ECLI:NL:RBNHO:2025:14235

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/15/364716 / JU RK 25-587 & C/15/370493 / JU RK 25-1411
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 7 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, een beschikking gegeven in de zaken met de zaaknummers C/15/364716 / JU RK 25-587 en C/15/370493 / JU RK 25-1411. Deze beschikking betreft de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige]. De moeder van [de minderjarige] is vanwege haar lichamelijke en psychische problematiek niet in staat om een veilige en gezonde opvoedomgeving te bieden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de plaatsing in het pleeggezin van tante [tante] moet worden geborgd. De Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam zijn betrokken als belanghebbenden in deze zaak.

De kinderrechter heeft de procedure op 7 november 2025 met gesloten deuren behandeld, waarbij de advocaat van de moeder, de Raad en de GI aanwezig waren. De moeder en de pleegmoeder zijn niet verschenen. De kinderrechter heeft de zorgen over de moeder en de thuissituatie van [de minderjarige] in overweging genomen. De moeder heeft in het verleden hulpverlening aanvaard, maar vertoont nu zorgmijdend gedrag. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd wordt en dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor zijn welzijn.

De kinderrechter heeft besloten om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot 28 mei 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin van tante [tante] eveneens te verlengen tot dezelfde datum. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/364716 / JU RK 25-587 & C/15/370493 / JU RK 25-1411
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak met zaaknummer C/15/364716 / JU RK 25-587 van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
en in de zaak met zaaknummer C/15/370493 / JU RK 25-1411 van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. E. Jense, kantoorhoudende te Zaandam.
De kinderrechter merkt in de zaak met zaaknummer C/15/364716 / JU RK 25-587 de GI ook als belanghebbende aan.
De kinderrechter merkt in de zaak met zaaknummer C/15/370493 / JU RK 25-1411 als informant aan:
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
in de zaak met zaaknummer C/15/364716 / JU RK 25-587:
  • de beschikking van 28 mei 2025;
  • de rapportage van de Raad van 21 oktober 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • het bericht van de advocaat van de moeder met daarin het standpunt van de moeder van 5 november 2025, ontvangen op dezelfde datum;
in de zaak met zaaknummer C/15/370493 / JU RK 25-1411:
- het verzoekschrift met bijlagen van 2 oktober 2025, ontvangen op 7 oktober 2025.
1.2.
De gelijktijdige behandeling van beide zaken heeft op de zitting met gesloten deuren op 7 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder en de pleegmoeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin.
2.3.
Bij beschikkingen van 5 maart 2025 en 18 maart 2025 – in samenhang bezien – is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend om hem binnen het netwerk uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
2.4.
Bij beschikking van 28 mei 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend om hem binnen het netwerk uit huis te plaatsen voor de duur van zes maanden. Het verzoek tot ondertoezichtstelling is voor het overige deel van zes maanden aangehouden tot deze zitting.

3.Het (aangehouden) verzoek van de Raad

3.1.
In de zaak met zaaknummer C/15/364716 / JU RK 25-587 handhaaft de Raad de resterende zes maanden van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De zorgen over het functioneren van de moeder zijn nog onveranderd en daarbij is zij ambivalent over de begeleiding die zij krijgt en is zij zorg mijdend. Ook is de thuissituatie bij de moeder nog ongewijzigd. Het huis is onleefbaar en dat is voor [de minderjarige] onveilig en ongezond. Tenslotte lukt het haar ook niet altijd om toezeggingen die zij maakt aan [de minderjarige] waar te maken, waardoor hij teleurgesteld raakt. De Raad ziet dat de moeder zich in wil zetten, maar in de praktijk lukt het haar nog onvoldoende om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.

