ECLI:NL:RBNHO:2025:14253

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11850437
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verklaring voor recht van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van vergoedingen

In deze zaak verzoekt de werknemer, [verzoeker], om een verklaring voor recht dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met zijn werkgever, [verweerder]. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er meerdere arbeidsovereenkomsten zijn geweest die samen een periode van 36 maanden overschrijden, zonder onderbreking van meer dan zes maanden. Daarnaast wordt het verzoek van de werknemer om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en om een billijke vergoeding en transitievergoeding toe te kennen, toegewezen. De werkgever, [verweerder], heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door geen salaris meer te betalen en de ziekmelding van de werknemer niet te accepteren. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2026 en kent een billijke vergoeding van € 5.000,00 en een transitievergoeding van € 2.579,77 toe. Tevens wordt [verweerder] veroordeeld tot betaling van achterstallig loon van € 9.296,48 en de wettelijke verhoging van € 4.648,24. Het tegenverzoek van [verweerder] wordt afgewezen, omdat het geen verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst en moet worden behandeld in een aparte procedure.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11850437 \ AO VERZ 25-36 (rvk)
Beschikking van 5 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A. Azauiyat,
[toevoegingsnr.: [nummer] ]
tegen
[verweerder] ,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigden: mr. J.T.P. Koenis en mr. T. Guenneguez.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om een verklaring voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat sprake is van meerdere arbeidsovereenkomsten die de duur van 36 maanden overschrijden en er geen onderbreking is van meer dan zes maanden. Ook het verzoek van de werknemer om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en een billijke vergoeding en een transitievergoeding toe te kennen, wordt toegewezen omdat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Het tegenverzoek van werkgever om de werknemer te veroordelen om het restant van de koopsom van een auto te betalen wordt verwezen naar de dagvaardingsprocedure, omdat deze vordering geen verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2.
Op 7 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verweerder] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] met een e-mail van 5 november 2025 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [datum] , is op 1 augustus 2022 in dienst bij getreden bij [verweerder] , op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zes maanden), tot 31 januari 2023. De functie van [verzoeker] is monteur met een loon van laatstelijk € 2.324,12 bruto per maand.
2.2.
De arbeidsovereenkomst is per 31 januari 2023 stilzwijgend verlengd, en de nieuwe einddatum zou daarmee op 31 juli 2023 komen. Ook deze overeenkomst is stilzwijgend verlengd, maar [verzoeker] en [verweerder] zijn overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen: volgens [verzoeker] gaat het om de einddatum 31 augustus 2023 en volgens [verweerder] om een einddatum van 19 augustus 2023.
2.3.
Op 1 maart 2024 is [verzoeker] weer terug in dienst gekomen bij [verweerder] , wederom op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, dus tot 31 augustus 2024. Deze overeenkomst is verlengd voor de duur van twaalf maanden, dus tot 31 augustus 2025.
2.4.
[verzoeker] heeft zich in maart 2025 ziekgemeld. Sindsdien heeft hij niet meer bij [verweerder] gewerkt.
2.5.
[verweerder] heeft op 31 maart 2025 een overeenkomst aan [verzoeker] aangeboden waarmee de arbeidsovereenkomst per die dag zou eindigen. [verzoeker] heeft die overeenkomst niet ondertekend.
2.6.
Na maart 2025 heeft [verweerder] geen salaris meer aan [verzoeker] uitbetaald.
2.7.
