ECLI:NL:RBNHO:2025:14037

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/15/364855 / HA ZA 25-267
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • E.B. van den Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling gevolgen verbreken samenwoning tussen ex-partners

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen twee ex-partners, de man en de vrouw, die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De man heeft de woning in 2006 verlaten en heeft sindsdien niet bijgedragen aan de hypotheeklasten. De vrouw woont nog steeds in de woning en heeft de hypotheeklasten voor haar rekening genomen. De man vordert dat de vrouw haar medewerking verleent aan de verkoop van de woning, terwijl de vrouw in reconventie vordert dat de woning aan haar wordt toegedeeld en dat zij de kosten die zij heeft gemaakt kan verrekenen met de man.

De rechtbank heeft vastgesteld dat beide partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat er geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de afwikkeling van de eigendom. De vrouw heeft een hypotheekadviseur geraadpleegd en heeft een positief hypotheekadvies ontvangen, maar heeft meer tijd nodig om de woning over te nemen. De rechtbank heeft besloten dat de vrouw de gelegenheid krijgt om de woning binnen vier maanden aan zich toe te delen, met een waarde van € 365.000,-. De overwaarde van de woning bedraagt € 220.872,05, waar beide partijen recht op hebben.

De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de man recht heeft op een gebruiksvergoeding, omdat de vrouw sinds 2006 het alleengebruik van de woning heeft gehad. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Indien de vrouw niet in staat is om de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden, waarbij beide partijen hun medewerking moeten verlenen aan de verkoop.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/364855 / HA ZA 25-267
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N. Bevelander,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.G. Pittaluga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 september 2025
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, voor welke zitting door de vrouw op 10 november 2025 aanvullende producties zijn overgelegd en van welke zitting door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in 2006 geëindigd.
2.2.
Partijen zijn op 25 februari 2002 gezamenlijk eigenaar geworden van een woning aan de [adres] te [postcode] [plaats 2] (de woning). [de man] heeft de woning op 18 juli 2006 verlaten. Partijen hebben de gezamenlijke eigendom van de woning nog niet afgewikkeld. De vrouw bewoont de woning nog altijd.
2.3.
Op de woning rust een hypothecaire geldlening en partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de lening. Het openstaande saldo van de hypothecaire lening bedraagt op dit moment € 144.127,95. Dit betreft het aflossingsvrije deel van de hypotheek. Het annuïteitendeel van de lening heeft de vrouw inmiddels geheel afgelost.
2.4.
De man heeft na zijn vertrek uit de woning niet bijgedragen aan betaling van hypotheeklasten en eigenaarslasten van de woning.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert - samengevat - dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, op straffe van een dwangsom en met indeplaatsstelling van het vonnis voor de benodigde medewerking van de vrouw aan de verkoop en levering, alsmede tot betaling van een verbruiksvergoeding van 2% van de overwaarde, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.2.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
de vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • bepaalt dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, zonder dat de man aanspraak kan maken op de overwaarde van de woning,
  • indien de rechtbank van oordeel is dat de man wel recht heeft op een deel van de overwaarde, bepaalt dat de peildatum voor de waardebepaling van de woning wordt vastgesteld op 18 juli 2006, zijnde de datum waarop de man de woning heeft verlaten,
  • bepaalt dat de vrouw recht heeft op verrekening van alle door haar gedragen lasten en gedane investeringen in de woning, waaronder begrepen de hypotheeklasten, onderhoudskosten en kosten van verbouwingen,
  • bepaalt dat de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld om de woning in eigendom over te nemen door middel van herfinanciering waarbij de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen, binnen een termijn van zes maanden,
  • indien de vrouw niet binnen zes maanden in staat is de woning over te nemen bepaalt dat de woning aan een derde partij zal worden verkocht waarbij aan een door de vrouw aan te wijzen makelaar de opdracht zal worden gegeven om de woning te verkopen, waarbij partijen aan de voornoemde makelaar de opdracht zullen geven om de woning te verkopen, waarbij partijen zich door die betreffende makelaar laten adviseren over de vraagprijs en de verkoopactiviteiten waarbij de adviezen van de makelaar bindend zijn en waarbij de verkoopopbrengst van de woning wordt gebruikt om de hypothecaire geldlening af te lossen en om daarvan de makelaars- en overige verkoopkosten te voldoen, waarbij een eventueel positief bedrag dat dan resteert aan de vrouw toekomt,
  • kosten rechtens.
