ECLI:NL:RBNHO:2025:14211

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
11706231 \ CV EXPL 25-1871
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de oneerlijkheid van incassokostenbeding en rentebeding in algemene voorwaarden

In deze zaak heeft de kantonrechter op 3 december 2025 een verstekvonnis gewezen in een civiele procedure tussen een eiser, een bedrijf, en een gedaagde, een minderjarige die werd vertegenwoordigd door een wettelijk vertegenwoordiger. De eiser had een vordering ingesteld, waarbij de kantonrechter eerder op 10 september 2025 een tussenvonnis had uitgesproken over de oneerlijkheid van een beding in de algemene voorwaarden van de eiser. De eiser werd in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit oordeel. In de akte die daarop volgde, refereerde de eiser zich aan het voorlopige oordeel van de kantonrechter over het incassokostenbeding, dat als oneerlijk werd beoordeeld. De kantonrechter heeft vervolgens artikel 12 van de algemene voorwaarden vernietigd, wat betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. Het rentebeding in artikel 10 van de algemene voorwaarden werd echter niet oneerlijk bevonden.

De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente toegewezen, omdat deze vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond werden geacht. De gedaagde partij werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten, met uitzondering van de kosten voor de akte die voor rekening van de eiser blijven. De kantonrechter heeft de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van een bedrag aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eiser worden gemaakt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de vordering voor het overige werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11706231 \ CV EXPL 25-1871
Uitspraakdatum: 3 december 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] ([bedrijf])
te [plaats]
de eisende partij
procederende in persoon
tegen
[gedaagde], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[minderjarige]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 10 september 2025 heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend.

2.De verdere beoordeling

De algemene voorwaarden
2.1.
De eisende partij heeft zich in haar akte gerefereerd aan het in het tussenvonnis gegeven voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van het incassokostenbeding. De kantonrechter ziet daarom en ook anderszins geen aanleiding om daar nu anders over te denken en vernietigt artikel 12 van de algemene voorwaarden, voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
2.2.
Het rentebeding in artikel 10 van de algemene voorwaarden is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.3.
De gevorderde hoofdsom en wettelijke rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
2.4.
Naast de in de dagvaarding berekende rente, zal de verdere rente worden toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.
Conclusie en proceskosten
2.5.
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
2.6.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 267,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 253,94 vanaf 30 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 147,38;
griffierecht € 90,00;
salaris gemachtigde € 82,00;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter