ECLI:NL:RBNHO:2025:14015

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
11989171 \ VV EXPL 25-178
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis op grond van artikel 7:268 lid 2 BW

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser] en Stichting Pre Wonen. [eiser] vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 22 oktober 2025, waarbij de kantonrechter had geoordeeld dat [eiser] niet in aanmerking kwam voor voortzetting van de huur van de woning van zijn overleden moeder. De kantonrechter had de vordering van [eiser] afgewezen en de tegenvordering van Pre Wonen tot ontruiming toegewezen. [eiser] stelde dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder had en dat hij aan zijn huurverplichtingen had voldaan. Pre Wonen voerde verweer en stelde dat er geen juridische of feitelijke misslag was in het eerdere vonnis.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring in het vonnis van 22 oktober 2025 berustte op een kennelijke misslag. Volgens artikel 7:268 lid 2 BW heeft degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, recht op voortzetting van de huur gedurende zes maanden na het overlijden. De kantonrechter had in haar eerdere vonnis niet voldoende rekening gehouden met deze bepaling en de belangen van [eiser].

De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd toegewezen, en Pre Wonen werd veroordeeld in de proceskosten van [eiser]. De voorzieningenrechter benadrukte dat de belangenafweging tussen de partijen zorgvuldig moest worden gemaakt, en dat de schorsing van de tenuitvoerlegging gerechtvaardigd was gezien de omstandigheden van de zaak. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11989171 \ VV EXPL 25-178
Vonnis in kort geding van 1 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. B. Wernik,
tegen
STICHTING PRE WONEN,
te Velserbroek, gemeente Velsen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Pre Wonen,
gemachtigde: mr. E. Matti

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de aanvullende producties van de zijde van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Pre Wonen.

