ECLI:NL:RBNHO:2025:14073

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
11761590 \ EJ VERZ 25-8
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor letselschade na mishandeling tijdens vechtpartij in Oostenrijk

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een deelgeschil tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2]. [verzoeker] was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij in Oostenrijk, waarbij hij letselschade heeft opgelopen. Na een schikkingsvoorstel van de Oostenrijkse autoriteiten, heeft [verzoeker] een schadevergoeding van € 1.500,- ontvangen, maar hij stelt dat zijn schade groter is en verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de aanvullende schade. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] toegewezen, maar heeft aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de omvang van de schade. Het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] om vast te stellen dat zij niet aansprakelijk zijn voor schade boven het reeds betaalde bedrag, is afgewezen. De kantonrechter heeft de kosten van de procedure begroot op € 690,- en deze verhaald op de verwerende partijen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Locatie Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11761590 \ EJ VERZ 25-8
Beschikking van 25 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. F. Heetebrij,
tegen

1.[verweerder sub 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder sub 1] ,
2.
[verweerder sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder sub 2] ,
verwerende partijen,
gemachtigde: mr. R.H. Bouwman.
De zaak in het kort
[verzoeker] was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij met [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in Oostenrijk. [verzoeker] heeft daarbij aangezichtsletsel opgelopen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben een schikkingsvoorstel van het Landesgericht Innsbruck geaccepteerd. [verzoeker] heeft daarna een (door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] betaald) schadebedrag van € 1.500,- ontvangen. [verzoeker] wil nu aanvullende schadevergoeding van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .
In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] de kantonrechter te bepalen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 18 maart 2023. De kantonrechter wijst dit verzoek toe. De vraag of en zo ja, in welke mate [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voor de aanvullende schadeposten van [verzoeker] aansprakelijk zijn behoeft echter nader onderzoek. Daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De kantonrechter wijst daarom het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet aansprakelijk zijn voor een schadebedrag dat uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1-12;
- de beschikking van 20 juni 2025, waarbij de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, zich onbevoegd heeft verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond heeft verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad;
- de e-mail van 24 juni 2025 van mr. Heetebrij aan de kantonrechter dat de vordering van [verzoeker] het bedrag van € 25.000,- niet zal overstijgen;
- het verweerschrift tevens tegenverzoek.
1.2.
Op 28 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van het deelgeschil plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Alkmaar. Op de zitting zijn verschenen [verzoeker] , vergezeld door zijn vader en mr. F. Heetebrij, en [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] , vergezeld door de ouders van [verweerder sub 1] en mr. R.H. Bouwman.
1.3.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mr. Heetebrij heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen en aanvullende stukken (een expertiserapport) die hij ter zitting aan de kantonrechter heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat op 25 november 2025 een beschikking zal volgen.