3.5.
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie zijn er allebei op gericht om te komen tot verdeling van de woning. Partijen verschillen alleen van mening over de wijze waarop die verdeling moet gebeuren. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk behandeld en beoordeeld.
Toedeling woning aan de vrouw?
4.2.
De vordering van de man is gericht op het onmiddellijk opstarten van de verkoop van de woning. De vrouw heeft gesteld dat zij nog altijd toedeling van de woning wenst en zij vordert dat haar daarvoor nog een termijn van zes maanden wordt gegund. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw al lang genoeg de tijd heeft gehad om de woning aan zich te laten toedelen. Mocht de rechtbank oordelen dat de vrouw nog een termijn gegund moet worden, heeft hij verklaard dat zes maanden veel te lang is en dat die termijn hooguit drie maanden zou mogen bedragen.
4.3.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning, zodat sprake is van een eenvoudige gemeenschap. Partijen zijn al 19 jaar uit elkaar, maar hebben nooit definitieve afspraken gemaakt over de afwikkeling van die gemeenschap. Anders dan de man betoogt, is dat niet alleen aan de vrouw te wijten. De man heeft weliswaar in de loop van de tijd een paar keer aan de vrouw gevraagd om te komen tot afwikkeling, maar als de vrouw niet meewerkte heeft de man het weer enige jaren laten rusten en zelf ook niet doorgepakt. Pas op 22 april 2025 heeft de man een vordering ingesteld tegen de vrouw om tot afwikkeling te komen.
4.4.
De vrouw heeft verklaard dat zij inmiddels contact heeft gehad met een hypotheekadviseur en recent een positief hypotheekadvies heeft ontvangen, maar dat zij dat nog niet kon overleggen, omdat er nog fouten in stonden die eerst gecorrigeerd moeten worden. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij de door haar gevorderde termijn van zes maanden waarschijnlijk niet nodig heeft gelet op het al ontvangen positieve advies, maar dat zij zekerheidshalve toch zeker drie tot vier maanden nodig heeft. Daarbij heeft zij verklaard dat zij in dat traject niet langer de tijd zal nemen dan nodig is.
4.5.
De vrouw bewoont de woning al sinds 2002. Zij heeft aangegeven vanwege die lange duur en de vele sociale contacten in de buurt een groot belang te hebben bij toedeling aan haar. Vanwege dat (niet betwiste) belang en het ontbreken van een spoedeisend belang van de man bij onmiddellijke verkoop, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw nog één keer de gelegenheid moet krijgen om de woning op korte termijn aan zich te laten toedelen. Daarvoor zal aan de vrouw een termijn gegund worden van maximaal vier maanden, zoals onder de beslissing wordt vermeld.
4.6.
Partijen zijn het er over eens dat de vrouw de woning mag overnemen uitgaande van een waarde van € 365.000,-. De huidige stand van de hypotheekschuld bedraagt € 144.127,95. Dit betekent dat bij toedeling aan de vrouw sprake is van een overwaarde in de woning van € 220.872,05.
Overwaarde
4.7.
Partijen verschillen van mening over de wijze van verdeling van de overwaarde uit de woning. De man wenst aanspraak te maken op de helft van de overwaarde. De vrouw stelt primair dat aan de man in het geheel geen aanspraak op de overwaarde toekomt. Daarbij voert zij aan dat de man nooit iets heeft bijgedragen aan de hypothecaire- of eigenaarslasten en dat er bij zijn vertrek uit de woning zelfs sprake was van een hypotheekachterstand van € 5.000,- die hij voor haar verborgen had gehouden. Zij verklaart dat zij deze schuld heeft opgelost en daarmee een executoriale verkoop van de woning heeft kunnen voorkomen, zodat het alleen aan haar inspanningen te danken is dat de woning er nu nog is. Het moet daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid geacht worden als de man nu zou mogen meedelen in de overwaarde. Als al uitgegaan zou moeten worden van verdeling van de overwaarde, moet uitgegaan worden van de waarde op 18 juli 2006. De vrouw verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2023. [1]
4.8.
