ECLI:NL:RBNHO:2025:13937

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
15/187250-22
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Organisatie van drugstransporten en uitvoer van verdovende middelen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij de invoer van ruim 35 kilo cocaïne in Nederland, verdeeld over vier momenten in de jaren 2016, 2019 en 2022. De verdachte speelde bij alle vier de drugstransporten een organiserende rol en was een onmisbare schakel in het proces. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van een kennelijke gebruikershoeveelheid MDMA, GHB en amfetamine. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 80 maanden, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De verdachte heeft zich op verschillende momenten op zijn zwijgrecht beroepen en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank heeft de rol van de verdachte in de georganiseerde drugshandel als ernstig beoordeeld, gezien de ontwrichtende invloed op de samenleving en de risico's die de koeriers liepen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en heeft de verbeurdverklaring van een in beslag genomen iPhone 13 bevolen, die gebruikt was bij de strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/187250-22 (P)
Uitspraakdatum: 27 november 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 november 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser en van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte, mr. J.T. Brassé, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat hij zich – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan:
 vijf keer het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland, op data gelegen in de periode 2016 tot en met 2022 te Suriname en/of Nederland (Schiphol), subsidiair telkens het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die invoer (feiten 1 tot en met 5 op de tenlastelegging);
 de uitvoer van MDMA, amfetamine en GHB uit Nederland, op 1 december 2022 te Schiphol (feit 6 op de tenlastelegging).
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage 1aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Ten aanzien van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw bepleit dat telkens niet is gebleken dat de verdachte enige rol heeft gespeeld bij het betreffende drugstransport. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw bij wijze van subsidiair standpunt bepleit dat de verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van de in de tenlastelegging genoemde
hoeveelheidcocaïne, nu er onduidelijkheid bestaat over de verdovende middelen die uit de koffer van betrokkene [koerier H] zouden zijn gekomen.
Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte al ‘achter de douane’ was, waardoor uitvoer niet kan worden bewezenverklaard. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft zij bepleit dat de verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van de uitvoer van de GHB, omdat de verdachte niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat hij deze drugs bij zich voerde.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 3Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3
Bewijsmotivering feiten 1, 2, 4 en 5
Hieronder volgen de overwegingen van de rechtbank ter beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. De rechtbank doet eerst enkele algemene vaststellingen, daarna bespreekt zij de aan de verdachte toegeschreven telefoonnummers en vervolgens gaat zij per feit in op de bewijsmiddelen.
3.3.3.1 Algemeen
Op 4 september 2016, 22 september 2019, 29 juni 2022 en 26 september 2022 is door steeds andere koeriers cocaïne ingevoerd in Nederland. In alle gevallen zijn de koeriers van Paramaribo naar Schiphol gevlogen met in hun koffers cocaïne verstopt in zakken levensmiddelen.
In het onderzoek zijn onder meer de volgende telefoonnummers in beeld gekomen als betrokken bij de organisatie van deze drugstransporten:
 +[telefoonnummer I]);
 +[telefoonnummer II];
 +[telefoonnummer III]
3.3.3.2 De gebruiker van de telefoonnummers
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van de hierboven genoemde telefoonnummers en zo ja, voor welke periode en tevens of de verdachte de enige gebruiker van die nummers was. De rechtbank betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft in verhoren vanaf 1 december 2022 ten aanzien van alle drie de hierboven genoemde telefoonnummers verklaard dat hij de gebruiker van die nummers is. Over de onder hem op 1 december 2022 inbeslaggenomen telefoons en de daarin gebruikte nummers, waaronder [telefoonnummer I], heeft de verdachte verklaard dat hij als enige de toegangscodes van de telefoons weet en de enige is die gebruik maakt van de telefoons. [1] De in WhatsApp ingevoerde gebruikersnaam op één van die toestellen is ‘Don’. De verdachte heeft verklaard dat zijn naam [voornaam] door vrienden wordt afgekort tot ‘Don’.
De voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen bieden voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de verdachte ook al in de jaren voorafgaand aan zijn aanhouding in 2022 telkens de gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer I], [telefoonnummer III] en [telefoonnummer II].