2.De feiten

2.1.
Op 18 maart 2023 zijn partijen na een woordenwisseling in een shoarmazaak in Westendorf (Oostenrijk) buiten met elkaar slaags geraakt. Het voorval is door getuigen waargenomen.
2.2.
[verzoeker] heeft bij het voorval aangezichtsletsel opgelopen en een operatieve ingreep aan zijn neus moeten ondergaan.
2.3.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn door de Oostenrijkse autoriteiten aangehouden. Het Landesgericht Innsbruck heeft tegen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] een strafrechtelijke procedure gestart. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben van het Landesgericht Innsbruck een schikkingsvoorstel ontvangen om verdere strafvervolging ‘af te kopen’.
2.4.
Landesgericht Innsbruck heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“(..) sie hätten am 18.3.2023 in Westendorf im bewussten und gewollten Zusammenwirken als Mittäter den (…) [verzoeker] vorsätzlich am Körper verletzt, indem sie gegen das am Bodem liegende Opfer eintraten und – schlugen, und diesen dadurch, wenn auch nur fahrlässig, schwer am Körper verletzten, wodurch dieser einen repositionsbedürftigen Bruch der Nase erlitt (…)”
2.5.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben het schikkingsvoorstel geaccepteerd. Zij hebben een boete en schadevergoeding betaald: [verweerder sub 1] een bedrag van € 500,- en [verweerder sub 2] een bedrag van € 1.000,-.
2.6.
[verzoeker] heeft via de Oostenrijkse autoriteiten en zijn toenmalige advocaat een bedrag van € 1.500,- ontvangen. De reisverzekeraar van [verzoeker] heeft een bedrag van € 3.939,29 aan hem uitgekeerd.
2.7.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij brieven van 18 augustus 2023 [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] aansprakelijk gesteld voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade in verband met het voorval op 18 maart 2023. Daarbij is aangegeven dat de schade van [verzoeker] groter is dan de door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voldane betaling.
2.8.
Bij brief van 8 november 2023 hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] daarop als volgt gereageerd, voor zover van belang:
“(...) Ondergetekenden niet verantwoordelijk zijn voor de vermeende schade van de Wederpartij. Ondergetekenden wijzen deze, tot op heden niet onderbouwde, vermeende schade af.Als summiere reactie hierop brengen wij graag naar voren dat de ‘afgekochte, zware’ mishandeling door de Rechtbank te Innsbruck is afgedaan als zijnde een alledaags handgemeen tussen partijen.Gelet op het bovenstaande en het feit dat er tot op heden geen ondersteunende stukken zijn aangedragen waaruit de vermeende schade van de Wederpartij blijkt, verzoeken wij u om de Wederpartij te adviseren af te zien van verdere stappen en het voorval in het verleden te laten. (…)”
2.9.
Bij brief van 15 februari 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] gereageerd. In aanvulling op deze reactie heeft hij op 15 januari 2025 een schadestaat aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] toegezonden en hen een minnelijk voorstel gedaan om een bedrag van € 9.008,14 aan [verzoeker] te vergoeden. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben daaraan geen gehoor gegeven.