In een brief van 21 mei 2025 is [verzoeker] opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 8 juli 2025. [verzoeker] is op dat spreekuur niet verschenen.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een verklaring voor recht uit te spreken waarmee komt vast te staan dat er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vervolgens verzoekt [verzoeker] dat de kantonrechter die arbeidsovereenkomst ontbindt en hem een billijke vergoeding van € 105.778,88 en de transitievergoeding (nog nader te bepalen) toekent. Daarnaast verzoekt [verzoeker] , nadat hij zijn verzoek op de zitting heeft gecorrigeerd en gewijzigd, dat [verweerder] veroordeeld wordt een bedrag van € 9.296,48 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging (€ 4.648,24) te betalen. [verzoeker] maakt ook aanspraak op doorbetaling van loon na 1 augustus 2025. [verzoeker] verzoekt ook – op straffe van een dwangsom - dat aan hem loonstroken en een correcte eindafrekening verstrekt worden. [verzoeker] maakt tot slot aanspraak op de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. [verzoeker] is sinds 1 augustus 2022 bij [verweerder] werkzaam op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Met het verstrijken van de periode van drie jaar op 1 augustus 2025, is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Bovendien is de arbeidsovereenkomst tenminste drie maal verlengd en ook daarom is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Omdat [verweerder] zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen, is de arbeidsrelatie verstoord. Dat maakt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. [verzoeker] heeft vanwege de ernstige verwijtbaarheid recht op een billijke vergoeding en de transitievergoeding. [verweerder] heeft verder sinds april 2025 het loon niet meer betaald. [verzoeker] heeft recht op betaling van het achterstallige salaris van € 9.296,48 bruto en de wettelijke verhoging daarover van € 4.648,24 en [verzoeker] heeft ook recht op doorbetaling van zijn loon vanaf 1 augustus 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
3.3.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. [verzoeker] is namelijk op basis van meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voor [verweerder] werkzaam geweest, maar er is een onderbreking geweest van meer dan zes maanden, zodat de laatste arbeidsovereenkomst niet geldt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De laatste arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 31 augustus 2025 door het verstrijken van de tijd. De verzochte verklaring voor recht kan daarom niet gegeven worden en er is ook geen grond om een billijke vergoeding of een transitievergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft bovendien niet ernstig verwijtbaar gehandeld dus ook daarom is zij geen transitievergoeding of billijke vergoeding verschuldigd.
3.4.
Op zich klopt het dat [verweerder] gehouden is het gevorderde loon tot 1 september 2025 door te betalen, maar [verweerder] doet een beroep op verrekening met haar eigen vordering van € 20.015,03 op grond van de koopovereenkomst van een auto tussen [verweerder] en [verzoeker] .
3.5.
Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet passend om de wettelijke verhoging toe te kennen omdat [verzoeker] de indruk heeft gewekt per maart 2025 te willen stoppen met werken en omdat hij zich ziek heeft gemeld maar zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Ook op dit punt doet [verweerder] overigens een beroep op verrekening met de schuld van [verzoeker] .
3.6.
De transitievergoeding kan voor het geval wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd verrekend worden met de schuld van [verzoeker] . Voor het geval dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en wordt ontbonden, dan geldt dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . [verzoeker] heeft daarom geen recht op een transitievergoeding
3.7.
De vordering van [verzoeker] tot afgifte van loonstroken en de eindafrekening moet worden afgewezen, omdat [verzoeker] maandelijks loonstroken heeft ontvangen. Voor het geval [verweerder] toch tot afgifte veroordeeld wordt, is het niet nodig en onredelijk een dwangsom op de afgifte te stellen.
3.8.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoeker] tot betaling van € 20.015,03. [verweerder] stelt dat [verzoeker] op 11 maart 2023 een auto van [verweerder] heeft gekocht. Daarbij was de afspraak dat [verzoeker] de koopprijs van € 40.000,- in maandelijkse termijnen van € 1000,- zou voldoen. [verzoeker] heeft tot nu toe 7 termijnen van steeds € 1.000,- betaald, terwijl hij 31 termijnen en dus € 31.000,- betaald had moeten hebben, zodat nog een bedrag van € 24.000,- openstaat. [verzoeker] heeft de auto ook in april 2025 door [verweerder] laten keuren en repareren en [verzoeker] is gehouden de factuur van € 2.015,03 inclusief btw die daarvoor is verzonden te voldoen.
3.9.
[verzoeker] voert aan dat [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat er geen samenhang bestaat tussen de vordering en het einde van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [verweerder] kan dus niet in deze procedure worden behandeld.

4.De beoordeling van het verzoek

er is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens [verzoeker] is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, terwijl [verweerder] meent dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 31 augustus 2025 is geëindigd door het bereiken van de einddatum.
4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] gelijk en is tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd en toegelicht.
4.3.
Volgens de ‘ketenregeling’ in de wet [1] , geldt vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden hebben overschreden, met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd. Tussen de opvolgende arbeidsovereenkomsten mag enige tijd zitten, maar niet meer dan zes maanden. Dit laatste staat centraal in de beoordeling.
4.4.
