ECLI:NL:RBNHO:2025:14170

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
15/330337-24 en 15/327291-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag en diefstal in jeugdstrafzaken met vrijspraak voor diefstal

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en diefstal. De rechtbank heeft de zaken, die onder de parketnummers 15/330337-24 en 15/327291-24 zijn aangebracht, gevoegd behandeld. De verdachte, geboren op [geboortedatum] te [plaats], werd beschuldigd van het opzettelijk van het leven beroven van de benadeelde partij 1 door deze met een mes in de buik te steken op 16 oktober 2024 te Heemstede. Daarnaast werd de verdachte beschuldigd van diefstal van een bromfiets van de benadeelde partij 2 op 28 augustus 2024 te Vogelenzang, gemeente Bloemendaal.

Tijdens de zitting op 6 november 2025 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie gehoord, evenals de verdediging, vertegenwoordigd door mr. A. Baatenburg de Jong. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was om de zaak te behandelen. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangever en getuigen als betrouwbaar beoordeeld, maar heeft de verdachte vrijgesproken van de diefstal, omdat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte met zijn handelen het risico had genomen dat de aangever zou overlijden, wat leidde tot de bewezenverklaring van poging tot doodslag. De rechtbank heeft rekening gehouden met de psychologische toestand van de verdachte, die verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht, en heeft een jeugddetentie opgelegd van 120 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals coaching en behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/330337-24 en 15/327291-24
Uitspraakdatum: 20 november 2025
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 6 november 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[de OvJ] en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, kantoorhoudende te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens De Jeugd en Gezinsbeschermers te [plaats] (hierna: de jeugdreclassering).
Verder waren aanwezig de ouders van de verdachte en de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , bijgestaan door zijn ouders en mr. I.D. Degenaar-Kuijpers.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 15/330337-24 ten laste gelegd dat:
(hierna: feit 1)
hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Heemstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [de benadeelde partij 1] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Aan de verdachte is onder 15/327291-24 ten laste gelegd dat:
(hierna: feit 2)
hij, op of omstreeks 28 augustus 2024 te Vogelenzang, gemeente Bloemendaal een bromfiets ( [merk] met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de laste gelegde feiten, te weten poging tot doodslag en diefstal.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat de verdachte primair dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer middels het steken met een mes. In dat kader heeft zij ook verzocht om diverse getuigenverklaringen uit te sluiten voor het bewijs, omdat deze onbetrouwbaar zijn.
Indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van (voorwaardelijk) opzet, dan bepleit de verdediging eveneens vrijspraak wegens het ontbreken van de aanmerkelijke kans op de dood. Niet iedere steekverwonding in de buik veroorzaakt immers een aanmerkelijke kans op overlijden. Hiervoor is onder meer van belang met welk voorwerp is gestoken, met hoeveel kracht er is gestoken, welke beweging het slachtoffer heeft gemaakt en wat de locatie van het letsel is. In dit geval is er enkel een summiere letselverklaring, waaruit niet blijkt dat het letsel potentieel levensbedreigend zou kunnen zijn.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 2Naar het oordeel van de rechtbank is het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, omdat in de tenlastelegging een pleegplaats en gemeente staat vermeld waar het ten laste gelegde feit zich niet heeft voorgedaan, te weten [plaats] , gemeente [gemeente] . Uit de aangifte en de overige stukken in het dossier blijkt namelijk dat de scooter is weggenomen in [plaats] , gemeente [gemeente] .
De officier van justitie heeft de bevoegdheid om de pleegplaats ruim op te nemen in de tenlastelegging en eventueel ter zitting de tenlastelegging te wijzigen, hetgeen ter zitting niet verzocht is door de officier van justitie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat met een dergelijk ruime bevoegdheid van de officier van justitie, de ruimte voor de rechtbank beperkt is om de grondslag van de tenlastelegging te verlaten en het gebrek te herstellen, ook als over het ten laste gelegde feit geen verschil van mening bestaat. Daarbij komt dat de bewijsmiddelen ter terechtzitting uitgebreid zijn voorgehouden, waarbij ook melding is gemaakt van de juiste pleegplaats.
