ECLI:NL:RBNHO:2025:14290

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11974917
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over ontruiming van een woning in kort geding met belangenafweging tussen verhuurder en bewindvoerder

In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Noord-Holland, is een kort geding aanhangig gemaakt door de bewindvoerder van [betrokkene], die in hoger beroep is gegaan tegen een vonnis van 29 oktober 2025. Dit vonnis, dat de huurovereenkomst tussen [betrokkene] en STICHTING PRÉ WONEN ontbond, verplichtte de bewindvoerder tot ontruiming van de woning. De bewindvoerder vordert in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat het gerechtshof Amsterdam een beslissing heeft genomen in het hoger beroep. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het eerdere vonnis en dat de belangen van Pré Wonen bij de tenuitvoerlegging zwaarder wegen dan die van [betrokkene] om in haar woning te blijven. De vordering van de bewindvoerder wordt afgewezen. De procedure omvat een dagvaarding, producties van beide partijen en een mondelinge behandeling. De kantonrechter concludeert dat de bewindvoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] na ontruiming nergens terecht kan, en dat het belang van Pré Wonen bij ontruiming van de woning zwaarder weegt. De bewindvoerder en [betrokkene] worden in de proceskosten veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11974917 \ VV EXPL 25-172
Vonnis in kort geding van 28 november 2025
in de zaak van
1.
STICHTING BUDGET, in haar hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind over de goederen van
[betrokkene],
te [plaats],
2.
[betrokkene],
te [plaats],
eisende partijen,
hierna te noemen: de bewindvoerder en [betrokkene],
gemachtigde: mr. R.A. Bos,
tegen
STICHTING PRÉ WONEN,
te Velserbroek,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Pré Wonen,
gemachtigde: mr. D.A. Fransen.
De zaak in het kort
De bewindvoerder is op 29 oktober 2025 veroordeeld tot ontruiming van de woning die [betrokkene] huurt van Pré Wonen. De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld en vordert in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis totdat in hoger beroep is beslist. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag en dat het belang van Pré Wonen bij de tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [betrokkene] om in haar woning te blijven. De vordering wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 november 2025 met 5 producties;
- de producties 1 en 2 van de zijde van Pré Wonen;
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van Pré Wonen.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] huurt met ingang van 8 september 2015 van Pré Wonen de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
In het vonnis van 29 oktober 2025 (zaaknr./rolnr 11666285 \ CV EXPL 25-2596) van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: het vonnis) is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming van de woning. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
2.3.
Op 11 november 2025 heeft Pré Wonen per deurwaardersexploot het vonnis aan de bewindvoerder betekend en (onder meer) bevel gedaan de woning te ontruimen met een ontruimingstermijn van 14 dagen en aangezegd dat daadwerkelijke ontruiming zal plaatsvinden op 2 december 2025.
2.4.
De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis bij gerechtshof Amsterdam.

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert veroordeling van Pré Wonen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zolang het gerechtshof Amsterdam nog geen onherroepelijk oordeel heeft gegeven ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning met veroordeling van Pré Wonen in de kosten.
3.2.
De bewindvoerder legt aan de vordering ten grondslag dat het vonnis berust op kennelijke misslagen. Ten is eerste is sprake van verbetering in het gedrag van [betrokkene], maar is dit niet meegewogen in het vonnis. Ten tweede is niet objectief vastgesteld dat er sprake is van overlast. Tot slot is de (enige) overlast niet toe te rekenen aan [betrokkene], omdat haar geen verwijt kan worden gemaakt.
3.3.
Daarnaast legt de bewindvoerder aan haar vordering ten grondslag dat het belang van [betrokkene] bij behoud van de woning zolang niet op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Pré Wonen om het vonnis ten uitvoer te kunnen legen. De executie van het vonnis zal tot een noodtoestand en onomkeerbare gevolgen leiden.
3.4.
Pré Wonen voert verweer. Pré Wonen betwist dat het vonnis berust op kennelijke misslagen, stelt dat er in het vonnis al een belangenafweging heeft plaatsgevonden en, als daarvoor in het onderhavige geschil toch nog ruimte is, haar belangen bij ontruiming van de woning zwaarder wegen dan de belangen van [betrokkene]. Pre Wonen concludeert tot tot afwijzing van de vorderingen van de bewindvoerder, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De goederen van [betrokkene] staan onder bewind. De uit een huurovereenkomst voortvloeiende rechten zijn aan te merken als onder bewind staande goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende in en buiten rechte. Dat betekent dat de bewindvoerder ook in een executiegeschil dat betrekking heeft op een vonnis waarin de bewindvoerder de formele procespartij is - zoals het onderhavige - de formele procespartij is. [betrokkene] zal daarom in haar vordering tegen Pré Wonen niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
Het gaat in deze zaak om een executiegeschil [1] . Het spoedeisend belang van de bewindvoerder vloeit voort uit de aard van de vordering.
4.3.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.4.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissingen berusten op een kennelijke misslag.
4.5.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eisende partij, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd, dan dient de kantonrechter, wederom uitgaande van de beslissing in de bestreden uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, in het executiegeschil alsnog een belangenafweging maken [2] .
4.6.
De kantonrechter zal eerst beoordelen of sprake is van een misslag en vervolgens of er aanleiding is voor een (nadere) belangenafweging.
Kennelijke misslag?
4.7.
De bewindvoerder voert aan dat in het vonnis ten onrechte geen verbetering in het gedrag van [betrokkene] is aangenomen, dat ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van overlast en dat ten onrechte de overlast van derden is toegerekend aan [betrokkene]. Dit betekent volgens de bewindvoerder dat het vonnis berust op kennelijke misslagen.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het betoog van de bewindvoerder strekt tot een inhoudelijke herbeoordeling waarvoor in een executiegeschil geen plaats is. Van een kennelijke misslag is geen sprake.
Uitvoerbaarheid bij voorraad gemotiveerd?
4.9.
Volgens Pré Wonen is de beslissing om de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wel degelijk in het vonnis gemotiveerd, door de bewindvoerder een ruime ontruimingstermijn te gunnen waarbij aansluiting is gezocht bij de omstandigheden van [betrokkene], zodat de belangen van [betrokkene] in zijn oordeel zijn meegewogen.
4.10.
De kantonrechter volgt Pré Wonen daarin niet. Weliswaar volstaat een summiere motivering om te kunnen spreken van een gemotiveerde beslissing en is niet vereist dat alle relevante omstandigheden en belangen kenbaar in de beoordeling zijn betrokken, maar de motivering van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring moet wel specifiek daarop betrekking hebben. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake. Weliswaar zijn de belangen van [betrokkene] meegewogen door haar een ruimere ontruimingstermijn te gunnen maar die belangenafweging ziet op de vraag of de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning moet worden toegewezen en niet specifiek op de vraag of het vonnis uitvoerbaarheid bij voorraad moet worden verklaard. Dit leidt tot de conclusie dat alsnog een belangenafweging dient te worden gemaakt.
Belangenafweging
4.11.
Omdat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in he vonnis niet is gemotiveerd, zal de afweging van de belangen van partijen in dit kort geding moeten worden gemaakt. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [betrokkene] bij behoud van de woning zolang niet op het door de haar ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Pré Wonen om het vonnis onmiddellijk ten uitvoer te kunnen leggen.
4.12.
De bewindvoerder stelt dat de ontruiming leidt tot een noodtoestand, omdat [betrokkene] volledig afhankelijk is van haar woning. De bewindvoerder stelt dat [betrokkene] en haar hond na de ontruiming op straat komen te staan, terwijl het kunnen beschikken over een stabiele woonomgeving van essentieel belang voor [betrokkene] en het herstel van haar drugsverslaving. Er is (telefonisch) contact geweest met verschillende instanties waaronder het Leger des Heils om te informeren naar mogelijkheden voor opvang, maar bij geen enkele instantie is plek voor [betrokkene].
4.13.
Pré Wonen heeft gemotiveerd betwist dat voor [betrokkene] geen enkele vorm van opvang beschikbaar is. In dat verband heeft zij er ter zitting op gewezen dat de website van het Leger des Heils vermeldt dat opvang mogelijk is. Verder stelt Pré Wonen groot belang te hebben bij ontruiming van de woning vanwege haar verplichtingen overlast tegen te gaan en de omwonenden een veilige omgeving te bieden.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder met haar blote stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] na ontruiming van de woning nergens terecht kan. Ook overigens heeft zij onvoldoende onderbouwd waarom het uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn in het onderhavige geval voor het belang van [betrokkene] moet wijken. Hetgeen de bewindvoerder heeft aangevoerd tegen het belang van Pré Wonen bij tenuitvoerlegging heeft betrekking op de inhoud van het vonnis. Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat het belang van Pré Wonen bij tenuitvoerlegging van het vonnis niet zwaarder moet wegen dan het belang van [betrokkene] bij behoud van haar woning. Dit betekent dat de vorderingen van de bewindvoerder zullen worden afgewezen.
4.15.
De bewindvoerder en [betrokkene] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pré Wonen worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
131,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
674,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [betrokkene] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
5.2.
wijst de vorderingen van de bewindvoerder af,
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder en [betrokkene] in de proceskosten van € 543,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 131,00 aan nakosten en de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025

Voetnoten

1.Artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.