De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 februari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van de invoer van bijna één kilogram cocaïne in Nederland. Op 26 oktober 2024 werd bij de koerier, medeverdachte 1, op Schiphol de cocaïne aangetroffen. Verdachte speelde een organiserende en faciliterende rol bij de smokkel, onder meer door contact te onderhouden met de koerier en medeverdachten, het regelen van geld en vervoer.
De verdediging stelde dat de rol van verdachte minimaal was en slechts bestond uit voorbereidingshandelingen, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van bewijsmiddelen en omstandigheden. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen opzettelijk de cocaïne heeft ingevoerd.
De strafrechtelijke kwalificatie luidt medeplegen van een strafbaar feit ingevolge de Opiumwet. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarbij rekening is gehouden met het strafblad van verdachte en de ernst van het feit. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.
De straf is onvoorwaardelijk en zal worden uitgevoerd in een penitentiaire inrichting, met mogelijkheid tot deelname aan een penitentiair programma. De rechtbank volgde de LOVS-oriëntatiepunten voor daders met een organiserende rol bij invoer van verdovende middelen.