ECLI:NL:RBNHO:2025:14068

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/15/366806/ KG ZA 25-422
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voorschot schadevergoeding na aanrijding wegens onvoldoende aannemelijkheid letsel

Eiser is op 27 oktober 2024 betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarbij zijn auto werd geraakt door een andere auto die vanaf een tankstation afsloeg. Eiser vordert in kort geding dat Nationale-Nederlanden (NN) een voorschot betaalt op de schadevergoeding wegens door hem gestelde lichamelijke en psychische klachten en de gevolgen daarvan voor zijn onderneming.

NN erkent aansprakelijkheid maar betwist het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van eiser. Medische adviezen zijn overgelegd, maar het advies van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts is gebaseerd op dossierstudie zonder behandelingsovereenkomst en wordt door de medisch adviseur van NN bekritiseerd vanwege gebrek aan feitelijke onderbouwing en niet voldoen aan NVMSR-richtlijnen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon heeft dat verklaard kan worden door het ongeval. Ook het schadebeeld van de auto wijst niet op een hevige impact. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat eiser beperkingen en schade lijdt als gevolg van het ongeval.

De vordering tot een voorschot van €40.000 wordt afgewezen, evenals de overige vorderingen die prematuur zijn. De voorzieningenrechter wijst erop dat eerst een deskundigenonderzoek moet plaatsvinden om de klachten en beperkingen te beoordelen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering voorschot schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van letsel en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/366806 / KG ZA 25-422
Vonnis in kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Doruk,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: NN,
advocaat: mr. L.J. Bergshoeff.
De zaak in het kort
[eiser] is betrokken geraakt bij een aanrijding. Hij vordert in dit kort geding dat NN een voorschot aan hem betaald op de schadevergoeding. De vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding (met producties 1 tot en met 21),
  • de conclusie van antwoord (met producties A tot en met G),
  • het bericht van 9 september 2025 namens NN (met productie H),
  • het bericht van 9 september 2025 namens [eiser] (met producties 22 tot en met 24),
  • de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • de pleitnota van [eiser] .
1.2.
De behandeling van de zaak is na de mondelinge behandeling aangehouden om partijen de gelegenheid te geven met elkaar overleg te voeren. [eiser] heeft, met instemming van NN, meerdere keren gevraagd om de termijn van aanhouding te verlengen. Bij bericht van 4 november 2025 heeft [eiser] verzocht vonnis te wijzen. Daarop heeft NN nog gereageerd bij bericht van 5 november 2025. Het vonnis is bepaald op heden.

