Eiser heeft op 14 april 2025 een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) om als taxichauffeur te kunnen werken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 19 juni 2025 af vanwege meerdere ernstige verkeersovertredingen binnen de vijfjarige terugkijktermijn die een risico vormen voor de functie. Na een bezwaarbesluit van 22 september 2025 bleef de afwijzing in stand. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 22 oktober 2025 en concludeerde dat nader onderzoek niet nodig was. De beoordeling vond plaats aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024, waarbij het objectieve criterium (aanwezigheid van justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn) en het subjectieve criterium (belangenafweging) werden toegepast. Eiser voerde aan dat sommige overtredingen niet door hem waren begaan, maar door chauffeurs die destijds voor hem reden, en dat hij zijn rijgedrag had verbeterd.
De staatssecretaris stelde dat de verklaringen van oud-medewerkers onvoldoende bewijs boden dat de overtredingen niet door eiser waren gepleegd. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris voldoende gemotiveerd had dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan dat van eiser. De ernstige aard van de overtredingen, het korte tijdsverloop sinds de laatste overtreding, en het risico voor de veiligheid van passagiers en medeweggebruikers maakten dat de afwijzing gerechtvaardigd was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.