ECLI:NL:RBNHO:2025:13934

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
15-073264-24 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van diefstal onder bedreiging van geweld door een mes te tonen en het voorhanden hebben van een boksbeugel door een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 9 oktober 2025 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een minderjarige verdachte. De verdachte, die ten tijde van het bewezenverklaarde feit nog geen 14 jaar oud was, is beschuldigd van diefstal onder bedreiging van geweld en het voorhanden hebben van een boksbeugel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 29 december 2023 samen met anderen een helm heeft weggenomen van een benadeelde partij, waarbij hij een mes heeft getoond en heeft gedreigd met geweld. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangever als betrouwbaar beoordeeld, en op basis van de bewijsmiddelen in het dossier is de verdachte schuldig bevonden aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toegewezen, waarbij de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte aansprakelijk is gesteld voor de schade. De rechtbank heeft een taakstraf van 60 uren opgelegd, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. De rechtbank heeft geen schadevergoedingsmaatregel opgelegd, omdat de wettelijk vertegenwoordiger aansprakelijk is voor de schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15-073264-24 (P)
Uitspraakdatum: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 25 september 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] , en van wat de verdachte en zijn advocaat, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, en [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de GI] namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 29 december 2023 te [plaats] , aan de openbare weg, te weten ter hoogte van [adres] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde partij] aan te spreken en/of
- een mes aan die [benadeelde partij] te tonen en/of
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen 'je mag de helm inleveren' en/of
- daarbij (opnieuw) een mes aan die [benadeelde partij] te tonen en/of
- vervolgens de helm uit de handen van die [benadeelde partij] te trekken/pakken en/of
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen 'heb je iets om met de helm te ruilen? heb je cash?', althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- daarbij (opnieuw) een mes aan die [benadeelde partij] te tonen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 december 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een helm, althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans
redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Feit 2:
Hij op of omstreeks 15 april 2025 te Haarlem, een wapen, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte medeverantwoordelijk is voor de diefstal van de helm maar dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde ‘dreigen met geweld’. De verdachte ontkent dat hij een mes bij zich droeg. Alleen de aangever benoemt de aanwezigheid van een mes bij de verdachte. De verdachte was er bovendien niet van op de hoogte dat één van de medeverdachten een mes bij zich droeg en kan hier niet medeverantwoordelijk voor worden geacht.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Feit 1 primair:
Uit de aangifte en de verklaring van de verdachte ter zitting, leidt de rechtbank af dat de verdachte op 29 december 2023 met nog twee andere personen aanwezig is geweest op station [station] te [plaats] .
Aangever [benadeelde partij] is daar op enig moment aangesproken door een persoon die wordt aangeduid als ‘ [naam] ’. Volgens de aangever had deze persoon een sjaal om zijn nek, heeft deze persoon aan de aangever een mes getoond en gezegd: “je mag de helm inleveren”. ‘ [naam] ’ heeft vervolgens de helm van aangever afgepakt. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat de verdachte ‘ [naam] ’ is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van aangever [benadeelde partij] betrouwbaar is nu deze op belangrijke punten wordt ondersteund door de verdere inhoud van het dossier. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan wat de aangever heeft verklaard over het tonen van een mes door de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd en dat hij daarbij heeft gedreigd met geweld door onder andere een mes te tonen aan de aangever.
Het scenario, waarin de verdachte stelt dat hij door een onbekende man is aangesproken en de opdracht zou hebben gekregen om de helm af te pakken, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier en de rechtbank zal hiermee dan ook geen rekening houden bij de verdere beoordeling van de zaak.
Feit 2:
De rechtbank stelt vast dat tijdens een fouillering bij de verdachte een boksbeugel is aangetroffen. De verdachte heeft ook bekend dat hij het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1 primair:
hij op 29 december 2023 te [plaats] , aan de openbare weg, te weten ter hoogte van [adres] ,
tezamen en in vereniging met een ander een helm, die aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde partij] aan te spreken en
- een mes aan die [benadeelde partij] te tonen en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen 'je mag de helm inleveren' en
- daarbij (opnieuw) een mes aan die [benadeelde partij] te tonen en
- vervolgens de helm uit de handen van die [benadeelde partij] te trekken/pakken en
- tegen die [benadeelde partij] te zeggen 'heb je iets om met de helm te ruilen? heb je cash?', althans woorden van gelijke aard of strekking en
- daarbij (opnieuw) een mes aan die [benadeelde partij] te tonen.
Feit 2:
hij op 15 april 2025 te Haarlem, een wapen, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden. Daarnaast heeft de verdachte vanaf begin maart 2024 strenge schorsingsvoorwaarden gehad waar hij zich goed aan heeft gehouden. Tot slot wijst de verdediging erop dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De verdediging heeft bepleit de verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 60 uren, met aftrek, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
de aard en de ernst van het bewezenverklaarde
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.