2.Uitgangspunten

2.1.
[eiser] is op 27 oktober 2024 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De auto van [eiser] is daarbij in botsing gekomen met de auto van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [eiser] reed daarbij op de doorgaande weg. [naam 1] is vanaf een tankstation afgeslagen en heeft, volgens het proces-verbaal van de politie, [eiser] over het hoofd gezien.
2.2.
[naam 1] is tegen wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen verzekerd bij NN. NN heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.
2.3.
NN heeft [eiser] twee keer een voorschot betaald. Een voorschot van € 2.500,- in april 2025 en een voorschot van € 1.100,- in mei 2025. Het laatste voorschot is betaald in verband met buitengerechtelijke kosten.
2.4.
Verzekeringsarts dr. [verzekeringsarts] (hierna: [verzekeringsarts] ) heeft op verzoek van [eiser] een medisch advies uitgebracht op 28 maart 2025.
2.5.
Op verzoek van NN heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op 24 juli 2025 en op 5 september 2025 medische adviezen uitgebracht.
2.6.
P-CVD B.V. (hierna: P-CVD) heeft op 3 februari 2025 verslag gedaan van het onderzoek naar het Event Data Recorder (hierna: EDR) van de auto van [eiser] . Bij aanvullend rapport van 8 september 2025 heeft P-CVD vragen van NN beantwoord.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – bij vonnis, dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat NN een voorschot dient te betalen van € 40.000,- ineens of periodieke betalingen van € 5.000,- per maand op de geleden schade,
II. bepaalt dat [eiser] op kosten van NN zich kan melden voor een multidisciplinair behandeltraject,
III. bepaalt dat [eiser] op kosten van NN wordt begeleid door een arbeidsdeskundige,
IV. bepaalt dat op kosten van NN een onafhankelijke bedrijfseconoom wordt ingeschakeld om de financiële gevolgen van de onderneming van [eiser] te kwantificeren,
V. NN veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat tegen hem een onrechtmatige daad is gepleegd. NN is als WAM-verzekeraar verplicht de schade van [eiser] te vergoeden. Er is sprake geweest van een ongeval met zware impact. [eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval pijnklachten heeft opgelopen aan zijn nek, schouder en rug. Daarnaast kampt hij met psychologische angstklachten waardoor hij maar korte afstanden kan rijden. Het causaal verband tussen het ongeval en de schade is vastgesteld door de verzekeringsarts. Door het ongeval kan [eiser] zijn eigen onderneming niet meer volledig runnen, hij maakt extra kosten voor inzet van personeel, vanwege zijn eigen uitval.
3.3.
NN voert verweer. NN stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen. NN vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure.
3.4.
NN betwist dat het geschil zich leent voor behandeling in kort geding. NN betwist daarnaast dat er sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. NN betwist ook dat er sprake is van een ongeval dat de klachten kan verklaren, het causaal verband tussen de gestelde klachten en de aanrijding is niet aangetoond, evenmin dat de gestelde klachten tot beperkingen en schade leiden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De vordering van [eiser] leent zich voor behandeling in kort geding. De voorzieningenrechter leidt het spoedeisend belang van de vordering af uit het feit dat [eiser] stelt schade te hebben geleden en uit de stelling van [eiser] dat hij een voorschot nodig heeft op de schadevergoeding voor het voortbestaan van zijn onderneming.
4.3.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. In de volgende overwegingen legt de voorzieningenrechter waarom hij tot dit oordeel komt.
4.4.
Vast staat dat [eiser] betrokken is geraakt bij een aanrijding waarbij de auto van de verzekerde van NN tegen zijn auto is gebotst. [eiser] stelt pijnklachten te hebben aan zijn nek, schouder, onder- en middenrug. Daarnaast stelt [eiser] dat hij met psychologische klachten kampt in de vorm van angst waardoor hij slechts korte afstanden kan rijden.
NN constateert in haar verweer dat de door [eiser] gestelde klachten subjectief van aard zijn en dat [eiser] daarom moet aantonen dat er sprake is van een plausibel klachtenpatroon. NN betwist dat daarvan sprake is. NN stelt daarvoor enerzijds dat [eiser] een wisselend patroon van klachten meldt en wijst anderzijds op de wijze (“low impact”) waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden.
Beoordelingskader
4.5.
Het is aan [eiser] als benadeelde om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting zoals in deze zaak, voldoende aannemelijk te maken dat hij klachten heeft opgelopen die het gevolg zijn van het ongeval. Vervolgens is het aan [eiser] om te stellen, en zo nodig te aannemelijk te maken, dat hij als gevolg van deze gezondheidsklachten beperkingen heeft en daardoor schade lijdt.
4.6.
De door [eiser] gestelde klachten zijn moeilijk te objectiveren. In eerdere rechtspraak is bepaald dat dergelijke klachten worden vastgesteld aan de hand van een feitelijke beoordeling van de ‘aannemelijkheid’ [1] dat de klachten zijn ontstaan als gevolg van een ongeval. Bij de beoordeling van deze aannemelijkheid moet worden beoordeeld of er sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. Ook moet worden beoordeeld of er sprake is van een ongeval dat de klachten op zich kan verklaren. NN betwist dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. NN betwist ook dat er sprake is van een ongeval dat de klachten kan verklaren.
Klachten [eiser]
4.7.
Ter onderbouwing van zijn klachten verwijst [eiser] naar het medisch advies van [verzekeringsarts] . Daarnaast verwijst [eiser] naar het door hem overgelegde medisch dossier en het huisartsenjournaal.
