ECLI:NL:RBNHO:2025:14369

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11827154 \ VV EXPL 25-112
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot herstel van gebreken in huurcontract met verzoek om hogere dwangsommen

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser] en [gedaagde]. [Eiser] heeft [gedaagde] aangeklaagd voor het herstel van gebreken in een gehuurde bedrijfsruimte, waar [eiser] een restaurant exploiteert. De procedure is gestart na een eerdere veroordeling van [gedaagde] in een bodemzaak, waarin [gedaagde] werd verplicht om gebreken aan het gehuurde te herstellen. [Eiser] vorderde in kort geding aanvullende dwangsommen, omdat de eerder opgelegde dwangsommen onvoldoende prikkel zouden zijn geweest voor [gedaagde] om de gebreken te verhelpen. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat de vordering tot het opleggen van hogere dwangsommen niet kan worden toegewezen, omdat de bodemrechter al een oordeel heeft gegeven over de gebreken en de hoogte van de dwangsommen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] weliswaar niet heeft voldaan aan het bodemvonnis, maar dat dit niet betekent dat er aanleiding is voor het opleggen van aanvullende dwangsommen. De vordering van [eiser] is afgewezen, en [eiser] is veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11827154 \ VV EXPL 25-112
Vonnis in kort geding van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.F. de Jong,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. B.P. van Overeem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2025, met 12 producties;
- aanvullende producties van [eiser] van 13 en 14 oktober 2025, producties 13-17;
- akte producties van [gedaagde] van 13 en 14 oktober 2025, producties 1-10;
- de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eiser];
- de pleitnota van [gedaagde].

2.De feiten

2.1.
[eiser] huurt met ingang van 1 januari 2012 van [gedaagde] een bedrijfsruimte met onzelfstandige dienstwoning en parkeerterrein aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde). [eiser] exploiteert in de bedrijfsruimte een restaurant annex bargelegenheid onder de naam [bedrijf].
2.2.
[eiser] heeft meermaals melding gemaakt van gebreken in het gehuurde.
2.3.
Bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2024 is [gedaagde] veroordeeld om binnen 4 weken na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom, over te gaan tot het herstel van de dakbedekking van het gehuurde.
2.4.
Op 26 maart 2025 heeft de kantonrechter in de bodemzaak tussen partijen (zaak- en rolnummer: 11249787 \ CV EXPL 24-5515) vonnis gewezen:
“(…) Eindconclusie in conventie
4.29.
De conclusie in conventie is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om de dakbedekking, de dakconstructie, de verzakte vloer van de woning, de houten geveldelen en de dakconstructie van de berging zodanig te herstellen dat de lekkages niet meer optreden, dat de vloer en dakconstructies voldoen aan de daaraan te stellen (veiligheids)eisen en de houten geveldelen er onderhouden en representatief uitzien. Omdat met het organiseren en uitvoeren van dergelijke werkzaamheden vermoedelijk wel enige tijd gemoeid is, zal aan de veroordeling een termijn van drie maanden na betekening van dit vonnis worden verbonden.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 250,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. De overige vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. (…)
Verbeurde dwangsommen
4.39.
Na vermeerdering van eis heeft [gedaagde] terugbetaling van de door [eiser] ingevorderde dwangsommen ad € 25.000,- gevorderd plus € 297,48 aan kosten. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de dwangsommen die op grond van het kort geding vonnis van 15 augustus 2024 verschuldigd waren als [gedaagde] niet binnen vier weken na dat vonnis zou zijn overgegaan tot deugdelijk herstel van de dakbedekking. [gedaagde] heeft op 3 september 2024 opdracht gegeven aan een dakdekker en de werkzaamheden zijn vervolgens in overleg met [eiser] uitgevoerd en op 20 september 2024 aan [gedaagde] gefactureerd. Op 1 oktober 2024 heeft de dakdekker naar aanleiding van een klacht van [eiser] nogmaals werkzaamheden verricht die op 4 oktober 2024 zijn gefactureerd. Desondanks heeft [eiser] op 11 november 2024 via executoriale beslaglegging de dwangsommen geïncasseerd. Pas op 25 november 2024 heeft [eiser] laten weten dat het probleem nog steeds niet zou zijn opgelost waarna [gedaagde] wederom een dakdekker heeft langs gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft zij binnen de gegeven termijn uitvoering gegeven aan het vonnis en zijn de dwangsommen onverschuldigd betaald. [eiser] heeft niet betwist dat de dakdekker twee keer werkzaamheden heeft verricht. Vervolgens had [eiser] nog steeds lekkage waarvan zijn melding heeft gemaakt. Daarop heeft [gedaagde] niet geacteerd, zodat zij de dwangsommen heeft verbeurd.
(…)
4.41.
De conclusie is dat [gedaagde] wel pogingen heeft gedaan om de dakbedekking te herstellen maar dat het te bereiken resultaat, geen lekkages meer, niet is bereikt. Na de laatste reparatie op 1 oktober 2024 bleken de lekkages zich op dezelfde dag wederom voor te doen, hetgeen [eiser] ook heeft gemeld. Weliswaar is toen actie zijdens [gedaagde] toegezegd, maar deze is om welke reden dan ook uitgebleven. Dat is in de gegeven omstandigheden voor risico van [gedaagde]. Daarmee is niet tijdig aan het vonnis voldaan omdat deugdelijk herstel waartoe [gedaagde] moest overgaan, impliceert dat de lekkages zich niet meer zouden voordoen. Uit de klachten van [eiser] volgt dat de lekkages echter niet weg waren. Van onverschuldigde betaling van de dwangsommen is dus geen sprake. De vordering tot terugbetaling van de verbeurde dwangsommen zal daarom worden afgewezen. (…)”
2.5.
Het hiervoor genoemde bodemvonnis is op 28 maart 2025, onder aanzegging van de dwangsommen, betekend.
2.6.
[gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het bodemvonnis.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert herstel van de gebreken zoals neergelegd in het kortgedingvonnis van 15 augustus 2024 en het bodemvonnis van 26 maart 2025 op een nadere termijn op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag zonder maximum, te vermeerderen met de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering dat [gedaagde] zowel door de kortgedingrechter in 2024 als door de bodemrechter in 2025 is veroordeeld tot het verrichten van herstelwerkzaamheden, maar dat de opgelegde dwangsommen onvoldoende prikkel zijn gebleken om de vonnissen na te komen. Om die reden vordert [eiser] in kort geding hogere dwangsommen zonder maximum.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert daartoe allereerst aan dat de kantonrechter onbevoegd is om van de onderhavige vordering kennis te nemen. De verhoging van de reeds toegewezen dwangsommen behoort namelijk tot de competentie van de voorzieningenrechter. Daarnaast kan het gevorderde niet worden toegewezen, omdat de dwangsommen nog niet zijn ‘volgelopen’. Bovendien is hoger beroep ingesteld tegen het bodemvonnis, zodat het geschil (waaronder de dwangsommen) opnieuw wordt beoordeeld. Verder voert [gedaagde] aan dat zij wel herstelwerkzaamheden wil verrichten, maar dat de termijn van drie maanden te kort is. De werkzaamheden zijn constructief van aard, zodat een omgevingsvergunning is vereist. Het is geen onwil, maar onmacht daar waar het gaat om de gestelde termijnen, aldus [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter
4.1.
Vooropgesteld wordt dat de onderhavige vordering geen executiegeschil is als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 438 Rv definieert een executiegeschil als ‘
geschillen die in verband met de executie rijzen’. Daar is in dit geval geen sprake van. Niet in geschil is namelijk dat niet wordt voldaan aan het bodemvonnis van de kantonrechter van 26 maart 2025.
4.2.
In zaken waarin de kantonrechter bevoegd is om in een bodemprocedure daarover te beslissen, is de kantonrechter echter ook bevoegd om in kort geding te oordelen. [1] De kantonrechter is onder andere bevoegd om kennis te nemen van zogenaamde aardzaken, zoals (onder andere) zaken die betrekking hebben op een huurovereenkomst. [2] In verband met dit laatste acht de kantonrechter zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen, omdat dit betrekking heeft op de huurovereenkomst van partijen. Of de vordering tot het bij wege van voorlopige voorziening opleggen van een hogere dwangsom toewijsbaar is vergt een inhoudelijke beoordeling die hierna volgt.