4.Het verzoek van de GI

4.1.
In de zaak met zaaknummer C/15/370493 / JU RK 25-1411 verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.2.
De GI heeft ter onderbouwing – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [de minderjarige] in het netwerkpleeggezin van tante [tante] , de voormalige partner van zijn vader. Hij heeft daar stabiliteit en een plek die voor hem vertrouwd is. Over de situatie van de moeder bestaan nog veel zorgen. Het is wisselend hoe het met haar gaat en onduidelijk wat maakt dat zij nog niet tot vooruitgang komt in de zorg voor zichzelf en de woning. Hoewel het contact met de moeder heel belangrijk is voor [de minderjarige] , is het voor zijn ontwikkeling en veiligheid noodzakelijk dat iemand anders zijn dagelijkse opvoeder is. Daarom acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling (zoals door de Raad verzocht) en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden noodzakelijk.
4.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat er samen met de pleegzorgbegeleiding vanuit [organisatie] een plan wordt gemaakt om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] op een natuurlijke wijze uit te breiden. De GI ziet dat de moeder psychisch kwetsbaar is en onvoldoende zorgt voor zichzelf in algemene zin en meer specifiek voor haar medische gezondheid. De GI is bij de moeder langs geweest en heeft gezien dat de woning afgeschermd is en de brievenbus vol is. Ook heeft de GI contact gehad met de huisarts van de moeder, die heeft aangegeven dat de moeder geen enkele keer bij de diëtiste is geweest en dat uit de afgenomen bloedtest blijkt dat zij geen medicatie gebruikt. De GI is van plan om een vorm van bemoeizorg in te zetten om de moeder te ondersteunen bij en te motiveren voor het aangaan van hulpverlening en diagnostiek. De moeder verblijft grotendeels bij haar eigen moeder, de oma van [de minderjarige] , en daar vindt ook de omgang met [de minderjarige] plaats. De GI staat in goed contact met de oma.

5.De standpunten

5.1.
De advocaat heeft namens de moeder naar voren gebracht dat het beter gaat met de moeder. Zij accepteert hulpverlening en krijgt van de huisarts medicatie voor haar diabetes. Ook is zij bezig geweest met het verbeteren van de woning. De moeder wil graag dat het contact met [de minderjarige] uitgebreid wordt en zij wil weer de zorg van [de minderjarige] op zich nemen. In het geval de kinderrechter van oordeel is dat wel een verlenging nodig is, wordt namens de moeder verzocht om een kortere termijn te bepalen, of de uithuisplaatsing bij de oma te bepalen.

6.De mening van [de minderjarige]

6.1.
heeft verteld dat goed met hem gaat bij tante [tante] . Hij wil graag weer bij de moeder wonen. Het contact met de moeder vindt hij fijn.

7.De beoordeling

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen zoals omschreven in de beschikking van 28 mei 2025 zijn nog aanwezig. De situatie van de moeder is sindsdien niet veranderd. Anders dan namens de moeder is gesteld, zijn er sterke aanwijzingen zijn dat het psychisch en fysiek niet goed gaat met de moeder. De GI heeft daarvoor recente informatie verschaft vanuit de hulpverlener van [organisatie] en de huisarts. Uit die sterke aanwijzingen volgt dat de moeder niet goed voor zichzelf zorgt en niet in staat kan worden geacht om voldoende emotioneel en fysiek beschikbaar te zijn voor [de minderjarige] . Een complicerende factor hierbij is dat de moeder een patroon laat zien waarbij zij hulpverlening in eerste instantie aanvaardt, maar in tweede instantie het contact afhoudt en hulpverlening vermijdt. Namens de moeder is naar voren gebracht dat zij hulpverlening/behandeling aangaat. Uit de informatie van [organisatie] en de huisarts blijkt echter dat zij op dit moment zorg mijdend is, terwijl individuele hulpverlening/behandeling juist noodzakelijk is of lijkt te zijn. De GI wil in het gedwongen kader zo concreet mogelijk aan de moeder uitleggen wat er van haar wordt verwacht, zodat zij de nodige stappen kan zetten voor [de minderjarige] . Daarbij zal gewerkt worden aan het uitbreiden van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] , omdat er een grote behoefte bij [de minderjarige] bestaat om (meer) contact met de moeder te hebben.
7.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nog steeds nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de resterende periode van een half jaar, te weten tot 28 mei 2026.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter ook van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De moeder is op dit moment niet in staat om [de minderjarige] een veilige en gezonde opvoedomgeving te bieden waarin hij tot ontwikkeling kan komen. Hierbij is ook van belang dat de woning nog steeds ernstig vervuild is. In het gezin van tante [tante] gaat het goed met [de minderjarige] . Het is noodzakelijk dat deze plaatsing geborgd wordt en daarom verlengt de kinderrechter de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.
7.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
7.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot 28 mei 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin tot 28 mei 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 25 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.