Op 29 december 2023 is de verdachte met de twee medeverdachten per trein gereisd naar station [station] , alwaar hij na aankomst een capuchon op heeft gezet en zijn gezicht heeft bedekt met een sjaal. Aangever [benadeelde partij] en een vriend waren op dat moment in de fietsenstalling, gelegen naast het station. Daar heeft de verdachte [benadeelde partij] aangesproken, hem een mes getoond en vervolgens de helm van [benadeelde partij] afgepakt. Ook door een medeverdachte is een mes getoond aan het slachtoffer en zijn vriend. Dit is voor het slachtoffer heel beangstigend geweest. Hij kon immers op dat moment niet inschatten of de verdachte het mes ook daadwerkelijk zou gebruiken. Dat dit gebeurde op een openbare plek, waar normaal gesproken veel reizigers komen, maakt het naar het oordeel van de rechtbank extra kwalijk. Dergelijke delicten veroorzaken immers ook een grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk en acht hem hier verantwoordelijk voor.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 15 april 2025 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel. Dit is een verboden wapen. Het is bekend dat het bij zich dragen van een dergelijk wapen kan leiden tot het gemakkelijk gebruik ervan, wat weer kan leiden tot ernstig letsel.
de persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte op 28 mei 2024 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor overtreding van de Wet wapens en munitie, maar verder niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 18 september 2025 van [raadsonderzoeker] en [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoekers verbonden aan de Raad. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf met een proeftijd van één jaar onder de algemene voorwaarde dat de minderjarige zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
De zittingsvertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De verdachte is tijdens de begeleiding altijd goed in contact geweest. Gelet op de proceshouding van de verdachte en het delict waarvan hij wordt verdacht ziet de zittingsvertegenwoordiger, in afwijking van het advies van de Raad, aanleiding om wel bijzondere voorwaarden te adviseren. De verdachte zou erbij zijn gebaat om mee te werken aan begeleiding door de jeugdreclassering en aan dagbesteding. De jeugdreclassering verwacht daarnaast dat de verdachte en zijn moeder onvoldoende in staat zijn om zelf een coachingstraject voor de verdachte op te pakken.
De zittingsvertegenwoordiger van de Raad heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de jeugdreclassering en het advies gewijzigd, in die zin dat geadviseerd wordt om bijzondere voorwaarden op te leggen in de vorm van een meldplicht en dagbesteding.
De Raad acht het van belang dat de verdachte dat wat hij bij De Waag heeft geleerd, ook daadwerkelijk toepast. Volgens de Raad ontbreekt het bij de verdachte, zo is ook tijdens de zitting gebleken, aan inlevingsvermogen voor het slachtoffer van de diefstal met geweld. Er zijn bovendien nog zorgen over de ontwikkeling van de verdachte.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
De verdachte heeft zijn aandeel in de straatroof deels ontkent. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen volledige openheid van zaken gegeven. Ook is niet gebleken dat de verdachte begrip heeft voor het leed en het gevoel van onveiligheid dat het slachtoffer aan de straatroof heeft overgehouden. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte zijn behandeling bij De Waag heeft afgerond.
de strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 20 uren, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het ter zitting gewijzigde advies van de Raad te volgen en bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat deze taakstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 550,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk en met wettelijke rente dient te worden toegewezen.
De verdediging heeft erop gewezen dat bij een partiële vrijspraak ten aanzien van bedreiging met geweld, de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet voor de hand liggen. Mocht de rechtbank wel tot een veroordeling komen van de bedreiging met geweld, dan verzoekt de verdediging om het bedrag te matigen en de vordering hoofdelijk toe te wijzen.
De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
aansprakelijkheid
Omdat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde strafbare feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt, is op grond van de artikelen 6:164 en 6:169 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 51g, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte (zijn moeder) aansprakelijk voor de schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Als aansprakelijke partij dient de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte daarom aan de benadeelde partij bovengenoemd bedrag aan schadevergoeding te betalen.
De wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen nu daarvoor in de onderhavige situatie waarin de wettelijk vertegenwoordiger aansprakelijk is voor de geleden schade geen wettelijke grondslag bestaat.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, in de vorm van een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 30 dagen vervangende jeugddetentie.
Beveelt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot
20 (twintig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een
proeftijdvast van
één jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Bepaalt dat de werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dient te zijn voltooid.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van
€ 550,-, voor de immateriële schade, en veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de wettelijke vertegenwoordiger van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Lintjer, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. R.M. Verberne, rechters, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.S. van Lede – Terhaar sive Droste,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2025.
Mr. R.M. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.