ECLI:NL:RBNHO:2025:14300

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/15/372445 / KG ZA 25-759
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot afgifte lichaam overledene met betrekking tot vermoedelijke wens voor Joodse begrafenis

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Noord-Holland op 5 december 2025, is een vordering tot afgifte van het lichaam van de overledene aan de vereniging Joods Begrafeniswezen (JBW) aan de orde. De overledene, die op 1 december 2025 is overleden, had een volmacht afgegeven aan zijn advocaat, mr. H. Loonstein, waarin hij zijn wens voor een Joodse begrafenis heeft vastgelegd. De kinderen van de overledene hebben echter op 4 december 2025 aangegeven dat zij niet langer instemmen met de overdracht van het lichaam aan JBW, wat leidt tot een juridisch geschil over de wens van de overledene en de geldigheid van de volmacht.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de volmacht, hoewel niet volledig voldoet aan de wettelijke eisen, toch waarde heeft in het vaststellen van de vermoedelijke wil van de overledene. De verklaring van de rabbijn van de synagoge van Beth Shalom ondersteunt de wens van de overledene voor een Joodse begrafenis. De kinderen betwisten de waarde van de volmacht en de verklaring van de rabbijn, omdat zij stellen dat hun vader door dementie niet in staat was zijn wil te bepalen. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat er geen aanwijzingen zijn dat de volmacht en de verklaring van de rabbijn niet betrouwbaar zijn.

Uiteindelijk concludeert de voorzieningenrechter dat er voldoende aannemelijk is dat de overledene een Joodse begrafenis wenste. De vordering van JBW wordt toegewezen, en de voorzieningenrechter beveelt dat het lichaam van de overledene op 5 december 2025 vóór 14:00 uur aan JBW moet worden afgegeven. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Dit vonnis is in het openbaar uitgesproken door mr. W.S.J. Thijs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.S. Brouwer, griffier.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: C/15/372445 / KG ZA 25-759
Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 5 december 2025, houdende mondeling vonnis
in de zaak van
de vereniging
HET JOODS BEGRAFENISWEZEN
gevestigd te Amstelveen,
eiseres,
advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] in haar hoedanigheid van vennoot van de vennootschap onder firma [betrokkene 1],
gevestigd te [plaats],
gedaagde,
Partijen zullen hierna respectievelijk Joods Begrafenis Wezen (hierna: JBW) en [plaats] genoemd worden.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. W.S.J. Thijs, voorzieningenrechter, en mr. Y.S. Brouwer, griffier.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
Namens Joods Begrafenis Wezen (hierna: JBW):
  • [betrokkene 2]
  • Mr. H. Loonstein, voornoemd
Namens [plaats]:
- [betrokkene 3]
Ter zitting hebben zich met instemming van JBW aan de zijde van [plaats] gevoegd:
- [betrokkene 4],
- [betrokkene 5],
hierna samen genoemd: de kinderen
Na het wisselen van standpunten van partijen en een schorsing wijst de rechter het volgende vonnis.

1.De beoordeling

1.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.
1.2.
Op 1 december 2025 is te Amsterdam overleden de heer [overledene], geboren op [geboortedatum] 1940 te Casablanca, Marokko (hierna te noemen: de overledene).
1.3.
JBW heeft in eerste instantie met instemming van de vier kinderen van de overledene de voorbereidingen getroffen om te komen tot een Joodse begrafenis. Zo heeft zij het in artikel 11 van de Wet op de lijkbezorging vereiste verlof tot begraving aangevraagd.
1.4.
[plaats] heeft het lichaam van de overledene onder zich in verband met de verzorging van zijn uitvaart. [plaats] heeft hiervoor opdracht gekregen van de kinderen.
1.5.
Op 4 december 2025 hebben de kinderen te kennen gegeven dat zij niet langer instemmen met het overdragen van het lichaam van de overledene aan JBW voor een Joodse begrafenis.
1.6.
De overledene heeft op 31 juli 2025 een onderhandse akte van volmacht afgegeven aan mr. H. Loonstein. In deze volmacht staat onder meer het volgende.
Dit is algehele volmacht, in het bijzonder actie/maatregelen tegen mijn kinderen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] die mij hebben bestolen, en nalatenschap van mijn vrouw. Plek regelen in Beth Shalom Ik wil Joods begraven worden
Van deze volmacht mag gebruik worden gemaakt in de volgende periode: de eerste dag waarop de volmacht gebruikt mag worden is: 31 juli 2025 zonder einddatum. Dus onbepaalde tijd.
1.7.
Het verlof tot begraven als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de lijkbezorging is op 4 december 2025 afgegeven aan JBW.
1.8.
Artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat in de lijkbezorging wordt voorzien door degene, die het verlof tot begraving of crematie heeft aangevraagd of door degene, die redelijkerwijs geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. Ook staat daarin dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.
1.9.
Vast staat dat JBW het verlof tot begraven met de instemming van de vier kinderen heeft aangevraagd en dat het verlof aan haar is afgegeven. Uit de overgelegde volmacht blijkt dat de overledene een Joodse begrafenis wenst. Dit wordt ondersteund door een verklaring van de rabbijn van de synagoge van Beth Shalom, het verzorgingshuis waar de overledene vanaf 11 augustus 2025 tot zijn dood heeft gewoond. Deze verklaart dat de overledene meerdere keren duidelijk te verstaan heeft gegeven dat hij een Joodse begrafenis wil.
1.10.
De kinderen hebben aangegeven dat geen waarde kan worden gehecht aan de volmacht en aan de verklaring van de rabbijn, omdat hun vader bij het afgeven van de volmacht en tijdens zijn verblijf in Beth Shalom al geruime tijd leed aan vasculaire dementie en niet meer in staat was zijn wil te bepalen.
1.11.
Ook als dit zo is, betekent dit niet dat aan de volmacht en de verklaring van rabbijn geen waarde kan worden gehecht voor de vaststelling van de vermoedelijke wil van de overledene. Ingevolge artikel 19 lid 1 Wet op de lijkbezorging kan een meerderjarige die niet bekwaam is zijn uiterste wil te bepalen, wel beschikkingen maken voor zijn begrafenis of crematie. Bovendien betekent het feit dat de omstandigheid dat de overledene leed aan vasculaire dementie niet zonder meer dat hij op geen enkele wijze in staat was om een duidelijke aanwijzing te geven voor zijn begrafenis.
1.12.
De voorzieningenrechter heeft voorshands geen aanleiding om geen waarde te hechten aan de verklaring van de rabbijn omtrent de wens van de overledene voor een Joodse begrafenis. Deze verklaring wordt daarnaast ondersteund door de volmacht, waarin die wens ook is opgenomen. Weliswaar voldoet die volmacht niet aan het vereiste van artikel 19 lid 1 Wet op de lijkbezorging, omdat de volmacht niet eigenhandig door de overledene is geschreven, maar hij kan wel bijdragen aan de overtuiging dat de overledene op dat moment een Joodse begrafenis heeft gewild. Aanwijzing van nadien dat dit anders is zijn er niet.
1.13.
Anders dan door de kinderen aangevoerd heeft de voorzieningenrechter geen aanwijzingen dat JBW hier een eigen belang vertegenwoordigt, of dat de verklaringen van de advocaat van JBW over totstandkoming van de volmacht niet juist zouden zijn. Daarbij heeft te gelden dat het uitgangspunt in een juridische procedure is dat een advocaat op zijn woord wordt geloofd.
1.14.
Het voorgaande betekent ook dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de beslissing aan te houden om getuigen te horen. Alleen als uit verklaringen van de overledene zelf van na het verstrekken van de volmacht zou blijken dat hij geen begrafenis wenste, of als zou komen vast te staan dat de overledene vanaf 31 juli 2025 op geen enkele wijze meer in staat was om zinnig te verklaren zou dat zin hebben. Van verklaringen van de overledene zelf van na 31 juli 2025 over zijn wensen voor een begrafenis of crematie is echter niet anders gebleken dan uit de verklaring van de rabbijn. Uit de ter zitting afgespeelde gespreksopnames van september en oktober 2025 is gebleken dat de overledene in ieder geval tijdens die opnamen in staat was om zich voldoende helder uit te drukken.
1.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat de overledene een Joodse begrafenis wenste. Dat betekent dat de vordering zal worden toegewezen als bij de beslissing gemeld.
Proceskosten
1.16.
De aard en hoedanigheid van partijen en hun opdrachtgevers geeft aanleiding de proceskosten tussen hen zo te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
beveelt [plaats] om het stoffelijk overschot van de in het lichaam van de dagvaarding genoemde overledene op 5 december 2025 vóór 14:00 uur aan JBW af te geven
2.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
De voorzieningenrechter sluit de zitting.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Y.S. Brouwer, griffier.
Waarvan proces-verbaal,