Beoordeling van het geschil
11. Het betoog van eiseres dat verweerder op basis van de BTI met kenmerk [# 1] van 26 april 2021 verplicht was het product ook in te delen onder TARIC-code 9406 9090 00, kan niet slagen. Ten eerste betreft het geen identieke producten. Immers, het product van de BTI van 26 april 2021 betreft een product met een lengte van 6 meter, terwijl het product in geschil een lengte heeft van 9 meter. Dat de lengte geen onderscheidend criterium is, zoals eiseres stelt, kan niet worden gevolgd. Er was daarom geen sprake van tegenstrijdige BTI’s. Voorts stelt verweerder ten aanzien van de BTI van 26 april 2021 dat deze, achteraf gezien, onjuist is afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiseres dat een BTI waarvan verweerder stelt dat deze achteraf onjuist is afgegeven, automatisch zou moeten leiden tot het wederom verstrekken van een BTI met dezelfde code, geen steun vindt in het recht. Verweerder mag immers fouten herstellen. Hoewel de BTI van 26 april 2021 nog wel geldig was op het moment van afgifte van de hier in geschil zijnde BTI, heeft verweerder in dit geval om proceseconomische redenen mogen afzien van een intrekkingsprocedure. Dit zou immers een zinloze actie zijn geweest, omdat de geldigheidsduur van die BTI op korte termijn zou verstrijken. Het niet intrekken van de BTI met kenmerk [# 1] was daarom in dit geval geen beletsel voor het afgegeven van een nieuwe BTI.
12. Ook het beroep van eiseres op de BTI met kenmerk [# 2] waarin een identiek product is ingedeeld onder TARIC-code 9406 9090 00, kan niet tot het voor eiseres gewenste resultaat leiden omdat deze BTI per 2 november 2023, dus vóór de afgifte van de nieuwe BTI, van rechtswege is komen te vervallen.
13. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend. De inhoud van GS- en GN- toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven.
14. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat het product een pakket met niet-gemonteerde onderdelen betreft. De onderdelen bestaan uit een staander van aluminium, verschillende profielen van aluminium, een goot van aluminium, een sierlijst van aluminium, een klikplaat van aluminium, zijplaten en afsluitplaten van aluminium, zijliggers en tussenliggers van aluminium, een pvc buis, liggers van rubber, 3-, 4- en 5-rails, dubbel gelagerde wielen, zwart muurrubber, een tochtstrip met haar, zwart U rubber voor 10 mm glas en schroeven voor de glazen schuifwand.
Het product is, nadat de onderdelen zijn gemonteerd, bedoeld om voor permanent gebruik te worden bevestigd aan een buitenmuur. De profielen ondersteunen nader toe te voegen glas dan wel polycarbonaat waarmee het dak en de zijwanden worden afgesloten. De afmeting van het gemonteerde product is 3 bij 9 meter.
15. De rechtbank zal eerst beoordelen of het product kwalificeert als een geprefabriceerd bouwwerk in de zin van post 9406, zoals eiseres voorstaat. De rechtbank stelt vast dat het product wordt ingevoerd zonder glaspanelen dan wel kunststof panelen. Daarmee is het een onvolledig bouwwerk. Op grond van de GS-toelichting op post 9406 omvat deze post ook onvolledige bouwwerken, al dan niet gemonteerd, maar met de essentiële kenmerken van geprefabriceerde bouwwerken. Op grond van indelingsregel 2a heeft de vermelding van een goed in een post eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dat goed reeds de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte product vertoont. Tussen partijen is niet in geschil dat het aluminium een essentieel bestanddeel/kenmerk is, omdat dat het product stevigheid geeft. Ook is niet in geschil dat het glas of de kunststof een essentieel bestanddeel/kenmerk is, omdat het product daarmee weerbestendig wordt. Omdat het glas dan wel de kunststof ontbreekt, kan het product niet aangemerkt worden als een geprefabriceerd bouwwerk in de zin van tariefpost 9406 met indelingsregel 1 dan wel indelingsregel 2a omdat het product in niet-complete staat niet de essentiële kenmerken van het complete product vertoont. Aan de vraag of het product in het kader van indelingsregel 3b zijn wezenlijke karakter ontleent aan het aluminium of aan het glas/de kunststof, komt de rechtbank vervolgens niet toe. Het product kan dus niet worden ingedeeld onder post 9406. Anders dan eiseres kennelijk veronderstelt is het begrip “de essentiële kenmerken van het complete goed” van indelingsregel 2a niet gelijk aan het begrip “het goed waaraan het werk zijn wezenlijk karakter ontleent” van indelingsregel 3b.
16. Met betrekking tot het beroep van eiseres op Indelingsverordening (EG) 1655/2005 van 10 oktober 2005, oordeelt de rechtbank als volgt. Het product in die Indelingsverordening betrof een niet-gemonteerd artikel in de vorm van een broeikas op schaal, een zogenoemde “minibroeikas”. Het geraamte is vervaardigd van hout, de bodem bestaat uit een metalen rooster en de afdichtende elementen bestaan uit kunststof. Omdat de broeikas zowel bestaat uit het geraamte als uit de kunststof om het af te dichten, is het product niet vergelijkbaar met het product in geschil waarbij het glas/de kunststof ontbreekt. Dat de indeling van de minibroeikas in de Indelingsverordening is vastgesteld op basis van de algemene regels 2a en 3b, doet niet af aan de conclusie van de rechtbank als vermeld onder 15.
17. De rechtbank is van oordeel dat door het samenvoegen van de onderdelen als genoemd onder 14 een constructiewerk van aluminium ontstaat als bedoeld onder GN-post 7610. De rechtbank vindt voor deze indeling steun in de conclusie van de 227e vergadering van het Comité douanewetboek. Daarin staat vermeld dat niet-gemonteerde constructies van kassen van aluminium, die worden aangeboden zonder de glaspanelen, als raamwerken voor kassen onder GN-post 7610 moeten worden ingedeeld. Het product waarop de conclusie betrekking heeft, bestaat uit profielen van aluminium en hulpstukken bestemd voor het bouwen van een kas, inclusief kozijnen voor deuren en ramen van aluminium, exclusief glaspanelen. De rechtbank acht dat product vergelijkbaar met het product in geschil. Dat bij het product in geschil sprake is van drie wanden van aluminium, en bij de kas sprake is van vier wanden, is van ondergeschikt belang.
18. Naar het oordeel van de rechtbank dient het product te worden ingedeeld onder TARIC-code 7610 90 90 92 omdat sprake is van een product dat in een kit is verpakt met de onderdelen die nodig zijn voor de assemblage van een eindproduct zonder dat de onderdelen verdere af- of bewerking moeten ondergaan (“kit voor eindproducten”). Zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, dienen in veel gevallen aanpassingen aan onderdelen van het product plaats te vinden om het passend te maken aan een gevel. Dit kan een ieder doen met behulp van de bij het product gevoegde instructies. Het gaat om geringe aanpassingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een “verdere af- of bewerking” van het product als bedoeld in voormelde TARIC-code.
19. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het product juist heeft ingedeeld in de BTI.