ECLI:NL:RBNHO:2025:14148

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/15/370977 / JU RK 25-1477 en C/15/370975 / JU RK 25/1475
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin van oma vaderszijde met betrekking tot minderjarigen

Op 17 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De kinderrechter heeft bepaald dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden, en dat voor het opnieuw opstarten van omgang begeleide omgang noodzakelijk is. De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (GI) in overweging gegeven om te onderzoeken of gezamenlijk gezag van de moeder en de pleegmoeder in het belang van de kinderen wordt geacht.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarigen sinds 25 mei 2020 bij hun pleegmoeder, de oma van vaderszijde, verblijven. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn eerder verlengd, en de kinderrechter heeft nu opnieuw besloten deze te verlengen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter heeft de zorgen van de GI over de omgang tussen de vader en de kinderen onderschreven, en heeft geconcludeerd dat begeleide omgang noodzakelijk is om de interactie te monitoren.

De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft ook de GI in overweging gegeven om te onderzoeken of het in het belang van de kinderen is om de pleegmoeder mede te belasten met het gezag over de kinderen, gezien de huidige situatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummers: C/15/370977 / JU RK 25-1477 (verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing) en C/15/370975 / JU RK 25/1475 (omgangsregeling)
Datum uitspraak: 17 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vaststelling van een omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Alkmaar,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
[de pleegouder],
hierna te noemen: de pleegouder (oma vaderszijde),
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, van 8 oktober 2025, ontvangen op 15 oktober 2025 (betreffende het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing);
  • het raadsadvies van 13 oktober 2025 (toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar);
  • het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, van 8 oktober 2025, ontvangen op 15 oktober 2025 (betreffende het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling).
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- de pleegouder (de oma vz).
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. De pleegmoeder heeft namens [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 12 november 2025 een e-mailbericht naar de kinderrechter gestuurd met daarin een weergave van teksten die [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 12 november 2025 hebben uitgesproken tegenover de pleegmoeder.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] verblijven sinds 25 mei 2020 bij hun pleegmoeder, te weten de oma (vaderszijde) van de kinderen.
2.3.
Bij beschikking van 8 juni 2017 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 23 mei 2025 tot 8 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van 25 mei 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis geplaatst. Zij verblijven sindsdien bij een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma (vz). Vervolgens is een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 23 mei 2025 tot 8 december 2025.
2.5.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij bericht van 13 oktober 2025 laten weten in te stemmen met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlengen.