[verzoeker] is op 1 augustus 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, dus tot 1 februari 2023 in dienst getreden bij [verweerder] . Deze arbeidsovereenkomst is stilzwijgend verlengd met zes maanden en zou dus eindigen op 1 augustus 2023. Ook deze overeenkomst is stilzwijgend verlengd, maar [verzoeker] is vervolgens uit dienst getreden – volgens [verzoeker] per 31 augustus 2023 en volgens [verweerder] per 19 augustus 2023. Dat is van belang, omdat verder wel vaststaat dat [verzoeker] op 1 maart 2024 weer in dienst is getreden bij [verweerder] . Als de lezing van [verzoeker] gevolgd wordt is er sprake van een onderbreking van precies zes maanden en is de ‘keten’ niet doorbroken wat tot gevolg heeft dat op 1 augustus 2025 de periode van 36 maanden is verstreken en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Als de lezing van [verweerder] wordt gevolgd is er sprake van een onderbreking van meer dan zes maanden (namelijk zes maanden en 12 dagen) en is de ‘keten’ doorbroken en blijft de laatste (stilzwijgend verlengde) arbeidsovereenkomst, een overeenkomst voor bepaalde tijd die op 31 augustus 2025 van rechtswege is geëindigd.
4.5.
[verweerder] heeft zich beroepen op een vaststellingsovereenkomst waarin staat dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 19 augustus 2023. Volgens [verweerder] is deze vaststellingsovereenkomst door beide partijen ondertekend. [verzoeker] heeft het bestaan van de overeenstemming betwist en hij heeft ook ontkend dat de handtekening onder de overeenkomst de zijne is; [verzoeker] stelt dat onderling is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst 31 augustus 2023 zou eindigen.
4.6.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Wanneer een partij zijn handtekening onder een onderhandse akte (en dat is de vaststellingsovereenkomst) stellig ontkent, levert dat geen bewijs op zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is [2] . [verzoeker] heeft stellig en gemotiveerd ontkend dat zijn handtekening onder de vaststellingsovereenkomst staat. Daarbij heeft hij er op gewezen dat zijn paraaf precies op de beslissende pagina’s van de vaststellingsovereenkomst ontbreekt, namelijk de pagina’s waarop de einddatum van 19 augustus 2023 vermeld staat, en dat de handtekening onder de overeenkomst afwijkt van zijn handtekening, waarbij hij verwijst naar een kopie van zijn rijbewijs.
4.7.
De hoofdregel in het geval van een stellige ontkenning, is dat degene die zich op de echtheid van de handtekening beroept daarvan bewijs moet leveren. Echter in dit geval heeft [verweerder] onvoldoende ingebracht tegenover wat [verzoeker] gemotiveerd heeft gesteld, zoals hiervoor weergegeven. Ook heeft [verweerder] onvoldoende ingebracht tegen wat [verzoeker] nog meer heeft gesteld over het eindigen van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft namelijk ook verwezen naar de gegevens in de polisadministratie van het UWV, dat is gebaseerd op gegevens die door [verweerder] als werkgever zelf zijn verstrekt, en daarvan een overzicht overgelegd. In dat overzicht staat een einddatum van 31 augustus 2023. Ook is daarin het gebruikelijke aantal gewerkte uren voor de maand augustus opgenomen, namelijk 173 uur. Dat is hetzelfde aantal uren dat [verzoeker] blijkens datzelfde overzicht ook in de voorgaande (hele) maanden werkte. Dit strookt dus niet met wat [verweerder] in deze procedure over de einddatum van de arbeidsovereenkomst heeft gesteld. Daarbij komt dat [verweerder] op de zitting desgevraagd heeft verklaard dat het volledige loon over augustus 2023 is uitbetaald en [verzoeker] heeft dat bevestigd. Dat strookt dus met de gegevens zoals die bij het UWV zijn geregistreerd. Gelet hierop lag het op de weg van [verweerder] om zijn stellingen over de afwijkende einddatum nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door de loonstrook over augustus 2023 of de eindafrekening over te leggen, maar dat heeft [verweerder] niet gedaan. De conclusie is dat onder deze omstandigheden niet wordt toegekomen aan nadere bewijslevering doormiddel van het benoemen van een handschriftdeskundige. En dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst geen bewijs oplevert. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de arbeidsovereenkomst voor de onderbreking heeft voortgeduurd tot 31 augustus 2023. Het beroep van [verzoeker] op de ketenregeling slaagt en de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. De gevraagde verklaring voor recht dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan zal worden uitgesproken.
de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
4.8.