Voor de nummers [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] zijn die aanknopingspunten de volgende. In 2015 heeft de verdachte nummer [telefoonnummer II] bij een getuigenverhoor door de Surinaamse politie opgegeven als zijn telefoonnummer. Daarnaast zijn [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] in de periode vanaf september 2018 allebei als contacten in telefoons van andere bij de smokkel van verdovende middelen betrokken personen aangetroffen, opgeslagen als ‘Don’. Bovendien komen de nummers [telefoonnummer I] en [telefoonnummer II] herhaaldelijk samen voor als contactpersoon in telefoons van dergelijke personen. Veelal zijn deze nummers gekoppeld aan de contactnaam ‘Don’, ‘Don1’ of ‘ Don2’. In de telefoons van meerdere koeriers zijn bovendien afbeeldingen van de verdachte aangetroffen.
Voor nummer [telefoonnummer III] zijn er de volgende aanknopingspunten. De verdachte heeft in 2022 verklaard dat hij dit nummer al zeker vijftien jaar gebruikt. Dit wordt onder meer bevestigd door meerdere transacties die in 2013 en 2014 bij Western Union zijn verricht. Bij deze transacties is de verdachte de verzender en is [telefoonnummer III] als zijn telefoonnummer opgegeven. Daarnaast staat nummer [telefoonnummer III] in de telefoon van een neef van de verdachte, samen met [telefoonnummer II], opgeslagen onder de naam ‘Don’. Het telefoonnummer [telefoonnummer I] staat opgeslagen als ‘Don2’.
Hoewel de verdachte bij verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar), de rechter-commissaris en de rechtbank meerdere keren in de gelegenheid is geweest een verklaring af te leggen over de verdenking en de door het onderzoeksteam van de Kmar aan hem toegeschreven telefoonnummers, heeft hij op geen enkel moment over enig hierboven genoemd telefoonnummer verklaard dat dit ook door anderen werd gebruikt. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen enkele grond om aan te nemen dat de telefoonnummers (ook) door anderen dan de verdachte werden gebruikt.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten dient te worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer I], [telefoonnummer II] en [telefoonnummer III].
3.3.3.3 Betrokkenheid verdachte bij feit 1
Op 29 juni 2022 hebben [koerier A] en [koerier B] vanuit Suriname bijna twaalf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. Bij de analyse van onder hen inbeslaggenomen telefoons is een onderling gesprek aangetroffen dat – gelet op het feit dat [koerier B] en [koerier A] enige tijd later inderdaad cocaïne naar Nederland hebben gesmokkeld – niet anders kan worden uitgelegd dan een gesprek over de (organisatie van) de voorgenomen smokkel van drugs naar Nederland. In dit gesprek komt meerdere keren de naam ‘Don’ naar voren, waarbij deze Don een organiserende rol heeft in de smokkel. Don gaat over het geld en moet voor vervoer vanaf Schiphol en verblijf zorgen. Na het passeren van de eindbalie van de Douane op Schiphol en kort voordat [koerier B] in een taxi stapt, belt zij naar Don.
Deze Don maakt, zo leidt de rechtbank af uit de chats en gesprekken op de telefoon van [koerier B], gebruik van nummer [telefoonnummer II]. In het bovenstaande is de verdachte als gebruiker van [telefoonnummer II] aangemerkt. Bovendien heeft hij verklaard dat hij contact met [koerier A] heeft gehad over het maken van deze reis van Suriname naar Nederland. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte de ‘Don’ is over wie [koerier A] en [koerier B] in relatie tot de smokkel praten en met wie zij contact hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de feiten en omstandigheden zoals daarvan blijkt uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen maar op één manier worden uitgelegd: de verdachte is als organisator betrokken geweest bij de invoer van cocaïne door [koerier B] en [koerier A]. Uit de chats komt naar voren dat de verdachte onder meer (hand)geld, reisdocumenten, en in Nederland het verblijf en vervoer regelt. De rechtbank acht de rol van de verdachte, gelet op het belang daarvan bij het organiseren van het drugstransport zoals blijkt uit de chat tussen [koerier B] en [koerier A], van dusdanig gewicht dat sprake is van medeplegen.
3.3.3.4 Betrokkenheid verdachte bij feit 2
Op 22 september 2019 heeft [koerier C] vanuit Suriname bijna vijf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. Bij de analyse van de onder [koerier C] inbeslaggenomen telefoon is een gesprek aangetroffen tussen haar en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer I]. Dit gesprek kan – mede gelet op het feit dat [koerier C] enige tijd later inderdaad cocaïne naar Nederland heeft gesmokkeld – niet anders worden uitgelegd dan een gesprek dat ging over de (organisatie van) de voorgenomen smokkel van drugs naar Nederland. Daarbij valt op dat de gebruiker van [telefoonnummer I] zorgt voor handgeld voor [koerier C], haar instrueert over de reisdatum, haar instructies geeft over de maat en inhoud van haar koffer en [koerier C] een foto laat sturen van die koffer. Omgekeerd ontvangt [telefoonnummer I] enkele dagen voor vertrek een foto van haar vliegticket naar Nederland. Op de telefoon van de afhaler van [koerier C], [naam afhaler A], is precies diezelfde foto van de koffer aangetroffen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gebruiker van [telefoonnummer I] deze foto heeft doorgestuurd aan (een) ander(en) binnen de drugsorganisatie, zodat de koffer op Schiphol kon worden herkend door de afhaler.
Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van [telefoonnummer I] een zeer grote rol heeft gespeeld in de organisatie van de invoer van cocaïne door [koerier C]. Die rol is van dusdanig gewicht dat de gebruiker van de [telefoonnummer I] als medepleger moet worden aangemerkt.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte destijds de gebruiker was van [telefoonnummer I]. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer I]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier C] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast de onder 3.3.3.2 genoemde feiten en omstandigheden, waaruit onder meer volgt dat derden het nummer [telefoonnummer I] zowel voor als na de invoer op 22 september 2019 als contact ‘Don’ hebben opgeslagen, weegt de rechtbank ook mee dat de feiten en omstandigheden van het onder 2 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.
3.3.3.5 Betrokkenheid verdachte bij feit 4
Op 26 september 2022 heeft [koerier E] vanuit Suriname bijna vijf kilo cocaïne Nederland ingevoerd. [koerier E] heeft verklaard dat hij van ‘[naam A]’, een lid van de drugsorganisatie, had begrepen dat hij na aankomst op Schiphol door een persoon gebeld zou worden over de verdere aflevering van de drugs. Uit de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen volgt dat [koerier E] ongeveer twintig minuten na aankomst op Schiphol is gebeld door een anoniem nummer, dat na onderzoek het telefoonnummer [telefoonnummer III] blijkt te zijn geweest. Ruim een half uur later wordt [koerier E] opnieuw door [telefoonnummer III] gebeld. In het gesprek dat dan volgt, hoort [koerier E] dat de gebruiker van [telefoonnummer III] argwaan heeft en dat [koerier E] niet zal worden opgehaald van Schiphol. Bovendien geeft de gebruiker van [telefoonnummer III] instructies aan [koerier E] over waar hij heen moet gaan en wanneer weer contact met hem zal worden opgenomen.
Al met al stelt de rechtbank, gelet op deze feiten en omstandigheden, vast dat de gebruiker van [telefoonnummer III] een grote rol heeft gespeeld in de organisatie van de invoer van cocaïne door [koerier E]. Hij is immers degene die koerier [koerier E] meldt dat hij niet van Schiphol zal worden opgehaald en hoe het vervolgtraject eruit zal zien. Dit komt overeen met de verklaring van [koerier E], dat hij na aankomst op Schiphol gebeld zou worden over het vervolg van de smokkel. De rol van de gebruiker van [telefoonnummer III] is cruciaal: zonder zijn telefoontje weet de koerier immers niet waar hij heen moet om de cocaïne terug te geven aan de drugsorganisatie. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen door de gebruiker van [telefoonnummer III].
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte destijds de gebruiker was van [telefoonnummer III]. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer III]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier E] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast dat wat de rechtbank onder 3.3.3.2 heeft overwogen over het gebruik van [telefoonnummer III] door de verdachte, weegt de rechtbank ook mee dat de feiten en omstandigheden van het onder 4 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.
3.3.3.6 Betrokkenheid verdachte bij feit 5
Op 4 september 2016 hebben [koerier F] en [koerier G] vanuit Suriname in totaal ruim 13,5 kilo cocaïne Nederland ingevoerd. [koerier F] heeft verklaard dat de drugs in de koffers zijn geplaatst door een persoon die zij ‘Langa’ noemt en dat zij en [koerier G] van die Langa het geld voor de drugssmokkel zouden ontvangen. In de telefoon van [koerier G] staat het nummer [telefoonnummer II] opgeslagen onder de naam ‘Langa’. Met dat telefoonnummer heeft zij contact op de datum van de invoer. [koerier G] verklaart dat het ‘vrouwtje’ van Langa destijds zwanger was. De partner van de verdachte heeft kort na deze invoer een kind gekregen.
De rechtbank acht de rol van Langa bij de invoer van cocaïne in Nederland – met name gelet op de verstrekking daarvan aan de koeriers en het in het vooruitzicht stellen van een fors geldbedrag – van zodanig gewicht dat sprake is van medeplegen.
Onder 3.3.3.2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte in algemene zin kan worden aangemerkt als de gebruiker van [telefoonnummer II]. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier geen enkele grond om aan te nemen dat het nummer rond de invoer door [koerier F] en [koerier G] door een ander dan de verdachte zou zijn gebruikt. Naast dat wat de rechtbank onder 3.3.3.2 heeft overwogen over het gebruik van [telefoonnummer II] door de verdachte, weegt de rechtbank ook mee het bovenstaande over de zwangerschap van de partner van de verdachte en dat de feiten en omstandigheden van het onder 5 bewezenverklaarde feit passen bij de overige feiten die de verdachte worden verweten.
3.3.4
Bewijsmotivering feit 6
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 1 december 2022 is aangehouden op de luchthaven Schiphol. De verdachte had op dat moment een instapkaart voor een vlucht naar Suriname in zijn bezit en was dus ingecheckt voor deze vlucht, die kort na zijn aanhouding gepland stond voor vertrek. De verdachte had blijkens een bijpassende claimtag ook zijn koffer ingecheckt, waarin later de flesjes met GHB, amfetamine en MDMA werden aangetroffen. In de handbagage die de verdachte bij zich had toen hij werd gecontroleerd, is later MDMA aangetroffen. De verdachte heeft zijn paspoort aangeboden bij medewerkers van de grensbewaking van de Koninklijke Marechaussee om te kunnen uitreizen. Gelet op deze feiten en omstandigheden en de gebruikelijke gang van zaken op een luchthaven, heeft de rechtbank geen twijfel dat als de verdachte niet zou zijn aangehouden, hij in het vliegtuig naar Suriname zou zijn gestapt. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een voltooide uitvoer van de in de ruim- en handbagage van de verdachte aanwezige verdovende middelen. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsvrouw, dat nog geen sprake was van uitvoer.