Gelet op voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen andere mogelijkheid dan de verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Redengevende feiten en omstandigheden feit 1
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van
de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat en overweegt daaromtrent als volgt.
Betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank stelt voorop dat zij – anders dan de verdediging – de verklaringen van de aangever en getuigen [de getuige 1] en [de getuige 2] voldoende betrouwbaar acht. Hoewel de verklaringen op bepaalde punten van elkaar afwijken, komen de verklaringen in hoofdlijnen met elkaar overeen. Daarbij komt dat de verklaringen afzonderlijk en zeer kort na het incident zijn afgenomen. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook betrekken bij haar oordeel.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging doodslag is vereist dat de verdachte met zijn gedragingen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op het intreden van – in dit geval – het overlijden van het slachtoffer in het leven roept, hangt af van de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in bepaalde lichaamsdelen van een persoon dodelijk kan zijn. Of door het steken de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer komt te overlijden, is dus afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere de plek van het steken, het steekwapen en de kracht waarmee is gestoken van belang zijn.
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het dossier volgt dat sprake was van een conflict tussen de verdachte en de aangever, wat uiteindelijk heeft geleid tot een confrontatie bij het treinstation [plaats] . Bij deze confrontatie is de aangever uiteindelijk in zijn buik geraakt met een mes door toedoen van de verdachte. De verdachte had dit mes, met een lemmet van meer dan 10 cm, meegenomen naar de confrontatie. De aangever heeft verklaard dat de verdachte op enig moment het mes uit zijn broek pakte en naar hem uithaalde, wat hij aanvankelijk kon ontwijken. Vervolgens haalde de verdachte opnieuw uit en werd de aangever in zijn buik geraakt, waarbij het mes in zijn buik is achtergebleven. De verklaring van aangever vindt steun in de getuigenverklaring van [de getuige 2] , die heeft verklaard dat hij de verdachte iets ziet pakken ter hoogte van zijn broekriem en een stekende beweging ziet maken richting de buik van de jongen met wie de verdachte heeft gevochten. De verklaring van de verdachte dat hij het mes alleen voor zich uit hield en de aangever vervolgens zelf in het mes is gelopen, vindt daarentegen onvoldoende steun in het dossier en acht de rechtbank om die reden onaannemelijk.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachte twee stekende bewegingen heeft gemaakt richting de buik van de aangever, waarbij hij de aangever uiteindelijk ook heeft geraakt in zijn buik en het mes in diens buik is vast blijven zitten. Dit laatste maakt dat de rechtbank ook concludeert dat de verdachte aangever met kracht heeft gestoken.
Opzet
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen het risico heeft genomen dat de aangever door zijn handelen zou komen te overlijden, al was dat niet zijn bedoeling. Door met een groot mes met kracht te steken in de buik van de aangever, is de kans dat aangever daardoor fataal letsel oploopt aanmerkelijk. Daarmee heeft verdachte dus willens en wetens de kans aanvaard dat aangever zou kunnen overlijden en is daarmee sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.
Het is verder een feit van algemene bekendheid dat het met kracht steken op plekken waar zich belangrijke bloedvaten en vitale organen bevinden zoals in de buik, kan leiden tot de
dood. Dat het letsel van het slachtoffer desondanks gelukkig beperkt is gebleven, doet daar niet aan af.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1, poging doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 16 oktober 2024 te Heemstede ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [de benadeelde partij 1] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

4.1.
Beroep op noodweer
4.1.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat het handelen van de verdachte noodzakelijk was, omdat hij werd belaagd, geslagen en geschopt door een groep van 8 tot 10 jongens, waaronder de aangever. Hij werd daarbij omsingeld. Op enig moment is hij gevallen in de fietsenstalling. Op het moment dat hij wist op te staan wilde de aangever hem opnieuw aanvallen. Ter afwending van deze wederrechtelijke aanranding heeft hij het mes gepakt om de aangever op afstand te houden. Op dat moment is de aangever op hem afgerend en in het mes gelopen waarna de verdachte heeft kunnen vluchten. De verdachte heeft zich om die reden gerechtvaardigd verdedigd tegen het slachtoffer.