Dit betoog van de vrouw faalt. Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. Dit betekent dat zij allebei in beginsel evenveel rechten hebben met betrekking tot de woning en ook dat zij evenveel plichten hebben met betrekking tot de woning. Zo zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de hypotheekschuld op de woning en dienen zij ieder de helft van de eigenaarslasten te betalen. Zij hebben daarom in beginsel allebei recht op de helft van de overwaarde uit de woning. De omstandigheid dat de man na zijn vertrek uit de woning niet heeft meebetaald aan de hypothecaire lasten of aan de eigenaarslasten kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de man op grond van de redelijkheid en de billijkheid in het geheel geen aanspraak meer kan maken op zijn aandeel in de overwaarde.
4.9.
Ook de (subsidiaire) vordering van de vrouw om voor de aanspraak van de man op de overwaarde aansluiting te zoeken bij de overwaarde die zou zijn gerealiseerd op 18 juli 2006 wordt afgewezen. Het is vaste rechtspraak dat voor de waarde van een te verdelen vermogensbestanddeel uitgegaan wordt van de waarde ten tijde van de verdeling. Dit is alleen anders als partijen hierover andersluidende afspraken hebben gemaakt of als de redelijkheid en billijkheid hiertoe noopt, maar die situatie doet zich hier niet voor. De verdeling moet nu nog gaan plaatsvinden. Partijen hebben jarenlang in het geheel geen afspraken gemaakt. Dit is echter niet in overwegende mate toe te rekenen aan een van partijen; zij hebben er allebei aan bijgedragen dat deze situatie bleef voortduren. Van een vergelijkbare situatie als in de genoemde uitspraak van 12 december 2023, waarin die rechtbank op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum is uitgegaan, is geen sprake.
4.10.
De man heeft dus in beginsel recht op een bedrag van € 110.436,02, zijnde de helft van de overwaarde van € 220.872,05.
Mag de vrouw nog door haar betaalde kosten verrekenen?
4.11.
De vrouw vordert onder meer dat wordt bepaald dat zij de door haar betaalde hypotheeklasten, schulden, onderhouds- en opknapkosten mag verrekenen met het aandeel van de man in de overwaarde. Daartegenover heeft de man gevorderd dat hem een gebruiksvergoeding wordt toegekend voor het feit dat de vrouw het alleengebruik heeft gehad van de woning.
Hypotheeklasten, eigenaarslasten en gebruiksvergoeding
4.12.
De vrouw heeft verrekening gevorderd van het door haar betaalde aandeel van de man in hypotheeklasten en eigenaarslasten en verweer gevoerd tegen toekenning van een gebruiksvergoeding aan de man.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Een gebruiksvergoeding is volgens vaste rechtspraak een schadevergoeding voor degene die niet meer in de gezamenlijke woning woont, maar nog wel mede-eigenaar is. De deelgenoot die niet in de woning woont kan immers ook niet beschikken over zijn aandeel in de overwaarde. Daarom is bij de beoordeling of de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen niet relevant of uitsluitend de vrouw volledig de hypotheeklasten van de woning heeft betaald. Vaststaat dat de vrouw sinds 18 juli 2006 het alleengebruik van de woning heeft gehad. Daarom maakt de man terecht aanspraak op een gebruiksvergoeding.
4.14.