2.De feiten

2.1.
Pre Wonen heeft voor onbepaalde tijd aan de moeder van [eiser], mevrouw
[betrokkene] (hierna: de moeder) de woning verhuurd aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
[eiser] staat sinds 3 oktober 2017 ingeschreven op het adres van de woning.
2.3.
De moeder van [eiser] is op 8 januari 2025 overleden.
[eiser] heeft, met toestemming van Pre Wonen, de huurovereenkomst (op grond van artikel 7:268 lid 2 BW) voor zes maanden voortgezet.
2.4.
[eiser] heeft Pre Wonen verzocht om medehuurder te mogen worden van de woning. Pre Wonen heeft dit verzoek afgewezen.
2.5.
Vervolgens heeft [eiser] bij de kantonrechter gevorderd om te bepalen dat hij vanaf de datum van het vonnis medehuurder zal zijn van de woning. Pre Wonen heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Pre Wonen heeft ontruiming van de woning gevorderd.
2.6.
De kantonrechter heeft in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 22 oktober 2025 onder zaaknummer 11681532 \ CV EXPL 25-2938 de vordering van [eiser] afgewezen en de tegenvordering van Pre Wonen toegewezen en [eiser] veroordeeld uiterlijk op 1 december 2025 het gehuurde te verlaten.
2.7.
Pre Wonen heeft bij deurwaardersexploot van 28 oktober 2025 [eiser] bevolen de woning uiterlijk op 1 december 2025 te verlaten en de ontruiming van de woning aangezegd tegen dinsdag 2 december 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 verbiedt, althans deze schorst totdat in hoger beroep arrest zal zijn gewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- als Pre Wonen weigerachtig is en blijft om aan dit bevel te voldoen, met veroordeling van Pre Wonen in de kosten van dit geding.
3.2.
[eiser] stelt dat hij een bestendige en duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder heeft gehad. Hij voert aan dat hij de afgelopen maanden steeds volledig voldaan heeft aan zijn huurverplichtingen en alle termijnen tijdig heeft betaald, zodat er op geen enkel moment sprake is geweest van achterstanden en zich dus geen van de in artikel 7:267 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde afwijzingsgronden voordoet.
3.3.
Pre Wonen voert verweer. Zij voert aan dat voor schorsing sprake moet zijn van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis of van na het vonnis aan het licht gekomen feiten die een noodtoestand aan de zijde van [eiser] als geëxecuteerde veroorzaken. Zij benadrukt dat de kantonrechter de belangen van [eiser] en van Pre Wonen uitgebreid gewogen heeft in het vonnis en het belang van Pre Wonen bij een spoedige ontruiming heeft laten prevaleren.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover relevant nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In dit kort geding vordert [eiser] staking, althans schorsing van de executie van het vonnis van de kantonrechter van 22 oktober 2025. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis kan slechts worden bevolen als de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat is het geval als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als op grond van na dat vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zou ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) volgt dat tevens een belangenafweging moet plaatsvinden tussen het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist en het belang van de degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij is het van belang of de uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd. Als de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gemotiveerd geldt als uitgangspunt dat de vorige rechter de bedoelde belangenafweging al heeft gemaakt en dat er in dat geval - behalve in het geval dat de eerdere beslissing berust op een kennelijke misslag - slechts plaats is voor een andere beslissing als aan de vordering tot schorsing feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die bij de door die rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na diens uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.2.
In het vonnis van 22 oktober 2025 heeft de kantonrechter gemotiveerd waarom zij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [eiser] aan zijn verzoek om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad alleen ten grondslag kan leggen dat het bestreden vonnis een kennelijke misslag bevat of dat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de kantonrechter bij het nemen van haar beslissing niet in aanmerking kon nemen omdat zij zich pas na haar uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.3.
De kantonrechter in kort geding is van oordeel dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring in het vonnis van 22 oktober 2025 berust op een kennelijke misslag. De kantonrechter in kort geding legt dat hierna uit.
4.4.
In artikel 7:268 lid 2 BW is bepaald dat degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen de termijn ingestelde vordering, en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist.
4.5.
Voornoemde bepaling brengt met zich dat een tegenvordering van de verhuurder tot ontruiming van de woning in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en pas ten uitvoer kan worden gelegd als het vonnis onherroepelijk is. Dit betekent dat er alleen ruimte is om het vonnis wel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren als het beroep op voortzetting uitsluitend wordt gedaan om de beëindiging van de huur uit te stellen en dus misbruik van recht oplevert. Voor een algemene belangenafweging is geen ruimte.
4.6.
Van het uitgangspunt dat de ontruiming uitblijft totdat onherroepelijk op de vordering is beslist, kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Het enkele feit dat de verhuurder er belang bij heeft dat een schaarse woning op korte termijn vrijkomt en het standpunt dat de kans op een ander oordeel in hoger beroep gering is, is onvoldoende.
4.7.
De kantonrechter is in haar vonnis van 22 oktober 2025 aan voornoemd uitgangspunt voorbij gegaan. Weliswaar heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiser] niet in aanmerking komt voor voortzetting van de huur, omdat hij geen huisvestigingsvergunning heeft aangevraagd en het zeer de vraag is of [eiser] - gelet op de grootte van de woning - in aanmerking komt voor een huisvestigingsvergunning en hij ook niet voldoende heeft onderbouwd of op enige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar vooralsnog staat niet vast hoe het hof over de vordering van [eiser] zal oordelen, zeker als deze van een nadere onderbouwing wordt voorzien. Dat sprake is van schaarste aan sociale huurwoningen en extreem lange wachttijden voor woningzoekenden die recht hebben op een woning als de onderhavige, maakt dit niet anders.
4.8.
Gelet op het vorenstaande zal de vordering tot schorsing worden toegewezen.
De gevorderde dwangsommen worden afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat Pre Wonen het vonnis niet zal naleven.
4.9.
Pre Wonen wordt in het ongelijk gesteld. Daarom moet zij de proceskosten van [eiser] betalen. Deze kosten worden tot heden begroot op:
vastrecht € 90,00
salaris gemachtigde € 543,00
nakosten
€ 135,00
Totaal € 768,00 (plus kosten van betekening)

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 totdat hier in hoger beroep op zal zijn beslist of het vonnis van 22 oktober 2025 onherroepelijk zal zijn geworden,
5.2.
veroordeelt Pre Wonen in de proceskosten van [eiser] van € 768,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Pre Wonen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
1155