ECLI:NL:RBNHO:2025:13924

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
HAA - 25 _ 2043
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding in WOZ-zaak bij niet tijdig beslissen

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning. Eiseres had op 10 juli 2024 bezwaar gemaakt, maar de heffingsambtenaar heeft pas op 25 april 2025 op dit bezwaar beslist. Eiseres heeft op 14 april 2025 beroep ingesteld, meer dan twee weken na het in gebreke stellen van de verweerder. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het procesbelang is komen te vervallen door de latere beslissing van de heffingsambtenaar. De rechtbank behandelt vervolgens de hoogte van de proceskostenvergoeding. Eiseres stelt dat artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing is, maar de rechtbank oordeelt dat dit artikel wel degelijk van toepassing is op het beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank kent eiseres een proceskostenvergoeding toe van € 114, gebaseerd op de toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ, en veroordeelt de verweerder tot vergoeding van het griffierecht van € 53. De uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As op 15 oktober 2025 en is openbaar gemaakt. Eiseres en verweerder hebben de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2043

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: D. van der Locht),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Procesverloop

Op 14 april 2025 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar van 10 juli 2024. Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit waarin verweerder de WOZ-waarde heeft vastgesteld inzake het object gelegen aan de [adres] te [gemeente] .
Verweerder heeft op 25 april 2025 alsnog op het bezwaar beslist. Verweerder heeft tevens een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft het beroep niet ingetrokken.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De beslistermijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar in zaken als deze is geregeld in artikel 236 van de Gemeentewet. Volgens het tweede lid van dit artikel moet de heffingsambtenaar in dit geval op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Het bezwaarschrift is ingediend op 10 juli 2024. Dat betekent dat de beslistermijn is geëindigd op 31 december 2024.
2. Eiseres heeft verweerder bij brief van 18 februari 2025 in gebreke gesteld. Eiseres heeft op 14 april 2025, meer dan twee weken nadat zij verweerder in gebreke heeft gesteld, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
3. Op 25 april 2025 heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist. Verder heeft verweerder op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een dwangsom aan eiseres toegekend. Gelet op het voorgaande heeft eiseres geen belang meer bij haar beroep vanwege niet tijdig beslissen. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
4. Tussen partijen is uitsluitend nog de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding in geschil. Meer specifiek is in geschil of artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van toepassing is op het beroep wegens niet tijdig beslissen.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding van
€ 453,50. Artikel 30a van de Wet WOZ is volgens eiseres niet op dit beroep van toepassing, omdat het een beroep niet tijdig beslissen betreft dat is ingediend op basis van de Awb. Er is volgens eiseres geen sprake van het uitlokken van fouten of onnodig doorprocederen. Eiseres betoogt verder dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat er sprake is van discriminatie. Eiseres is van mening dat de extra wegingsfactor de toegang tot de rechter beperkt en dat de beleidsruimte van de wetgever niet zo ver strekt.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 45,35. Volgens verweerder vindt artikel 30a van de Wet WOZ ook toepassing op een beroep wegens niet tijdig beslissen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de Memorie van Toelichting bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3), de uitspraak van de Hoge Raad van 31 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:155) en de conclusie van advocaat-generaal Wattel bij deze uitspraak (ECLI:NL:PHR:2024:1340).
5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:2 van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit.
6. Artikel 30a van de Wet WOZ luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“2. In geval van een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (…) wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2, van de Gemeentewet of een daarmee verband houdend besluit, het bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten vermenigvuldigd met:
a. 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd;
b. 0,10 in alle overige gevallen .”
7. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op artikel 6:2 van de Awb sprake van een beroep betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens de Wet WOZ en is daarmee artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing.
8. Het is de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen.
9. Voor zover eiseres betoogt dat artikel 30a van de Wet WOZ in strijd is met het discriminatieverbod kan de rechtbank haar niet volgen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46) immers geoordeeld dat de beperkingen in de proceskostenvergoedingen voor WOZ- en BPM-zaken niet in strijd zijn met het discriminatieverbod en het Unierecht. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. De wetgever is, anders dan eiseres betoogt, binnen zijn beoordelingsmarge gebleven.
10. Het voorgaande brengt mee dat artikel 30a van de Wet WOZ dient te worden toegepast in deze zaak.
11. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onderhavige situatie, waarin het procesbelang hangende de beroepsprocedure is komen te ontvallen doordat verweerder alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan, gelijkgesteld te worden met de situatie waarin een bestreden besluit door de rechtbank wordt vernietigd of gewijzigd als bedoeld in artikel 30a lid 2 onderdeel a van de Wet WOZ. Ten tijde van het instellen van het beroep was verweerder immers in gebreke een besluit te nemen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 114 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 0,5 (licht) en een vermenigvuldigingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep in verband met het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 114, en
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).