4.8.
Wat betreft het medisch advies van [verzekeringsarts] heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [verzekeringsarts] hem niet heeft gezien en alleen op basis van een dossierstudie een medisch advies heeft geschreven. Tussen [eiser] en [verzekeringsarts] bestaat dus geen geneeskundige behandelingsovereenkomst. De medisch adviseur van NN [naam 2] heeft in zijn advies van 24 juli 2025 kritiek geuit op het medisch advies van [verzekeringsarts] . Die kritiek ziet er op dat de feitelijke medische onderbouwing van de stellingen van [verzekeringsarts] ontbreekt. Daarnaast voldoet het advies van [verzekeringsarts] volgens [naam 2] niet aan de uitgangspunten van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR). [naam 2] betwist dat het causaal verband tussen de aanrijding en de klachtenpresentatie aannemelijk is gemaakt. [eiser] en [verzekeringsarts] hebben naar aanleiding van dit verweer geen inhoudelijke reactie gegeven. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in dit kort geding niet uit kan gaan van de juistheid van het medische advies van [verzekeringsarts] .
4.9.
Uit het huisartsenjournaal blijkt dat [eiser] is verwezen naar een fysiotherapeut en een psycholoog. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld dat hij uit schaamte nog niet bij een psycholoog is geweest. [eiser] heeft wel behandelingen gevolgd bij de fysiotherapeut maar stelt dat hij deze behandelingen vanwege geldproblemen heeft moeten staken. Er bevindt zich in het medisch dossier een brief van de fysiotherapeut gedateerd op 16 januari 2025 waaruit, onder andere, blijkt dat [eiser] in de afgelopen maand niet is geweest. De voorzieningenrechter stelt vast dat er alleen van de huisarts recente medische gegevens beschikbaar zijn. Deze beschikbare gegevens over de medische situatie van [eiser] zijn voor de voorzieningenrechter onvoldoende om een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten vast te kunnen stellen, ook gelet op hetgeen NN hierover heeft naar voren gebracht.
Impact ongeval
4.10.
Partijen verschillen van mening over de impact van de aanrijding. Tussen partijen staat vast dat de impact niet is geregistreerd in de EDR van de auto van [eiser] . Partijen hebben daarvoor verschillende verklaringen. Volgens [eiser] is de aanrijding niet geregistreerd omdat de kilometerstand van zijn auto in het verleden is teruggesteld. Dat is waarschijnlijk de oorzaak voor de 0 kilometer registratie in de EDR, de storingsgeheugens en het boordnetgeheugen. NN stelt daarentegen dat er geen registratie heeft plaatsgevonden omdat de triggergrens niet is bereikt. Partijen geven dus aan het ontbreken van de gegevens in de EDR een andere verklaring en verwijzen daarbij beiden naar het rapport van P-CVD of het aanvullend rapport van deze organisatie. [eiser] verwijst ook naar de foto’s van zijn auto na het ongeval. Volgens [eiser] kan iedereen ‘
met blote oog op de foto’s zien dat er flinke schade is aan het voertuig en dat dit een flinke impact heeft gehad.’ Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt NN terecht in haar verweer dat het schadebeeld van een auto voor een leek een vertekend beeld kan geven omdat blik en/of kunststof snel deukt en/of breekt, ook bij een geringe impact. NN verwijst daarnaast naar de beantwoording van vraag 4 in het aanvullend rapport van het P-CVB. Deze vraag luidt ‘
Kunt u op basis van het schadebeeld iets zeggen over de impact. Getuigt het schadebeeld van een “hevige impact”?’. In de beantwoording van deze vraag wordt de conclusie getrokken ‘
dat de snelheidsverandering (delta v) in langsrichting (…) niet hoger zal zijn geweest dan 8 km/u oftewel de EDR-triggergrens. Bij een snelheidsverandering (delta v) in langrichting van 8 km/u is (…) mijn inziens geen sprake van een “hevige impact”.’ [eiser] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze conclusie. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ongeval met een dermate impact dat de klachten op zich kan verklaren.
4.11.
Voor de voorzieningenrechter staat niet op dit moment nog niet vast dat er sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten dat het gevolg is van de aanrijding. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of de klachten tot beperkingen leiden. Daardoor komt de voorzieningenrechter ook niet toe aan beoordeling van de vraag of [eiser] schade heeft geleden en wat de omvang van die schade dan is. Het gevorderde voorschot op de schade van € 40.000,- zal dan ook worden afgewezen. Voor toewijzing van een lager bedrag ziet de voorzieningenrechter geen grond omdat hij daarvoor te weinig aanknopingspunten heeft. De overige vorderingen zijn te prematuur ingesteld. Eerst zal er een onderzoek moeten komen door een deskundige die moet beoordelen welke klachten zijn veroorzaakt door ongeval en tot welke beperking dat leidt (orthodepisch of neurologisch onderzoek waarna een verzekeringsgeneeskundig onderzoek kan plaatsvinden). Partijen kunnen dat onderling regelen, maar [eiser] kan zelf ook een voorlopig deskundigenonderzoek verzoeken. Pas als dat onderzoek heeft plaatsgevonden kunnen de vervolgstappen worden gezet (bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige onderzoek, al dan niet met inschakeling van een bedrijfseconoom). Zoals al is overwogen is in een kort geding procedure geen plaats voor een nadere bewijslevering. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] zal afwijzen.
Kosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.280,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2025.
MKG/JB

Voetnoten

1.plausibel