De omvang van een verschuldigde gebruiksvergoeding moet aan de hand van de redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld. De man heeft primair gevorderd dat hem een gebruiksvergoeding wordt toegekend vanaf 18 juli 2006, de datum dat hij de woning heeft verlaten. De vrouw heeft gevorderd dat zij vanaf die datum de door haar betaalde hypotheeklasten en eigenaarslasten mag verrekenen met de man. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
Als gezegd, hebben partijen allebei gedurende ongeveer 19 jaar geen daadwerkelijke actie ondernomen om tot (tot afspraken over en daadwerkelijke) verdeling van de woning te komen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval redelijk is om de gevorderde gebruiksvergoeding weg te strepen tegen het door de vrouw betaalde aandeel van de man in de hypotheeklasten en eigenaarslasten, dat de man verschuldigd is aan de vrouw. De rechtbank zal in het dictum van dit vonnis bepalen dat de vrouw vanaf 18 juli 2006 een gebruiksvergoeding verschuldigd is gelijk aan het aandeel van de man in de maandelijkse hypotheeklasten en de verschuldigde eigenaarslasten, welke vergoeding de vrouw telkens mag verrekenen met het verschuldigde aandeel van de man in de maandelijkse hypotheeklasten en zijn aandeel in de eigenaarslasten op de woning.
4.15.
Daarnaast vordert de vrouw verrekening van de door haar gedane aflossing op het annuïteitendeel van de hypotheek. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw dit deel van de hypotheek geheel heeft afgelost door betaling van een bedrag van € 27.680,-. Door deze aflossing resteert nog slechts het aflossingsvrije deel van de hypothecaire geldlening en is de totale hypotheekschuld, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, met dit bedrag afgenomen. Niet in geschil is dat de man de helft van deze aflossing voor zijn rekening had moeten nemen en dit bedrag daarom voor verrekening in aanmerking komt. Daarom moet hij de helft van deze aflossing, zijnde een bedrag van € 13.840,-, aan de vrouw vergoeden. Bepaald zal worden dat dit bedrag mag worden verrekend bij de overdracht van de woning door dit in mindering te brengen op het aandeel van de man in de overwaarde.
Overige kosten
4.16.
De vrouw heeft gevorderd dat zij de overige kosten die zij heeft gemaakt mag verrekenen met de man. Zij heeft onder meer gesteld dat de man de helft van de kosten voor het opknappen van de badkamer in 2019 in verband met schimmelproblemen en lekkages had moeten dragen. Over de werkzaamheden hebben partijen geen overleg gehad. De man heeft betwist dat de vrouw zelfstandig kon overgaan tot deze opknapwerkzaamheden. Volgens hem is niet gebleken van noodzaak.
4.17.
De rechtbank volgt de man niet in zijn betwisting. In het overgelegde taxatierapport uit 2007 (productie G 3) wordt al melding gemaakt van lekkagesporen in de hal op de begane grond en op de eerste verdieping en wordt vermeld dat het erop lijkt dat het dak gerepareerd of vervangen moet worden. Het is algemeen bekend dat lekkages kunnen leiden tot schimmelvorming. Gelet op de verstreken tijd tussen 2007 en 2019 kan worden aangenomen dat inmiddels sprake was van noodzakelijke handelingen, die geen uitstel konden lijden. In het taxatierapport uit mei 2025 wordt geen melding meer gemaakt van lekkagesporen of van schimmelvorming. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de noodzakelijke werkzaamheden aan de badkamer in 2019 ook daadwerkelijk hebben bijgedragen aan het oplossen van de (acute) lekkage- en schimmelproblemen in de woning. Ook de man profiteert overigens van de hierdoor ontstane waardevermeerdering als mede-eigenaar van de woning.
Daarom wordt geoordeeld dat de man de helft van deze kosten, zijnde een bedrag van
€ 2.722,50, voor zijn rekening moet nemen. Ook van dit bedrag zal worden bepaald dat het verrekend mag worden met het aandeel van de man in de overwaarde bij overdracht van de woning.
4.18.
Verder heeft de vrouw vergoeding gevorderd van de helft van de door haar gemaakte kosten voor renoveren van de keuken (€ 14.000,00) in 2012. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de keuken oud was en dat alles los zat zodat het opknappen noodzakelijk was en geen uitstel kon lijden.