Ook het subsidiaire standpunt van de raadsvrouw, inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van harddrugs in de flesjes in zijn ruimbagage, wordt verworpen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een passagier die per vliegtuig een bagagestuk met zich voert, bekend kan worden verondersteld met en verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn bagage. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan opzet van de uitvoer, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. De verdachte heeft enkel verklaard dat hij wist dat van de aanwezigheid van de flesjes, maar dat hij dacht dat de inhoud daarvan geen harddrugs betrof. Er zou alcohol dan wel een soort viagra in zitten, voor eigen gebruik. De verdachte wist dus dat hij flesjes bij zich had met onzekere inhoud en heeft elk onderzoek aan de inhoud kennelijk nagelaten. De verdachte heeft hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de flesjes verdovende middelen bevatten. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte opzet, minst genomen in voorwaardelijke zin, had op de uitvoer van de in de flesjes aanwezige harddrugs.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op 29 juni 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen (te weten: [koerier A] en [koerier B]), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 11976,4 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agar Dessert Mix’);
2.
hij op 22 september 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander (te weten: [koerier C]), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 4965,9 gram, verstopt in verpakkingen ‘Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agar Dessert Mix’ en/of ‘Phoelawrie Pakora Mix’);
4.
hij op 26 september 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander (te weten: [koerier E]), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 4983,3 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Knorr Kingsford’s Corn Starch’);
5.
hij op 4 september 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen (te weten: [koerier F] en [koerier G]), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten resp. 6584,5 en 7062,5 gram, verstopt in verpakkingen voedingswaren);
6.
hij op 1 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid MDMA (3,4-methyleendioxyrriethamfetamin) en amfetamine en GHB (4-hydroxyboterzuur).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 primair, 2 primair, 4 primair en 5 primair, telkens:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 6:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van 84 maanden in beginsel passend en geboden is, maar dat compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn dient plaats te vinden. Immers, de redelijke termijn van twee jaren is overschreden met bijna een jaar. Met betrekking tot de mate van compensatie voor die overschrijding heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding deels voor rekening van de verdediging komt door eerst het uitblijven van een opgave van onderzoekswensen en vervolgens de uitvoering van de getuigenverzoeken. De compensatie in strafmaat voor de overschrijding van de redelijke termijn dient dan ook niet meer dan 5% te zijn.
Als bijkomende straf heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen iPhone 13 zal worden verbeurdverklaard.
6.2
Standpunt van de verdediging
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsvrouw het volgende bepleit.
De redelijke termijn, die in deze zaak op zestien maanden moet worden bepaald, is overschreden met meer dan anderhalf jaar. Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op persoonlijke omstandigheden van de verdachte en op uitspraken van deze rechtbank en andere gerechten.
Met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw verzocht om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), nu het niet gaat om uitvoer van verdovende middelen voor handel, maar voor eigen gebruik.
De raadsvrouw heeft verzocht om alle onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen aan hem terug te geven.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Op vier momenten, in de jaren 2016, 2019 en 2022, hebben verschillende koeriers in totaal ruim 35 kilo cocaïne vanuit Suriname naar Nederland gesmokkeld. Bij ieder transport betrof het zo’n grote hoeveelheid, dat de cocaïne bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft bij alle vier de drugstransporten een organiserende rol gespeeld en was telkens een onmisbare schakel. De verdachte heeft iedere keer anderen als koerier ingezet voor zijn eigen financiële gewin. De verdachte liep op die manier een aanzienlijk minder risico dan de koeriers die hij inzette. De rechtbank acht het schrijnend dat op basis van het procesdossier een beeld ontstaat van een verdachte die zelf een luxe leven leidde, terwijl hij de koeriers bij de drugstransporten een groot risico liet lopen.