[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat er volgens hem sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . De kantonrechter kan op verzoek van een werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen [3] . Omdat [verweerder] zich niet tegen de verzochte ontbinding verzet en een werknemersverzoek in beginsel gehonoreerd dient te worden, wordt het verzoek tot ontbinding toegewezen. Voor de ontbindingsdatum sluit de kantonrechter aan bij de termijn zoals die voor werkgeversverzoeken geldt. Dat betekent dat met inachtneming van de opzegtermijn en onder aftrek van de duur van de procedure, de ontbinding zal worden uitgesproken per 1 februari 2026.
de werkgever moet een transitievergoeding en een billijke vergoeding betalen
4.9.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er aanleiding is voor toekenning van de verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding. Nu het verzoek is ingediend door [verzoeker] als werknemer, is de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 onder b BW slechts verschuldigd indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt ingevolge artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW dezelfde maatstaf.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. En ziet daarom aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding en een transitievergoeding toe te kennen. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.
4.11.
Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.12.
[verzoeker] heeft onder andere aangevoerd dat hij vanaf het begin af aan structureel moest overwerken en dat [verweerder] dat overwerk nooit uitbetaalde en ook dat een ziekmelding in juni 2023 niet werd geaccepteerd door [verweerder] . De kantonrechter zal echter de feiten en omstandigheden over de periode tot eind augustus 2023 buiten beschouwing laten, omdat die omstandigheden er niet aan in de weg hebben gestaan dat [verzoeker] daarna per 1 maart 2024 opnieuw in dienst is getreden bij [verweerder] , iets waartoe hij zelf het initiatief heeft genomen. Voor de periode vanaf maart 2024 ligt dat anders. Vaststaat dat vanaf april 2025 geen loon meer is betaald en ook constateert de kantonrechter op grond van de in het geding gebrachte Whatsapp-berichten dat [verweerder] een verkeerde woordkeuze bezigt en op een manier communiceert die niet door de beugel kan. Ook heeft [verweerder] de ziekmelding van [verzoeker] van maart 2025 niet geaccepteerd, maar getracht hem te bewegen een beëindigingsovereenkomst te tekenen – met een einde per dezelfde dag. Daarmee heeft [verweerder] [verzoeker] op een onredelijke manier onder druk gezet. Dat [verweerder] gefrustreerd was over de gang van zaken ontslaat haar niet van de verplichting zich als goed werkgever te gedragen.
4.13.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt dus toegewezen. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [4] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.14.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 5.000,00. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. De stelling van [verzoeker] dat de arbeidsovereenkomst nog twee jaar zou hebben geduurd is niet onderbouwd en ook niet aannemelijk. De relatie tussen partijen is verstoord. [verzoeker] moet verder geacht worden in staat te zijn binnen afzienbare tijd een andere baan te vinden. De kantonrechter komt daarom op een vergoeding die in redelijkheid wordt begroot op € 5.000,-. [verzoeker] verzoekt ook een vergoeding voor geleden de immateriële schade, maar daarvoor heeft [verzoeker] geen deugdelijke onderbouwing gegeven. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding is daar dan ook geen rekening mee gehouden.
4.15.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding eveneens moet worden toegewezen. [verzoeker] heeft op de zitting uitdrukkelijk gezegd dat hij de berekening van de transitievergoeding aan de kantonrechter overlaat. De kantonrechter komt tot een transitievergoeding van € 2.579,77 bruto. Bij de berekening is tot uitgangspunt genomen dat het salaris van [verzoeker] € 2.324,12 bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, en dat arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 augustus 2022 en wordt beëindigd op 1 februari 2026. [verweerder] wordt dus veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 2.579,77 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 maart 2026.
de werkgever moet het (achterstallige) loon betalen
4.17.
[verzoeker] verzoekt ook om betaling van achterstallig loon van € 9.296,48 bruto. [verzoeker] heeft die vordering in het petitum van zijn verzoekschrift omschreven als ‘niet betaalde gewerkte overuren’. Op de zitting is aan de orde gekomen dat dit een verschrijving betreft en dat verzocht wordt om doorbetaling van het ‘gewone’ loon. De kantonrechter acht de verbetering van deze verschrijving niet in strijd met de goede procesorde, omdat [verweerder] uit het verzoek had kunnen opmaken dat het [verzoeker] om zijn gewone loon te doen is.