De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft verklaard dat hij op enig moment via-via te horen heeft gekregen dat er twee jaar eerder brand was geweest in de woning en dat in verband daarmee door de verzekering aan de vrouw een bedrag van € 50.000,- was uitgekeerd om de woning te laten opknappen. Verder heeft hij verklaard dat hij gehoord heeft, ook van de vrouw zelf, dat het ging om € 50.000,- en dat de vrouw van dit bedrag onder meer een auto heeft gekocht en een reisje naar Suriname heeft gemaakt.
De vrouw heeft ter zitting erkend dat er brand is geweest, maar heeft betwist dat die brand schade had aangericht in de keuken. Zij heeft verklaard dat er voornamelijk schade was ontstaan in de woonkamer onder meer omdat de rook overal ingetrokken was. Verder heeft zij betwist dat zij van het geld een auto heeft gekocht en een reis heeft gemaakt. Zij heeft verklaard dat zij het verzekeringsgeld niet zelf in handen heeft gehad maar dat het is gebruikt om de schilders en dergelijken te betalen die het huis moesten opknappen.
4.19.
De rechtbank wijst de gevorderde bijdrageverplichting van de man aan de kosten van de keuken af. De vrouw heeft over het plaatsen van de keuken in 2012 niet van tevoren overleg gevoerd met de man. De vrouw heeft weliswaar verklaard dat overleg met de man niet mogelijk was omdat zij hem niet kon bereiken, maar daarin wordt zij niet gevolgd. De vrouw heeft zelf ter zitting verklaard dat zij de man wel kon bellen, maar dat hij dan direct tegen haar begon te schreeuwen dat ze het huis moest verkopen. Uit deze verklaring volgt dat het voor de vrouw wel mogelijk was telefonisch contact op te nemen met de man indien nodig. Dat hij dan alleen maar begon te schreeuwen en dat zij daarom niet met hem kon overleggen heeft de vrouw niet onderbouwd, zodat hieraan voorbij gegaan wordt.
De vrouw heeft tegenover de betwisting van de man niet voldoende onderbouwd dat het vernieuwen van de keuken noodzakelijk was en geen uitstel kon lijden. Dat blijkt namens nergens uit. Zij was daarom niet zelfstandig bevoegd tot het (laten) vernieuwen van de keuken. Deze kosten kunnen daarom al niet verrekend worden met het deel van de overwaarde waarop de man recht heeft. In het midden kan daarom blijven of de brand ook schade heeft aangericht in de keuken en of de vrouw de kosten van de keuken heeft voldaan uit het geld dat zij van de verzekering heeft ontvangen.
4.20.
Ook heeft de vrouw gevorderd om de helft van de kosten van het vervangen van de kozijnen in het najaar van 2023 te mogen verrekenen met de man. De vrouw heeft verklaard dat de kozijnen verrot waren en dus op heel korte termijn vervangen moesten worden, maar dit heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd. Niet kan dus worden vastgesteld dat sprake is van werkzaamheden die geen uitstel konden lijden. Omdat de vrouw ook deze werkzaamheden heeft laten uitvoeren zonder voorafgaand overleg met de man, komen deze kosten niet voor verrekening in aanmerking.
Conclusie
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat bij toedeling van de woning aan de vrouw tegen een waarde van € 365.000 de overwaarde van € 220.872,05 als volgt wordt verdeeld:
Partijen hebben ieder recht op de helft van dat bedrag dus € 110.436,02.
Op het aandeel van de man strekt in mindering:
  • de helft van de aflossing op het annuïteitendeel € 13.840,-
  • de helft van de kosten voor de badkamer
Totaal € 16.562,50
zodat aan de man een bedrag toekomt van € 93.823,52 en
aan de vrouw een bedrag van (€ 110.436,02 + € 16.562,60 = ) € 127.048,02.
Als de vrouw de financiering niet rond krijgt
4.22.