De georganiseerde invoer van en handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaat veel geld in om, waardoor de financiële belangen vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld niet geschuwd. Daarnaast gaat er van de georganiseerde drugshandel een ondermijnend effect uit. Crimineel geld wordt geïnvesteerd in legale activiteiten en medewerkers van bijvoorbeeld op zichzelf bonafide bedrijven en zelfs van opsporingsinstanties worden omgekocht en ingezet voor de handel in drugs. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving aan en ondermijnen daarmee de democratische rechtsstaat. Verder geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten als winkeldiefstallen en woninginbraken terug te leiden zijn tot de behoefte aan drugs bij verslaafden. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde invoer van cocaïne lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting waaraan de verdachte (in)direct heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van een kennelijke gebruikershoeveelheid MDMA, GHB en amfetamine.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staande strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 4 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2011 voor een opiumdelict onherroepelijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Gelet op het tijdsverloop sinds die veroordeling, weegt de rechtbank die veroordeling niet in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Hij heeft zich op inhoudelijke vragen grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Bovendien is hij, in strijd met de gestelde voorwaarden, na schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis naar Suriname gereisd. Hierna is de schorsing opgeheven. De verdachte was niet aanwezig bij de inhoudelijke behandeling van deze zaak. Aldus onttrekt hij zich aan bevel voorlopige hechtenis.
LOVS-oriëntatiepunten en jurisprudentie
De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten. Daarbij heeft zij in het bijzonder gekeken naar het gewicht van de ingevoerde cocaïne en de rol van de verdachte in de organisatie (categorie 2). Ook heeft de rechtbank gelet op de straffen die zij in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.
De raadsvrouw heeft onder meer gewezen op een vonnis van rechtbank Rotterdam, waarin een gevangenisstraf van zeven jaren is opgelegd voor de invoer van ruim 7000 kilo cocaïne. [2] De rechtbank leidt uit genoemd vonnis af dat de cocaïne in die zaak in één transport in een containerschip is ingevoerd in Nederland. Over de vergelijking met dit vonnis en dit type zaken in het algemeen, overweegt de rechtbank het volgende.
In de Rotterdamse zaak is sprake geweest van één invoer van genoemd gewicht, in een containerschip. In de onderhavige zaak is sprake geweest van meerdere drugstransporten en meerdere koeriers die op een zeer risicovolle manier voor het financiële gewin van de verdachte zijn ingezet. Het gaat dus om een ander soort invoer, met een heel andere impact op de diverse betrokkenen, waarbij de door de verdachte ingezette drugskoeriers reeds zijn veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. De vergelijking met een enkele grote invoer per containerschip gaat dan ook niet op. Daar komt bij dat in de genoemde zaak procesafspraken zijn gemaakt, wat in de onderhavige zaak niet aan de orde is.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte moet als zo'n handeling worden aangemerkt. De verdachte is op 1 december 2022 in verzekering gesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het uitgangspunt niet een redelijke termijn van zestien maanden, nu de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeert.
In de omvang en complexiteit van het onderzoek, waaronder ook begrepen het aantal strafbare feiten en het aantal door de rechter-commissaris gehoorde getuigen, ziet de rechtbank aanleiding de redelijke termijn in de onderhavige zaak te bepalen op tweeënhalf jaar. Een eindvonnis had dus uiterlijk op 1 juni 2025 gewezen moeten zijn. Het eindvonnis wordt echter gewezen op 27 november 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden met ongeveer zes maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 84 maanden passend en geboden, maar zij zal deze vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met circa 5% matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 maanden.
Conclusie en tenuitvoerlegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 80 maanden moet worden opgelegd.
6.4
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven iPhone 13 dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met behulp van die iPhone, die aan de verdachte toebehoorde, is begaan of voorbereid. In deze iPhone werd telefoonnummer [telefoonnummer I] gebruikt. Deze iPhone staat op de beslaglijst vermeld onder nummer 24.
7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven iPhone 13 mini en simkaarten moeten worden teruggegeven aan de verdachte. Deze voorwerpen staan op de beslaglijst vermeld onder nummers 23, 25, 26 en 27.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair en 6 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
80 (tachtig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
 het op de beslaglijst onder 24 vermelde voorwerp, te weten een GSM (omschrijving: PL2700-22-107549-2, Apple).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
 het op de beslaglijst onder 23 vermelde voorwerp, te weten een GSM (omschrijving: PL2700-22-107549-1, Apple);
 het op de beslaglijst onder 25 vermelde voorwerp, te weten een simkaart (omschrijving: PL2700-22-107549-3, Lycamobile);
 het op de beslaglijst onder 26 vermelde voorwerp, te weten een simkaart (omschrijving: PL2700-22-l07549-4, Digicel);
 het op de beslaglijst onder 27 vermelde voorwerp, te weten een simkaart (omschrijving: PL2700-22-107549-7, Digicel).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 november 2025.
Bijlage 1 – De tenlastelegging