[verzoeker] heeft op de zitting ook ter sprake gebracht dat het door de omschrijving in het petitum lijkt of hij zijn loonvordering beperkt tot vier maanden, maar dat hij aanspraak maakt op doorbetaling van zijn loon tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft daarmee zijn verzoek gewijzigd. De kantonrechter acht deze wijziging evenmin in strijd met de goede procesorde, gelet op de aard van de zaak. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen door niet op het spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Dat verweer slaagt niet vanwege de druk die op [verzoeker] is uitgeoefend om tot een beëindiging te komen en omdat [verweerder] niet heeft gewaarschuwd alvorens de loonstop door te voeren. Het is [verweerder] die zich op dit punt niet op de op haar als werkgever rustende verplichtingen heeft voldaan. De vordering tot betaling van het achterstallige loon en de loondoorbetaling tot het einde van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen. Gelet op de te late betaling zal ook de wettelijke verhoging worden toegewezen. Van enige strijd met de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid is geen sprake.
geen beroep op verrekening
4.18.
[verweerder] doet een beroep op verrekening van wat zij nog aan [verzoeker] moet betalen, met wat [verzoeker] nog volgens [verweerder] aan haar moet betalen voor de auto. Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een beroep op verrekening passeren als de vordering die daaraan ten grondslag ligt, niet eenvoudig is vast te stellen. Die situatie doet zich naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak voor. [verzoeker] heeft de vordering van [verweerder] immers gemotiveerd betwist. Dit betekent dat [verweerder] geen beroep op verrekening kan doen.
geen belang bij overige verzoeken
4.19.
[verzoeker] heeft geen belang bij de andere verzochte verklaringen voor recht omdat wordt toegewezen wat feitelijk wordt verzocht. Deze verklaringen voor recht zullen daarom niet worden uitgesproken.
de werkgever moet de proceskosten betalen
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van € 20.015,03. Dit betreft het restant van de kooprijs en de kosten reparatie van de auto die [verzoeker] gekocht heeft van [verweerder] .
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het tegenverzoek niet in deze procedure behandeld kan worden. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
5.3.
In een verzoekschriftprocedure als deze kunnen andere vorderingen die met het einde van het dienstverband verband houden worden ingesteld [5] . Maar aan de voorwaarden daarvoor is niet voldaan, want de vordering die [verweerder] instelt houdt geen verband met het einde van het dienstverband. Het gaat om een afzonderlijke vordering tot betaling van de koopprijs van een auto en een reparatie en behalve dat partijen werkgever en werknemer zijn staat de koopovereenkomst en de nakoming daarvan geheel los van het einde van het dienstverband. [verweerder] had haar tegenverzoek daarom in een aparte procedure, bij dagvaarding, aanhangig moeten maken.
5.4.
De kantonrechter zal het tegenverzoek om die reden afsplitsen en verwijzen naar de dagvaardingsprocedure [6] . [verweerder] zal in de gelegenheid gesteld worden zijn tegenverzoek te verbeteren of aan te vullen. De zaak van het tegenverzoek zal daarvoor worden verwezen naar de rolzitting van 8 januari 2026 om 10.00 uur om te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Omdat [verzoeker] als verweerder in het tegenverzoek is verschenen, is een afzonderlijke oproeping per deurwaardersexploot niet nodig.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
verklaart voor recht dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd,
6.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026,
6.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 2.579,77 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen drie dagen na betekening van deze beschikking het achterstallige loon van € 9.296,48 bruto tot en met juli 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging van € 4.648,24 te betalen,
6.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] het loon van € 2.324,12 bruto per maand vanaf 1 augustus 2025, door te betalen tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst,
6.7.
veroordeelt [verweerder] om de wettelijke rente over de in 6.5 toegewezen bedragen te betalen, vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van voldoening,
6.8.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen 3 werkdagen na betekening van deze beschikking de loonstroken over het gehele dienstverband, alsmede loonstroken waarin de achterstallige loonbetaling, de billijke vergoeding en de transitievergoeding zijn verwerkt, alsmede de eindafrekening te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 5.000,-,
6.9.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [7] ,
6.11.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
6.12.
bepaalt dat het verzoek van [verweerder] wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,
6.13.
stelt [verweerder] in de gelegenheid het verzoek aan te passen aan de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en het verzoek te verbeteren en aan te vullen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 8 januari 2026 om 10.00 uur.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 159 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.Artikel 6:671c BW.
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
5.Artikel 7:686a lid 3 BW.
6.Artikel 69 Rv.
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.