4.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat het beroep op noodweer niet kan slagen, omdat geen sprake was van een noodweersituatie.
4.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer van de raadsvrouw en overweegt daaromtrent als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht
is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijk verdediging van een eigen
of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat moet zijn voldaan aan de eis van subsidiariteit, was de reactie geboden door de noodzakelijke verdediging van de aanranding, en de eis van proportionaliteit, stond de reactie in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.
Op grond van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.
Uit de chatberichten tussen onder andere de verdachte en de aangever blijkt dat sprake was van een langer lopend conflict tussen hen, waarbij op voorhand sprake was van provocerend gedrag van beide zijden. De rechtbank ziet dat de aangever hier een groot aandeel in heeft gehad door meermaals een afspraak met de verdachte te initiëren op een locatie zonder camera, de verdachte herhaaldelijk uit de dagen en met een grote groep de confrontatie aan te gaan, ook op het moment dat duidelijk was dat de verdachte alleen was. Op basis van de chatberichten die zijn gestuurd naar de verdachte, kan dan ook afgeleid worden dat de verdachte wist, of in elk geval had kunnen weten, dat een confrontatie met de aangever uit de hand zou kunnen lopen.
Uiteindelijk spreken de verdachte en de aangever op 16 oktober 2024 af op station [plaats] en heeft de verdachte een mes meegebracht. De verklaring van de verdachte dat hij het mes in zijn bezit had, omdat hij dit moest afgeven aan een vriend, is naar oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de inhoud van de chatberichten. Gelet op de chatberichten, is aannemelijker dat de verdachte het mes bewust heeft meegenomen naar de confrontatie met de aangever.
Wanneer de verdachte aankomt op het station ontstaat vrijwel direct een confrontatie, waarbij de verdachte wordt aangevallen door een groep van tenminste zeven jongens, waaronder het slachtoffer. De verdachte wordt hierbij geslagen en geschopt en hij valt uiteindelijk op de grond in de fietsenstalling. Op enig moment heeft de verdachte de mogelijkheid om op te staan. Wanneer hij opstaat, pakt hij het mes en maakt hij stekende bewegingen richting de aangever waarbij hij uiteindelijk de aangever in zijn buik raakt en wegrent. Achter hem rennen dan nog drie jongens aan.
Op basis van het dossier kan niet vastgesteld worden wat de exacte situatie was op het moment dat de verdachte op stond en stekende bewegingen maakte richting de aangever. De verklaringen van de aangever, de verdachte en de verschillende getuigen lopen hierover namelijk te ver uiteen en ander bewijs over die specifieke situatie ontbreekt.
De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval op het moment dat de verdachte op de grond lag sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging hiervan. De verdachte kon zich toen immers niet meer verdedigen tegen het door meerdere personen tegen hem gepleegde geweld. Dat de verdachte vervolgens geen mogelijkheid had om daarvan te vluchten, is echter onvoldoende aannemelijk geworden. De verdachte heeft over die specifieke situatie bovendien wisselend verklaard. Zo verklaarde hij aanvankelijk bij de politie dat alleen de aangever naar hem toe rende en wilde aanvallen, maar heeft hij bij de rechter-commissaris hieraan toegevoegd dat hij naast de aangever ook nog van de rechterzijde werd aangevallen door getuige [de getuige 1] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte het mes ter hand had genomen, waarbij de verdachte geen andere mogelijkheid had dan de aangever te steken met een mes.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf of eerbaarheid tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt om die reden dan ook verworpen.
Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken.
4.2.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar en levert op:
Feit 1: poging tot doodslag.

5.Strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Psychologisch onderzoek
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 23 januari 2025, opgesteld door
[registerpsycholoog] , registerpsycholoog NIP. Dit psychologisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een posttraumatische stressstoornis en een verstoorde ouderkind-relatie. De verdachte heeft hierdoor te maken met chronische trauma’s, een verstoorde emotieregulatie en een gevoel van voortdurende onveiligheid, wat zijn gedrag beïnvloedt. De complexe thuissituatie, de eerdere gewelddadige incidenten, zijn beperkte sociale steun en zijn beperkingen in het reguleren van emoties hebben ertoe bijgedragen dat zijn keuzevrijheid ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten werd bemoeilijkt. Er wordt derhalve geadviseerd de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, hem verminderd toe te rekenen.