3.De verzoeken

Vaststellen omgangsregeling
3.1.
De GI verzoekt een omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat ‘geen omgang’ wordt vastgelegd tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader. De GI verzoekt aanvullend om hieraan toe te voegen dat er voor het opnieuw opstarten van omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader nodig is dat de vader instemt met begeleide omgang zodat er zicht komt op de omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader. Tot slot verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
3.2.
Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. De door de GI vastgestelde omgang hield in dat de kinderen volgens een vast schema één keer per maand een weekend naar de vader gingen. De daadwerkelijke omgang wisselde aan de hand van de beschikbaarheid en draagkracht van de vader. De GI heeft daarom besloten om de omgang tussen de vader en de kinderen te wijzigen naar één keer per veertien dagen begeleide omgang voor de duur van een dagdeel (ochtend/middag). De begeleiding van de omgang werd onder meer noodzakelijk geacht omdat de vader niet goed kon aansluiten bij de behoeften van de kinderen (de kinderen verveelden zich vaak) en de vader vaak boos was tijdens de omgang en negatief sprak over de pleegmoeder. De GI gunt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de omgang met hun vader en gunt het de vader ook om omgang te hebben met zijn kinderen. Het contact moet echter wel voorspelbaar, veilig en in het belang van de kinderen zijn. Omdat de vader weigerde om mee te werken aan begeleide omgang en alleen op zijn eigen voorwaarden contact met de kinderen wilde hebben, is het contact weggevallen.
3.3.
Gezien de weigering van de vader om hulpverlening te accepteren en mee te werken aan begeleide omgang, acht de GI het in het belang van de kinderen dat nu wordt vastgelegd dat er geen omgang met de vader zal plaatsvinden. Hiermee wil de GI duidelijkheid bieden aan de kinderen. Tegelijkertijd wil de GI de vader perspectief bieden op contact met de kinderen en daarbij als harde voorwaarde laten vastleggen dat het contact onder begeleiding weer kan worden opgebouwd.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
3.4.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin, te weten bij de grootmoeder (vz) voor de duur van zes maanden. Tot slot verzoekt de GI de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de GI het volgende naar voren gebracht. De afgelopen periode heeft de GI geprobeerd om in samenwerking met de vader zicht te krijgen op de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen. Dit is echter niet gelukt. De vader heeft veel weerstand laten zien en zich agressief en dreigend uitgelaten naar de GI en de pleegmoeder. Het lukt de vader niet om de samenwerking te vinden met de GI en de vader heeft, na de beslissing van de GI om over te gaan op begeleide omgang, besloten om de omgang in zijn geheel te stoppen. De kinderen gaan sinds de omgang met vader is gestopt, een extra weekend naar moeder. Het contact tussen de kinderen en de moeder verloopt goed.
3.6.
Zowel [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] krijgen behandeling voor eerder opgelopen trauma's. Deze behandeling vindt plaats bij Parlan. Daarnaast biedt Parlan pleegzorgondersteuning en heeft Parlan vanuit die rol structureel contact met de pleegmoeder om haar te ondersteunen. Parlan ervaart een goede samenwerking met zowel de moeder als de pleegmoeder. Beiden stimuleren en ondersteunen de kinderen bij hun therapie. Op dit moment gaat het goed met de kinderen bij de pleegmoeder. De kinderen zijn rustiger en ze ontwikkelen zich op een gezonde manier. Beide kinderen geven in gesprek met de GI aan dat zij het fijn hebben bij hun oma, waar ze veiligheid en structuur ervaren. De GI ziet een positieve ontwikkeling van de kinderen bij de pleegmoeder en ziet dat de pleegmoeder goed in contact staat met de moeder, school en betrokken hulpverlening. Het lukte de pleegmoeder ook om, ondanks stevige dreigende taal vanuit de vader, de omgang tussen de kinderen en de vader te ondersteunen. De GI ziet echter dat draagkracht van de pleegmoeder met betrekking tot de omgang tussen de kinderen en de vader door het gedrag van de vader kwetsbaar is.
De moeder ondersteunt, als gezaghebbend ouder, de plaatsing van de kinderen bij de pleegmoeder. Dit maakt dat de GI er vertrouwen in heeft dat het verblijf van de kinderen bij de pleegmoeder binnen afzienbare termijn in een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De GI is nog altijd voornemens toe te werken naar een overdracht aan het vrijwillig kader.
3.7.
Een verlenging van de maatregelen heeft als doel om in deze periode de kinderen de benodigde hulpverlening te bieden die passend is in het omgaan met het gewijzigde contact met de vader, veiligheidsafspraken te maken en een duidelijk borgingsplan te formuleren om te komen tot een verantwoorde en zorgvuldige overdracht richting het vrijwillig kader.
3.8.
Op de zitting heeft de GI nog aangevuld dat de omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de moeder verder is gestructureerd en is vastgelegd in een Beslissing Contact bij Uithuisplaatsing, waardoor duidelijkheid, voorspelbaarheid en rust is gecreëerd. Een kleine wijziging in het contact tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de moeder wordt onderling tussen de moeder en de pleegmoeder afgesproken, maar grote beslissingen hierover gaan via de GI. Het is de GI tot op heden niet gelukt om op een constructieve manier met de vader in contact te komen en de vader blijft zich agressief en dreigend opstellen naar zowel de GI als de pleegmoeder. De moeder steunt de pleegmoeder. De GI is bezig met individuele hulpverlening voor de moeder om haar weerbaarder te maken richting de vader.

4.De standpunten

[de minderjarige 1]
4.1.
heeft aangegeven dat zij niet wil dat de vader zo snel boos wordt en dat zij zich verveelt bij de vader thuis.
[de minderjarige 2]
4.2.
[de minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij niet naar de vader wil en durft, omdat de vader snel boos wordt en dan schreeuwt. [de minderjarige 2] wordt daar bang van. Verder heeft [de minderjarige 2] aangegeven dat hij wel naar de moeder wil gaan.
De vader
4.3.
De vader is niet op de zitting verschenen om zijn standpunt kenbaar te maken.
De moeder
4.4.
De moeder heeft aangegeven dat zij een verbetering ziet in het contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en dat zij daarin goede stappen maakt. De kinderen zijn om het weekend bij de moeder en dat gaat goed. De moeder zou graag meer omgang met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben, maar dat is niet mogelijk vanwege school. De moeder ervaart het contact met de pleegmoeder als goed.
De pleegmoeder (oma vz)
4.5.
De pleegmoeder heeft aangegeven dat het goed gaat met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Beide kinderen hebben psychomotorische therapie (PMT). [de minderjarige 2] heeft afgelopen zomer zijn EMDR-therapie afgerond, maar heeft nog wel vervolgtherapie. [de minderjarige 2] laat grensoverschrijdend gedrag zien in fysiek contact. De pleegmoeder geeft daarbij als voorbeeld dat [de minderjarige 2] haar per se op de mond wil zoenen en dit afdwingt. Het geeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een onveilig gevoel als de vader boos wordt. De vader wil contact met de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op zijn manier en anders niet. De kinderen geven bij de pleegmoeder aan dat zij de vader missen. De pleegmoeder heeft het contact met de vader inmiddels verbroken, zodat zij niet tussen de vader en de kinderen staat. Het geeft de pleegmoeder meer rust nu zijn geen contact meer heeft met de vader, maar zij heeft aangegeven wel bang te zijn voor waar de vader toe in staat is. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kunnen bij de pleegmoeder blijven wonen.

5.De beoordeling

Vaststelling omgangsregeling
5.1.
Op grond van artikel 1:265g, lid 1, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een omgangsregeling vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van het bepaalde in artikel 1:265g, lid 3, BW geldt deze regeling zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd als een regeling als bedoeld in artikel 1:377a, tweede lid, BW.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment geen omgang hebben met hun vader, omdat de vader de omgang abrupt heeft gestopt nadat de GI wilde overgaan op begeleide omgang. De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de GI over onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , die erop neerkomen dat de vader de kinderen gedurende de omgang belast met zijn boosheid en frustratie. Begeleide omgang is een middel om de omgang voor de kinderen op een veilige en prettige manier te laten verlopen, maar daaraan wenst de vader tot op heden niet mee te werken. De kinderrechter zal daarom een omgangsregeling vaststellen zoals door de GI is verzocht, inhoudende dat ‘geen omgang’ wordt vastgelegd tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader. De kinderrechter acht het van belang dat voor het opnieuw opstarten van omgang eerst begeleide omgang zal plaatsvinden om de interactie tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader te kunnen monitoren. Ook dat zal worden vastgelegd, zodat duidelijk is onder welke voorwaarde kan worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.4.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat daarmee is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding en onderzoek van hun geestelijke en lichamelijke toestand (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.5.
De kinderrechter overweegt hiertoe dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het verleden een onrustige tijd hebben gekend door de wisselingen van opvoeders. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven al sinds 25 mei 2020 bij de pleegmoeder. Het gaat daar goed met hen en zij ervaren rust, stabiliteit en veiligheid. Het is in het belang van de kinderen dat hun verblijf bij de pleegmoeder gecontinueerd wordt en daarvoor is zowel een ondertoezichtstelling als een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter acht het positief dat de moeder en de pleegmoeder goed communiceren, dat de moeder instemt met het verblijf van de kinderen bij de pleegmoeder en dat de omgang tussen de moeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] goed verloopt.
Het is de GI niet gelukt om in de afgelopen periode in contact te komen met de vader, omdat de vader iedere samenwerking met de GI afwijst. De agressieve en dreigende houding van de vader richting de GI en de pleegmoeder zijn bepaald niet in het belang van de kinderen en zijn een belemmerende factor in eventueel contactherstel tussen de vader en de kinderen.
5.6.
De doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan gewerkt dient te worden zijn:
- het voortzetten en inzetten van benodigde hulpverlening van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- het opstellen van een borgingsplan en het maken van veiligheidsafspraken;
- het zicht houden op het effect van het ontbreken van omgang met de vader op [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- het voorbereiden van de overdracht naar het vrijwillig kader.
5.7.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de verzochte duur van zes maanden tot 8 juni 2026.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
De kinderrechter geeft de GI in overweging om te onderzoeken of het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt geacht om de pleegmoeder mede te belasten met het gezag over de kinderen. Gezien het feit dat nu alleen de moeder gezag heeft en de kinderen zullen opgroeien bij de pleegmoeder, zou gezamenlijk gezag van moeder en pleegmoeder een bij de situatie passende constructie kunnen zijn, ook omdat zij dan gedwongen zijn om samen beslissingen te nemen als bijvoorbeeld de vader op dwingende wijze contact met de kinderen zou opeisen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt een omgangsregeling vast inhoudende dat de minderjarigen:
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
geen omgang hebben met de vader;
en dat:
- voor het opnieuw opstarten van omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader nodig is dat de vader instemt met begeleide omgang zodat er zicht komt op de omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de vader;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de duur van zes maanden tot 8 juni 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen, in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegmoeder (oma vaderzijde) tot 8 juni 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in aanwezigheid van F. Kootstra als griffier, en op schrift gesteld op 26 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.