Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- bepaalt dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, zonder dat de man aanspraak kan maken op de overwaarde van de woning,
- indien de rechtbank van oordeel is dat de man wel recht heeft op een deel van de overwaarde, bepaalt dat de peildatum voor de waardebepaling van de woning wordt vastgesteld op 18 juli 2006, zijnde de datum waarop de man de woning heeft verlaten,
- bepaalt dat de vrouw recht heeft op verrekening van alle door haar gedragen lasten en gedane investeringen in de woning, waaronder begrepen de hypotheeklasten, onderhoudskosten en kosten van verbouwingen,
- bepaalt dat de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld om de woning in eigendom over te nemen door middel van herfinanciering waarbij de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen, binnen een termijn van zes maanden,
- indien de vrouw niet binnen zes maanden in staat is de woning over te nemen bepaalt dat de woning aan een derde partij zal worden verkocht waarbij aan een door de vrouw aan te wijzen makelaar de opdracht zal worden gegeven om de woning te verkopen, waarbij partijen aan de voornoemde makelaar de opdracht zullen geven om de woning te verkopen, waarbij partijen zich door die betreffende makelaar laten adviseren over de vraagprijs en de verkoopactiviteiten waarbij de adviezen van de makelaar bindend zijn en waarbij de verkoopopbrengst van de woning wordt gebruikt om de hypothecaire geldlening af te lossen en om daarvan de makelaars- en overige verkoopkosten te voldoen, waarbij een eventueel positief bedrag dat dan resteert aan de vrouw toekomt,
- kosten rechtens.
4.De beoordeling
Daarom wordt geoordeeld dat de man de helft van deze kosten, zijnde een bedrag van
€ 2.722,50, voor zijn rekening moet nemen. Ook van dit bedrag zal worden bepaald dat het verrekend mag worden met het aandeel van de man in de overwaarde bij overdracht van de woning.
De vrouw heeft tegenover de betwisting van de man niet voldoende onderbouwd dat het vernieuwen van de keuken noodzakelijk was en geen uitstel kon lijden. Dat blijkt namens nergens uit. Zij was daarom niet zelfstandig bevoegd tot het (laten) vernieuwen van de keuken. Deze kosten kunnen daarom al niet verrekend worden met het deel van de overwaarde waarop de man recht heeft. In het midden kan daarom blijven of de brand ook schade heeft aangericht in de keuken en of de vrouw de kosten van de keuken heeft voldaan uit het geld dat zij van de verzekering heeft ontvangen.
- de helft van de aflossing op het annuïteitendeel € 13.840,-
- de helft van de kosten voor de badkamer