3.De verzoeken en verweren

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor recht te verklaren dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de mishandeling op 8 (de rechtbank begrijpt: 18) maart 2023, met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van dit geding.
3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat afdoende is komen vast te staan dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hem hebben mishandeld en daarmee op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zijn schade. Daarbij baseert [verzoeker] zich op getuigenverklaringen en op de in Oostenrijk gevolgde strafrechtelijke procedure. Daaruit blijkt dat sprake is geweest van een zware mishandeling (een ‘schweren Körperverletzung’). De strafrechtelijke procedure heeft geleid tot een schikkingsvoorstel dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben aanvaard. [verzoeker] heeft echter meer schade geleden dan aan hem is voldaan. Die schade bestaat met name uit smartengeld en verlies aan verdienvermogen. Daarvoor wil [verzoeker] dat de kantonrechter de hoofdelijke aansprakelijkheid vaststelt.
3.3.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren aan dat zij zich niet zonder meer aansprakelijk achten voor de opgevoerde aanvullende schadeposten. Daarbij wijzen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] erop, hoewel zij geenszins pogen om geweld te rechtvaardigen, dat [verzoeker] ook een rol heeft gespeeld bij het geweldsincident. De precieze toedracht ervan is onduidelijk. Dat heeft gevolgen voor de mate waarin [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] aansprakelijk zijn voor de schade. Er is ook veel onduidelijkheid over de al betaalde schadevergoeding aan [verzoeker] , wat betreft de betrokkenheid van [verzoeker] bij het bepalen van de hoogte van het bedrag en op welke schadeposten dit ziet. Die onduidelijkheid geldt eveneens voor de opgevoerde aanvullende schadeposten. Deze zijn volgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet voldoende aannemelijk gemaakt om voor hun rekening te laten komen.
3.4.
Op hun beurt verzoeken [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de kantonrechter daarom om voor recht te verklaren dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de mishandeling op 18 maart 2023 voor zover deze uitstijgt boven de reeds betaalde schadevergoeding, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van dit geding.
3.5.
[verzoeker] verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .
3.6.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten, omdat het schade toebrengende feit (het geweldsincident) zich in Oostenrijk heeft voorgedaan. De kantonrechter zal daarom eerst (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2.
Omdat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als verwerende partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek van [verzoeker] . Partijen gaan daar ook van uit.
4.3.
Omdat het verzoek van [verzoeker] is gegrond op de stelling dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van de Verordening Rome II. [1] Artikel 4 lid 1 van de Verordening Rome II bepaalt dat, tenzij in de verordening anders is bepaald, het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Artikel 4 lid 2 van de Verordening Rome II bepaalt dat, indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, het recht van dat land van toepassing is. Op partijen is deze bepaling van toepassing, zodat Nederlands recht toepasselijk is.
Behandeling in deelgeschil
4.4.
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschil moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.
4.5.
Uit vaste rechtspraak volgt dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Een vaststelling van aansprakelijkheid zou de impasse tussen partijen namelijk kunnen doorbreken en een bijdrage kunnen leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen. Het verzoek van [verzoeker] kan dan ook inhoudelijk worden besproken.
Inhoudelijke beoordeling
4.6.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] betwisten niet dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling van [verzoeker] op 18 maart 2023. Zij kunnen daarom op grond van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [verzoeker] als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt. De kantonrechter zal de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht toewijzen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
4.7.
Vervolgens moet, gelet op het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , worden beoordeeld of de - door het onrechtmatig handelen veroorzaakte - schade van [verzoeker] die voor vergoeding in aanmerking komt beperkt is gebleven tot het reeds aan [verzoeker] betaalde bedrag.
4.8.
[verzoeker] heeft bij het verzoekschrift een schadestaat gevoegd, waarin hij zijn schade becijfert op € 14.447,43. Na aftrek van de aan hem betaalde bedragen door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en de reisverzekeraar, resteert een vordering van € 9.008,14. Dit bedrag bestaat voornamelijk uit immateriële schade (smartengeld) en verlies aan verdienvermogen. Het debat over de gestelde aanvullende schadeposten van [verzoeker] is nog niet volledig door partijen gevoerd. Zo heeft [verzoeker] daarover – gelet op de door hem gekozen insteek van het verzoekschrift – geen stellingen ingenomen en ontbreken concrete, heldere gegevens aan de hand waarvan het gestelde verlies aan verdienvermogen kan worden beoordeeld. Zonder nadere (medische) informatie en onderzoek is geenszins het stadium bereikt dat duidelijkheid bestaat over de omvang van de aan de mishandeling toe te rekenen schade.
4.9.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen dat [verzoeker] zelf ook een aandeel heeft gehad in de mishandeling en dat dit gevolgen heeft voor de mate waarin zij aansprakelijk zijn voor de schade. Voor zover [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] daarmee een beroep doen op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, is de kantonrechter van oordeel dat in dit deelgeschil niet kan worden vastgesteld dat daarvan sprake is. Tijdens de zitting is gebleken dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zich de precieze toedracht van het geweldsincident niet kunnen herinneren wegens hun overmatige alcoholgebruik die bewuste dag. De overgelegde getuigenverklaringen bieden ook onvoldoende aanknopingspunten voor een geslaagd beroep op eigen schuld. De verklaring van getuige [getuige 1] bevat geen enkele aanwijzing dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] . Getuige [getuige 2] verklaart dat [verzoeker] na een trap tegen zijn hoofd weer is opgestaan en naar de verdachte is toegelopen, waarna hij weer naar de grond werd gewerkt. Ook als de kantonrechter ervan uitgaat dat het zo is gegaan, is dit onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker] .
4.10.
Gelet op het voorgaande kan de kantonrechter op dit moment niet vaststellen dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade van [verzoeker] , voor zover deze uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding. Voor nadere bewijslevering is geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Dergelijke bewijslevering verdraagt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt moet zijn. De kantonrechter zal het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dan ook afwijzen.
Kosten deelgeschil
4.11.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt, zal begroten.
4.12.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.13.
De kantonrechter zal de kosten voor de voorbereiding en behandeling van dit deelgeschil overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] - waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd - begroten op een bedrag van € 600,- (2,5 uur × een uurtarief van € 240,-). Deze kosten doorstaan de dubbele redelijkheidstoets. De kantonrechter zal het bedrag vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,-, zodat de kosten van dit deelgeschil in totaal € 690,- bedragen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zullen, zoals verzocht, tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld, omdat de aansprakelijkheid voor de mishandeling is komen vast te staan.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade voor zover deze voortvloeit uit de mishandeling die op 18 maart 2023 plaatsvond,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 690,00 en veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling daarvan aan [verzoeker] ,
5.3.
wijst het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
ST/NB

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen