In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Noord-Holland, is een kort geding aanhangig gemaakt door de bewindvoerder van [betrokkene], die in hoger beroep is gegaan tegen een vonnis van 29 oktober 2025. Dit vonnis, dat de huurovereenkomst tussen [betrokkene] en STICHTING PRÉ WONEN ontbond, verplichtte de bewindvoerder tot ontruiming van de woning. De bewindvoerder vordert in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat het gerechtshof Amsterdam een beslissing heeft genomen in het hoger beroep. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het eerdere vonnis en dat de belangen van Pré Wonen bij de tenuitvoerlegging zwaarder wegen dan die van [betrokkene] om in haar woning te blijven. De vordering van de bewindvoerder wordt afgewezen. De procedure omvat een dagvaarding, producties van beide partijen en een mondelinge behandeling. De kantonrechter concludeert dat de bewindvoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] na ontruiming nergens terecht kan, en dat het belang van Pré Wonen bij ontruiming van de woning zwaarder weegt. De bewindvoerder en [betrokkene] worden in de proceskosten veroordeeld.