1.

Zaaksdossier B1

hij op of omstreeks 29 juni 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten: [koerier A] en/of [koerier B]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 11976,4 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agard Desert Mix’, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juni 2022 tot en met 29 juni 2022 te Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten: [koerier A] en/of [koerier B]), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (te weten 11976,4 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agard Desert Mix’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe
- met die [koerier A] en/of [koerier B] en/of een of meer anderen afspraken gemaakt en/of instructies gegeven omtrent de invoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- de koffers en/of voornoemde hoeveelheid cocaïne aan die [koerier A] en/of [koerier B] verstrekt en/of laten verstrekken en/of
- een geldbedrag/vergoeding aan die [koerier A] en/of [koerier B] ter beschikking gesteld/afgegeven en/of
- de reis en/of de vliegtickets van/voor die [koerier A] en/of [koerier B] geboekt en/of betaald en/of
- het verblijf (te Nederland) voor die [koerier A] en/of [koerier B] geregeld en/of
- ( telefonisch) contact onderhouden met die [koerier A] en/of [koerier B] en/of
- ( telefonisch) afspraken gemaakt en/of instructies gegeven aan die [koerier A] en/of [koerier B] omtrent het vervoeren en/of afleveren van die cocaïne en/of
- een taxi geregeld (teneinde die [koerier A] en/of [koerier B] en de cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren en/of af te leveren;

2.

