3.3.3Bewijsmotivering feiten 1, 2, 4 en 5
Hieronder volgen de overwegingen van de rechtbank ter beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. De rechtbank doet eerst enkele algemene vaststellingen, daarna bespreekt zij de aan de verdachte toegeschreven telefoonnummers en vervolgens gaat zij per feit in op de bewijsmiddelen.
3.3.3.1 Algemeen
Op 4 september 2016, 22 september 2019, 29 juni 2022 en 26 september 2022 is door steeds andere koeriers cocaïne ingevoerd in Nederland. In alle gevallen zijn de koeriers van Paramaribo naar Schiphol gevlogen met in hun koffers cocaïne verstopt in zakken levensmiddelen.
In het onderzoek zijn onder meer de volgende telefoonnummers in beeld gekomen als betrokken bij de organisatie van deze drugstransporten:
+[telefoonnummer I]);
+[telefoonnummer II];
+[telefoonnummer III]
3.3.3.2 De gebruiker van de telefoonnummers
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van de hierboven genoemde telefoonnummers en zo ja, voor welke periode en tevens of de verdachte de enige gebruiker van die nummers was. De rechtbank betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft in verhoren vanaf 1 december 2022 ten aanzien van alle drie de hierboven genoemde telefoonnummers verklaard dat hij de gebruiker van die nummers is. Over de onder hem op 1 december 2022 inbeslaggenomen telefoons en de daarin gebruikte nummers, waaronder [telefoonnummer I], heeft de verdachte verklaard dat hij als enige de toegangscodes van de telefoons weet en de enige is die gebruik maakt van de telefoons.De in WhatsApp ingevoerde gebruikersnaam op één van die toestellen is ‘Don’. De verdachte heeft verklaard dat zijn naam [voornaam] door vrienden wordt afgekort tot ‘Don’.
De voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen bieden voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de verdachte ook al in de jaren voorafgaand aan zijn aanhouding in 2022 telkens de gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer I], [telefoonnummer III] en [telefoonnummer II].
Voor de nummers [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] zijn die aanknopingspunten de volgende. In 2015 heeft de verdachte nummer [telefoonnummer II] bij een getuigenverhoor door de Surinaamse politie opgegeven als zijn telefoonnummer. Daarnaast zijn [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] in de periode vanaf september 2018 allebei als contacten in telefoons van andere bij de smokkel van verdovende middelen betrokken personen aangetroffen, opgeslagen als ‘Don’. Bovendien komen de nummers [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] herhaaldelijk samen voor als contactpersoon in telefoons van dergelijke personen. Veelal zijn deze nummers gekoppeld aan de contactnaam ‘Don’, ‘Don1’ of ‘ Don2’. In de telefoons van meerdere koeriers zijn bovendien afbeeldingen van de verdachte aangetroffen.
Voor nummer [telefoonnummer III] zijn er de volgende aanknopingspunten. De verdachte heeft in 2022 verklaard dat hij dit nummer al zeker vijftien jaar gebruikt. Dit wordt onder meer bevestigd door meerdere transacties die in 2013 en 2014 bij Western Union zijn verricht. Bij deze transacties is de verdachte de verzender en is [telefoonnummer III] als zijn telefoonnummer opgegeven. Daarnaast staat nummer [telefoonnummer III] in de telefoon van een neef van de verdachte, samen met [telefoonnummer II], opgeslagen onder de naam ‘Don’. Het telefoonnummer [telefoonnummer I] staat opgeslagen als ‘Don2’.
Hoewel de verdachte bij verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar), de rechter-commissaris en de rechtbank meerdere keren in de gelegenheid is geweest een verklaring af te leggen over de verdenking en de door het onderzoeksteam van de Kmar aan hem toegeschreven telefoonnummers, heeft hij op geen enkel moment over enig hierboven genoemd telefoonnummer verklaard dat dit ook door anderen werd gebruikt. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen enkele grond om aan te nemen dat de telefoonnummers (ook) door anderen dan de verdachte werden gebruikt.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten dient te worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer I], [telefoonnummer II] en [telefoonnummer III].