Als de vrouw er niet in slaagt de benodigde financiering rond te krijgen binnen de termijn van vier maanden na betekening van dit vonnis, zal de woning verkocht moeten worden. De rechtbank zal dit bepalen in het dictum van dit vonnis en beide partijen veroordelen hun medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning.
Partijen hebben ter zitting afgesproken hoe zij in dat geval de makelaar zullen uitkiezen. De vrouw zal in dat geval drie makelaars voorstellen aan de man voor de verkoop, waarna de man één van die makelaars uitkiest. De rechtbank zal de vrouw een termijn gunnen van één week om dit voorstel te doen en de man een week na ontvangst van het voorstel om één van de drie makelaars uit te kiezen voor verkoop.
4.23.
De door de man gevorderde dwangsom als prikkel om de vrouw aan te sporen haar medewerking te verlenen aan verkoop van de woning wordt afgewezen. Ook de vrouw heeft gevorderd dat als het haar niet lukt om de woning over te nemen de woning moet worden verkocht. Ook overigens is niet gebleken dat de vrouw in dat geval niet haar medewerking zal verlenen aan verkoop van de woning.
De gevorderde indeplaatsstelling van het vonnis voor de benodigde medewerking van de vrouw aan de verkoop en levering wordt om dezelfde reden afgewezen.
Proceskosten
4.24.
Omdat het geschil voortkomt uit de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw zich de gezamenlijke woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] kan laten toedelen tegen een waarde van € 365.000,-, onder gelijktijdig ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld op die woning en onder de verplichting om aan de man wegens overbedeling een bedrag van € 93.823,52 te betalen, zijnde zijn aandeel in de overwaarde minus het onder 4.21 genoemde bedrag,
5.2.
bepaalt dat, als blijkt dat de vrouw niet binnen vier maanden na betekening van het vonnis de woning kan overnemen voor € 365.000,- en de man kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld met gelijktijdige betaling aan de man van hetgeen hem toekomt uit de overwaarde, de gezamenlijke woning zal worden verkocht en dat de opbrengst na aftrek van de hypothecaire schuld en de eventuele verkoopkosten wordt verdeeld, met inachtneming van hetgeen hierover onder 4.21 is overwogen en beslist,
5.3.
bepaalt dat, als de woning moet worden verkocht, voor de uitvoering van de door partijen ter zitting gemaakte afspraak aan de vrouw één week na ommekomst van de termijn van vier maanden gegund wordt om de drie makelaars voor te stellen aan de man en aan de man een week om één van deze makelaars uit te kiezen en zijn keuze kenbaar te maken aan de (advocaat van de) vrouw,
5.4.
bepaalt dat als de woning moet worden verkocht beide partijen hun onvoorwaardelijke medewerking aan die verkoop moeten verlenen door binnen een week nadat de man een makelaar heeft uitgekozen op de wijze als hiervoor onder 5.3 is bepaald, aan die makelaar de opdracht te geven om de woning te verkopen en zich vervolgens door die makelaar te laten adviseren over de vraagprijs en de verkoopactiviteiten, waarbij de adviezen van de makelaar over de vraag- en laatprijs bindend zullen zijn en met bepaling dat de verkoopopbrengst van de woning eerst zal worden gebruikt voor de aflossing van de hypothecaire geldlening en voor betaling van de makelaars- en overige verkoopkosten, waarna de resterende (netto) opbrengst toekomt aan ieder van partijen met inachtneming van hetgeen daarover hiervoor onder 5.2 is beslist,
5.5.
bepaalt dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding verschuldigd is vanaf 18 juli 2006 gelijk aan het aandeel van de man in de maandelijkse hypotheeklasten en de verschuldigde eigenaarslasten, welke vergoeding de vrouw telkens mag verrekenen met het door de man verschuldigde aandeel van de man in de maandelijkse hypotheeklasten en zijn aandeel in de eigenaarslasten op de woning, tot het moment waarop het aandeel van de man in de woning aan de vrouw zal zijn geleverd, dan wel tot het moment dat de woning bij verkoop aan een derde zal zijn overgedragen,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
1155

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBROT:12413