Zaaksdossier B2

hij op of omstreeks 22 september 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten: [koerier C]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 4965,9 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agard Desert Mix’ en/of ‘Phoelawrie Pakora Mix’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2019 tot en met 22 september 2019 te Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten: [koerier C]), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (te weten 4965,9 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Agard Desert Mix’ en/of ‘Phoelawrie Pakora Mix’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe
- die [koerier C] benaderd en/of gevraagd om (verpakkingen voeding met daarin verstopt) cocaïne naar Nederland te smokkelen en/of
- die [koerier C] daarbij een geldbedrag/vergoeding in het vooruitzicht gesteld en/of
- met [koerier C] en/of een of meer anderen afspraken gemaakt en/of instructies gegeven omtrent de invoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- voornoemde hoeveelheid cocaïne aan die [koerier C] verstrekt en/of laten verstrekken en/of
- een geldbedrag/vergoeding aan die [koerier C] ter beschikking gesteld/afgegeven en/of
- de reis en/of de vliegtickets van/voor die [koerier C] geboekt en/of betaald en/of
-(telefonisch) contact onderhouden met die [koerier C] en/of
- een foto van die [koerier C] gemaakt en/of verstuurd (op basis waarvan zij in Nederland door een afhaler zou worden herkend) en/of
-(telefonisch) afspraken gemaakt en/of instructies gegeven aan die [koerier C] omtrent het vervoeren en/of afleveren van die cocaïne;

3.

Zaaksdossier B3

hij op of omstreeks 14 oktober 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten: [koerier D]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 6980,1 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2022 tot en met 14 oktober 2022 te Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten: [koerier D]), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (te weten 6980,1 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe
- die [koerier D] benaderd en/of gevraagd om (verpakkingen voeding met daarin verstopt) cocaïne naar Nederland te smokkelen en/of
- die [koerier D] daarbij een geldbedrag/vergoeding in het vooruitzicht gesteld en/of
- met [koerier D] en/of een of meer anderen afspraken gemaakt en/of instructies gegeven omtrent de invoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- voornoemde hoeveelheid cocaïne aan die [koerier D] verstrekt en/of laten verstrekken en/of
-(telefonisch) afspraken gemaakt en/of instructies gegeven aan die [koerier D] omtrent het vervoeren en/of afleveren van die cocaïne en/of
- gereisd op dezelfde vlucht als die van [koerier D] en/of
- die [koerier D] in het vliegtuig en/of op Schiphol in de gaten gehouden en/of
- een taxi geregeld (teneinde [koerier D] en de cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren);

4.

Zaaksdossier B4

hij op of omstreeks 26 september te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten: [koerier E]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten 4983,3 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Knorr Kingsford’s Corn Starch’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 24 september tot en met 26 september 2022 te Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten: [koerier E]), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (te weten 4983,3 gram, verstopt in verpakkingen ‘Incolac Full Cream Milk Powder’ en/of ‘Knorr Kingsford’s Corn Starch’), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe
- die [koerier E] benaderd en/of gevraagd om (verpakkingen voeding met daarin verstopt) cocaïne naar Nederland te vervoeren en/of
- met die [koerier E] en/of een of meer anderen afspraken gemaakt en/of instructies gegeven omtrent de invoer van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- voornoemde hoeveelheid cocaïne aan die [koerier E] verstrekt en/of laten verstrekken en/of
- die [koerier E] (die zich op dat moment op Schiphol bevond) gebeld (teneinde verdere instructies te geven omtrent het verdere vervoer en/of de afgifte van voornoemde hoeveelheid cocaïne);

5.

Zaaksdossier B5

hij op of omstreeks 04 september 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (te weten: [koerier F] en/of [koerier G]), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (te weten resp. 6584,4 en 7062,5 gram, verstopt in verpakkingen voedingswaren), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2016 tot en met 04 september 2016 te Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten: [koerier F] en/of [koerier G]), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (te weten 13646,9 gram, verstopt in verpakkingen voedingswaren), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe
- die [koerier F] en/of [koerier G] benaderd en/of gevraagd om (verpakkingen voeding met daarin verstopt) cocaïne naar Nederland te smokkelen en/of
- die [koerier F] en/of [koerier G] daarbij een geldbedrag/vergoeding in het vooruitzicht gesteld en/of
- voornoemde hoeveelheid cocaïne aan die [koerier F] en/of [koerier G] verstrekt en/of laten verstrekken en/of
-(telefonisch) afspraken gemaakt en/of instructies gegeven aan die [koerier F] en/of [koerier G] omtrent het vervoeren en/of afleveren van die cocaïne en/of
- een taxi geregeld (teneinde [koerier F] en/of [koerier G] en de cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren);

6.

Zaaksdossier B6

hij op of omstreeks 1 december 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid MDMA (3,4-methyleendioxyrriethamfetamin) en/of amfetamine en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine en/of GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voetnoten

1.Dossierpagina 41 persoonsdossier.
2.Rechtbank Rotterdam, 29 augustus 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:8726).