3.3.3.3 Betrokkenheid verdachte bij feit 1
Op 29 juni 2022 hebben [koerier A] en [koerier B] vanuit Suriname bijna twaalf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. Bij de analyse van onder hen inbeslaggenomen telefoons is een onderling gesprek aangetroffen dat – gelet op het feit dat [koerier B] en [koerier A] enige tijd later inderdaad cocaïne naar Nederland hebben gesmokkeld – niet anders kan worden uitgelegd dan een gesprek over de (organisatie van) de voorgenomen smokkel van drugs naar Nederland. In dit gesprek komt meerdere keren de naam ‘Don’ naar voren, waarbij deze Don een organiserende rol heeft in de smokkel. Don gaat over het geld en moet voor vervoer vanaf Schiphol en verblijf zorgen. Na het passeren van de eindbalie van de Douane op Schiphol en kort voordat [koerier B] in een taxi stapt, belt zij naar Don.
Deze Don maakt, zo leidt de rechtbank af uit de chats en gesprekken op de telefoon van [koerier B], gebruik van nummer [telefoonnummer II]. In het bovenstaande is de verdachte als gebruiker van [telefoonnummer II] aangemerkt. Bovendien heeft hij verklaard dat hij contact met [koerier A] heeft gehad over het maken van deze reis van Suriname naar Nederland. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte de ‘Don’ is over wie [koerier A] en [koerier B] in relatie tot de smokkel praten en met wie zij contact hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de feiten en omstandigheden zoals daarvan blijkt uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen maar op één manier worden uitgelegd: de verdachte is als organisator betrokken geweest bij de invoer van cocaïne door [koerier B] en [koerier A]. Uit de chats komt naar voren dat de verdachte onder meer (hand)geld, reisdocumenten, en in Nederland het verblijf en vervoer regelt. De rechtbank acht de rol van de verdachte, gelet op het belang daarvan bij het organiseren van het drugstransport zoals blijkt uit de chat tussen [koerier B] en [koerier A], van dusdanig gewicht dat sprake is van medeplegen.
3.3.3.4 Betrokkenheid verdachte bij feit 2
Op 22 september 2019 heeft [koerier C] vanuit Suriname bijna vijf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. Bij de analyse van de onder [koerier C] inbeslaggenomen telefoon is een gesprek aangetroffen tussen haar en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer I]. Dit gesprek kan – mede gelet op het feit dat [koerier C] enige tijd later inderdaad cocaïne naar Nederland heeft gesmokkeld – niet anders worden uitgelegd dan een gesprek dat ging over de (organisatie van) de voorgenomen smokkel van drugs naar Nederland. Daarbij valt op dat de gebruiker van [telefoonnummer I] zorgt voor handgeld voor [koerier C], haar instrueert over de reisdatum, haar instructies geeft over de maat en inhoud van haar koffer en [koerier C] een foto laat sturen van die koffer. Omgekeerd ontvangt [telefoonnummer I] enkele dagen voor vertrek een foto van haar vliegticket naar Nederland. Op de telefoon van de afhaler van [koerier C], [naam afhaler A], is precies diezelfde foto van de koffer aangetroffen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gebruiker van [telefoonnummer I] deze foto heeft doorgestuurd aan (een) ander(en) binnen de drugsorganisatie, zodat de koffer op Schiphol kon worden herkend door de afhaler.
Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van [telefoonnummer I] een zeer grote rol heeft gespeeld in de organisatie van de invoer van cocaïne door [koerier C]. Die rol is van dusdanig gewicht dat de gebruiker van de [telefoonnummer I] als medepleger moet worden aangemerkt.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte destijds de gebruiker was van [telefoonnummer I]. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer I]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier C] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast de onder 3.3.3.2 genoemde feiten en omstandigheden, waaruit onder meer volgt dat derden het nummer [telefoonnummer I] zowel voor als na de invoer op 22 september 2019 als contact ‘Don’ hebben opgeslagen, weegt de rechtbank ook mee dat de feiten en omstandigheden van het onder 2 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.
