Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een beschikking gegeven in een verzetprocedure van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. tegen de griffier van de rechtbank. De procedure was ingediend op basis van artikel 29 lid 1 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en betrof een verzoek tot verlenging van de termijn voor de verkoop van aandelen waarop eerder executoriaal beslag was gelegd. De rechtbank had eerder, op 15 oktober 2024, bepaald dat de verkoop binnen een jaar moest plaatsvinden, met de mogelijkheid tot verlenging indien een verzoek daartoe voor 1 oktober 2025 werd ingediend.
Verzoekster, vertegenwoordigd door advocaat mr. M.N. Mense, had op 4 september 2025 een verzoek tot verlenging ingediend, maar de griffie had een griffierecht van € 714,00 geheven. Verzoekster kwam hiertegen in verzet, stellende dat het verlengingsverzoek een rechtstreeks uitvloeisel was van de eerdere beschikking, en dat er daarom geen griffierecht geheven mocht worden. De rechtbank oordeelde echter dat het heffen van griffierecht voor het verlengingsverzoek terecht was, omdat het verzoek tot verlenging en de procedure tot verkoop van de aandelen als aparte procedures moesten worden beschouwd. De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde de heffing van het griffierecht.
De beschikking werd openbaar uitgesproken door mr. W.S.J. Thijs op 2 december 2025.