De rechtbank neemt de voornoemde bevindingen en conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat het bewezenverklaarde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.
5.2.
Beroep op noodweerexces
5.2.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
5.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen.
5.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.
Noodweerexces kan alleen in beeld komen bij een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Er moet ook in dat geval sprake zijn van een noodweersituatie. In overweging 4.1.3. heeft de rechtbank vastgesteld dat geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was op het moment dat verdachte besloot een mes te gebruiken tegen het slachtoffer. Bovendien is een geslaagd beroep op noodweerexces alleen mogelijk indien sprake is van een hevige gemoedsbeweging door een eerdere aanranding veroorzaakt. Van zo’n hevige gemoedsbeweging die door een vermeende eerdere aanranding zou zijn opgetreden, is onvoldoende gebleken en het beroep op noodweerexces dient dan ook te worden verworpen.
Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarde en bijzondere voorwaarden zoals mondeling geadviseerd door de Raad.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot
een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen
jeugddetentie.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven en is bereid overal aan mee te werken, waaronder mediation met het slachtoffer, reclasseringstoezicht en hulpverlening. Sinds het feit is hij niet meer opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Daarnaast is de verdachte zeer emotioneel vanwege wat zich allemaal heeft afgespeeld en tot op heden nog steeds afspeelt. Hij is recentelijk namelijk mishandeld door het slachtoffer en zijn vriendengroep, waarvan hij ook aangifte heeft gedaan.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat een (voorwaardelijke) jeugddetentie niet passend is, gelet op het advies van de Raad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit waarbij de verdachte vanwege een geringe aanleiding de aangever met een groot en scherp mes in de buik heeft gestoken. De rechtbank rekent het
verdachte zwaar aan dat hij bewust een mes heeft meegenomen naar een confrontatie, waarvan hij had kunnen weten dat het uit de hand zou kunnen lopen. Er mag van geluk worden gesproken dat het letsel van de aangever, ondanks het handelen van de verdachte, beperkt is gebleven. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de negatieve gevolgen ervaren. Vanzelfsprekend heeft dit feit ook daadwerkelijk gevolgen gehad voor de aangever. Uit de slachtofferverklaring blijkt namelijk dat hij nog regelmatig last heeft van flashbacks en angsten. Tot slot zorgen zulke feiten ook voor maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte een first offender is.
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 23 januari 2025, opgesteld door [registerpsycholoog] , registerpsycholoog NIP;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 20 oktober 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5.1, de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank zal hiermee bij het bepalen van de straf rekening houden. Uit het psychologisch onderzoek blijkt verder dat een (deels) voorwaardelijke straf passend is met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte moet meewerken aan coaching en specialistische behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als matig tot hoog ingeschat wanneer de verdachte geen vervolgbehandeling krijgt. Hij is aangewezen op coaching die laagdrempelig en outreachend is ter voorbereiding op specialistische traumabehandeling. Gezien de complexe en verstoorde gezins- en relatiepatronen wordt gedacht aan schematherapie in combinatie met een lichaamsgerichte behandeling zoals psychomotore therapie (PMT). Daarnaast wordt geadviseerd de verdachte aan te melden voor een vorm van kamertraining, wellicht net buiten zijn regio gezien de veiligheidsissues.
De rechtbank neemt de conclusie van dit rapport over.
De Raad heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan coaching en behandeling, dagbesteding heeft (werk, school en/of sport) en geen contact mag opnemen met het slachtoffer.
De verdachte krijgt inmiddels begeleiding van een coach en volgt behandeling, wat een positief effect heeft. Er zijn nog wel wat zorgen over de gespannen gezinssituatie en de geestelijke gezondheid van de verdachte. Hij heeft een posttraumatische stressstoornis vanwege de scheiding van de ouders en de vele onveilige situaties die hij heeft ervaren op straat. Voornamelijk de onveiligheid op straat in de omgeving [plaats] vergroot de kans op herhaling omdat dit de angst van de verdachte kan activeren met alle gevolgen van dien. Er zijn immers nog zorgen over de agressie van de verdachte, maar hier wordt met behulp van hulpverlening aan gewerkt. Verder wordt gezien dat de verdachte baat heeft bij de begeleiding en het toezicht van de jeugdreclassering.