3.3.3.5 Betrokkenheid verdachte bij feit 4
Op 26 september 2022 heeft [koerier E] vanuit Suriname bijna vijf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. [koerier E] heeft verklaard dat hij van ‘[naam A]’, een lid van de drugsorganisatie, had begrepen dat hij na aankomst op Schiphol door een persoon gebeld zou worden over de verdere aflevering van de drugs. Uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen volgt dat [koerier E] ongeveer twintig minuten na aankomst op Schiphol is gebeld door een anoniem nummer, dat na onderzoek het telefoonnummer [telefoonnummer III] blijkt te zijn geweest. Ruim een half uur later wordt [koerier E] opnieuw door [telefoonnummer III] gebeld. In het gesprek dat dan volgt, hoort [koerier E] dat de gebruiker van [telefoonnummer III] argwaan heeft en dat [koerier E] niet zal worden opgehaald van Schiphol. Bovendien geeft de gebruiker van [telefoonnummer III] instructies aan [koerier E] over waar hij heen moet gaan en wanneer weer contact met hem zal worden opgenomen.
Al met al stelt de rechtbank, gelet op deze feiten en omstandigheden, vast dat de gebruiker van [telefoonnummer III] een grote rol heeft gespeeld in de organisatie van de invoer van cocaïne door [koerier E]. Hij is immers degene die koerier [koerier E] meldt dat hij niet van Schiphol zal worden opgehaald en hoe het vervolgtraject eruit zal zien. Dit komt overeen met de verklaring van [koerier E], dat hij na aankomst op Schiphol gebeld zou worden over het vervolg van de smokkel. De rol van de gebruiker van [telefoonnummer III] is cruciaal: zonder zijn telefoontje weet de koerier immers niet waar hij heen moet om de cocaïne terug te geven aan de drugsorganisatie. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen door de gebruiker van [telefoonnummer III].
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte destijds de gebruiker was van [telefoonnummer III]. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer III]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier E] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast dat wat de rechtbank onder 3.3.3.2 heeft overwogen over het gebruik van [telefoonnummer III] door de verdachte, weegt de rechtbank ook mee dat de feiten en omstandigheden van het onder 4 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.
3.3.3.6 Betrokkenheid verdachte bij feit 5
Op 4 september 2016 hebben [koerier F] en [koerier G] vanuit Suriname in totaal ruim 13,5 kilo cocaïne Nederland ingevoerd. [koerier F] heeft verklaard dat de drugs in de koffers zijn geplaatst door een persoon die zij ‘Langa’ noemt en dat zij en [koerier G] van die Langa het geld voor de drugssmokkel zouden ontvangen. In de telefoon van [koerier G] staat het nummer [telefoonnummer II] opgeslagen onder de naam ‘Langa’. Met dat telefoonnummer heeft zij contact op de datum van de invoer. [koerier G] verklaart dat het ‘vrouwtje’ van Langa destijds zwanger was. De partner van de verdachte heeft kort na deze invoer een kind gekregen.
De rechtbank acht de rol van Langa bij de invoer van cocaïne in Nederland – met name gelet op de verstrekking daarvan aan de koeriers en het in het vooruitzicht stellen van een fors geldbedrag – van zodanig gewicht dat sprake is van medeplegen.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer II]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier F] en [koerier G] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast dat wat de rechtbank onder 3.3.3.2 heeft overwogen over het gebruik van [telefoonnummer II] door de verdachte, weegt de rechtbank ook mee het bovenstaande over de zwangerschap van de partner van de verdachte en dat de feiten en omstandigheden van het onder 5 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.