Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de dagvaarding (met producties 1 tot en met 21),
- de conclusie van antwoord (met producties A tot en met G),
- het bericht van 9 september 2025 namens NN (met productie H),
- het bericht van 9 september 2025 namens [eiser] (met producties 22 tot en met 24),
- de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] .
2.Uitgangspunten
3.Het geschil
4.De beoordeling
met blote oog op de foto’s zien dat er flinke schade is aan het voertuig en dat dit een flinke impact heeft gehad.’ Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt NN terecht in haar verweer dat het schadebeeld van een auto voor een leek een vertekend beeld kan geven omdat blik en/of kunststof snel deukt en/of breekt, ook bij een geringe impact. NN verwijst daarnaast naar de beantwoording van vraag 4 in het aanvullend rapport van het P-CVB. Deze vraag luidt ‘
Kunt u op basis van het schadebeeld iets zeggen over de impact. Getuigt het schadebeeld van een “hevige impact”?’. In de beantwoording van deze vraag wordt de conclusie getrokken ‘
dat de snelheidsverandering (delta v) in langsrichting (…) niet hoger zal zijn geweest dan 8 km/u oftewel de EDR-triggergrens. Bij een snelheidsverandering (delta v) in langrichting van 8 km/u is (…) mijn inziens geen sprake van een “hevige impact”.’ [eiser] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze conclusie. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ongeval met een dermate impact dat de klachten op zich kan verklaren.