De Raad heeft ter zitting aan het raadsrapport toegevoegd dat de verdachte de hulpverlening volledig accepteert. Er wordt gezien dat zijn trauma en de kenmerken daarvan op de voorgrond liggen, waardoor hij tijdelijk gestopt is met school en werk. De bijzondere voorwaarden gericht op school, werk en sport dienen dan ook aangepast te worden naar “het hebben van zinvolle dagbesteding”. Daarnaast is er geen onvoorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd omdat de verdachte detentieongeschikt wordt geacht wegens zijn trauma en het verloop van zijn voorarrest. Dit is beschadigend geweest voor de verdachte.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte door zijn trauma en bijkomende nachtmerries geen ruimte had voor het volgen van zijn opleiding en stage. Het is dan ook van belang dat hij de komende periode allereerst aan zichzelf werkt en behandeling volgt. Hij krijgt nu coaching en behandeling en hij heeft hier veel baat bij. Volgend jaar zal gekeken worden welke mogelijkheden er zijn voor het eventueel hervatten van de schoolgang.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten een poging tot doodslag, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.
Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het feit dat de verdachte 44 dagen in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank houdt rekening met de provocerende houding van de aangever jegens de verdachte voorafgaand aan de confrontatie. De rechtbank houdt ook rekening met het persoonlijkheidsonderzoek, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, en het advies van de Raad.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. Gezien de vrijspraak voor feit 2 ziet de rechtbank wel reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken met betrekking tot de duur van de werkstraf. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 120 dagen moet worden opgelegd, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit
.De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder meewerken aan coaching en behandeling, het hebben van zinvolle dagbesteding en een contactverbod met het slachtoffer.
Dadelijk uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een
misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het
lichaam van een persoon, te weten een poging tot doodslag.
De rechtbank is, mede gelet op wat uit het raadsrapport en psychologisch onderzoek blijkt over de kans op herhaling zonder behandeling, van oordeel dat zonder de voorwaarden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Tot slot zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van tachtig (80) uren opleggen.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Stanpunt van verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om niet-ontvankelijkverklaring wegens de bepleite
vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging bepleit de immateriële schade te matigen tot € 2.000,00.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade rechtstreeks voortvloeit
uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de schade tot een bedrag van
€ 1.500,00 komt de rechtbank billijk voor gelet op het (beperkte) fysieke en psychische letsel van de verdachte en de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering
.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 15/330337-24 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding om bij de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
7.2.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.851,60 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde schade bestaat uit de scooter (€ 2.350,00), beugels voor de scooter (€ 216,95), een nieuw zadel (€ 234,35) en onderdelen (€ 50,30).
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een deel de gevorderde schade, te weten het zadel en de onderdelen, gelet op het gebrek aan onderbouwing.
Stanpunt van verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering deels, te weten de scooter, af te wijzen wegens gebrek aan onderbouwing.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering gelet op
het feit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit is vrijgesproken.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder zaaknummer 15/327291-24 (feit 2) ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder zaaknummer 15/330337-24 (feit 1) ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat het onder zaaknummer 15/330337-24 (feit 1) ten laste gelegde feit het hierboven onder 4.2. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
honderdtwintig (120) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zesenzeventig (76) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd
niet
schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan coaching vanuit [jeugdzorginstelling] of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan de behandeling vanuit [jeugdzorginstelling] of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan het hebben en behouden van zinvolle dagbesteding;
  • op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] , met uitzondering van mediation.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres]
[adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel
77aa van die wet uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten vierenveertig (44) bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van
tachtig (80) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door veertig (40) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]
geleden immateriële schade tot een bedrag van
€ 1.500,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
16 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering
.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00
vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagen
gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. van Dongen, voorzitter,
mr. A.K. Mireku en mr. J.J. Veldheer, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 november 2025.
Mr. J.J. Veldheer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.