl wijst dit aan). De strook grond waarvan [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank via verkrijgende verjaring het eigendom hebben verkregen, loopt langs de uiterste linkerhoek van de schuur in een rechte lijn die parallel loopt aan de steiger tot aan het water.
Foto 3
4.24.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de eerste vordering van [gedaagden] te zijner tijd als volgt zal toewijzen:
“De rechtbank verklaart voor recht dat [gedaagden] eigenaar zijn geworden van de strook grond waarop de schuur met uitbouw en de steiger staan, en bepaalt dat de juridische erfgrens van de percelen – overeenkomstig de feitelijke situatie zoals deze tijdens de gerechtelijke plaatsopneming op 15 september 2025 bestond – langs de achterkant van de uitbouw en de schuur loopt, vanwaar de grens van de uiterste linkerhoek van de schuur in een rechte lijn parallel langs de steiger tot aan het water loopt”.
4.25.
[gedaagden] vorderen verder – na eiswijziging – dat het college van B&W van de Gemeente meewerkt aan de notariële vastlegging van de erfgrens en inschrijving daarvan bij het Kadaster, en dat na uitvoering daarvan de erfpachtovereenkomst met Hof Wonen wordt opgeheven. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat de rechtbank partijen de gelegenheid zal bieden zich bij akte uit te laten over deze vorderingen alvorens daarover te beslissen. De rechtbank zal over de vorderingen II tot en met IV een beslissing nemen na deze akteronde.
4.26.
De rechtbank zal bepalen dat eerst de Gemeente en Hof Wonen een termijn van vier weken na het wijzen van dit vonnis krijgen om bij akte te reageren op de eiswijziging van [gedaagden] Na ontvangst van deze reacties zullen [gedaagden] een termijn van vier weken krijgen om bij antwoordakte te reageren.
4.27.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank met dit vonnis een tussenvonnis wijst, waartegen geen tussentijds hoger beroep open staat. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in reconventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 17 december 2025voor het nemen van een akte door zowel Hof Wonen als de Gemeente, waarin zij kunnen reageren op de vorderingen die [gedaagden] bij eiswijziging hebben ingesteld, waarna [gedaagden] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,
in conventie en in reconventie
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW)
2.Artikel 3:118 BW Pro
3.Artikel 3:107 lid 1 BW Pro
4.Artikel 3:108 BW Pro
5.Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309
6.Artikel 3:112 BW Pro
7.Artikel 3:101 BW Pro
8.Productie 4 bij conclusie van antwoord.
9.Productie 2 bij conclusie van antwoord. Op de foto is het raamkozijn van de schuur waar te nemen.
10.Productie 3 bij conclusie van antwoord.
11.Artikel 3:118 lid 3 BW Pro