Spoedeisend belang
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] bij de gevraagde voorziening een spoedeisend belang heeft. [gedaagde] is immers al op 26 maart 2025 door de bodemrechter veroordeeld tot omvangrijke herstelwerkzaamheden, af te ronden op een termijn van drie maanden, en uit (de onderbouwing van) haar betoog volgt dat niet alleen nog nauwelijks stappen zijn gezet, maar dat thans geen enkel zicht bestaat op afronding van deze werkzaamheden.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen
4.4.
De vraag die in deze procedure voorligt is of aanvullende dwangsommen aan [gedaagde] kunnen worden opgelegd dan wel of er aanleiding bestaat om deze gelet op de omstandigheden te verhogen.
4.5.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het is mogelijk dat bij de bodemrechter eerst in de ene procedure de hoofdveroordeling wordt uitgesproken en vervolgens nadien – in een kortgedingprocedure – veroordeling tot betaling van een dwangsom wordt gevorderd ter zake van de nakoming van de desbetreffende hoofdveroordeling. Dit kan anders zijn als de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken zonder voorbehoud en beredeneerd de oplegging van een dwangsom heeft uitgesloten. Maar ook in dit laatste geval is denkbaar dat nadien in kort geding alsnog een dwangsomveroordeling aan de hoofdveroordeling wordt verbonden, bijvoorbeeld indien als gewijzigde omstandigheid wordt aangemerkt dat na het verstrijken van de tijd tussen bodemvonnis en kortgedingprocedure door de debiteur nog immer niet aan het vonnis is voldaan [3] . Gelet hierop acht de kantonrechter het onder omstandigheden niet uitgesloten als voorlopige voorziening een hogere dwangsom te verbinden aan een hoofdveroordeling waaraan de bodemrechter al een dwangsom had verbonden.
4.6.
De kantonrechter zal in kort geding echter de afstemmingsregel in acht moeten nemen. Deze afstemmingsregel ziet op de verhouding tussen de beoordeling in kort geding en het vonnis van de civiele bodemrechter en houdt in, dat de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter een vonnis in de bodemzaak heeft gewezen, in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Daarvan kan worden afgeweken als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en, afhankelijk van de aard van het geschil, de voorziening voorts zo spoedeisend is dat de uitslag van een aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. [4]
4.7.
In het bodemvonnis van 26 maart 2025 heeft de kantonrechter een oordeel gegeven over de ernst en omvang van de gebreken en een veroordeling tot herstel uitgesproken op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. Die dwangsommen zijn gaan lopen op 27 juni 2025 en zijn op dit moment nog niet volledig verbeurd. Het moet daarom worden aangenomen dat de kantonrechter ook de huidige situatie, waarin nog nauwelijks stappen tot herstel zijn gezet, bij de beoordeling heeft betrokken.
4.8.
Gelet op het voorgaande moet er dus vanuit worden gegaan dat de bodemrechter alle door [eiser] gestelde omstandigheden (waaronder de schade die zij door de situatie lijdt) over de (hoogte van de) dwangsommen heeft meegewogen. Van een misslag is geen sprake. Om die reden kan in kort geding niet tot oplegging van een aanvullende dwangsom of een verhoging van de reeds opgelegde dwangsom worden overgegaan. Dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het bodemvonnis, maakt dit niet anders. In voorkomend geval kan [eiser] ervoor kiezen de gebreken op grond van artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) zelf te herstellen en de daarvoor gemaakte kosten – voor zover deze redelijk zijn - op de verhuurder ([gedaagde]) verhalen, of in hoger beroep te grieven tegen de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde dwangsom. [eiser] heeft voor het overige geen belang bij de vorderingen, omdat die strekken tot herstel waartoe [gedaagde] door de bodemrechter al veroordeeld is. De vorderingen worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 254 lid 5 Rv.
2.Artikel 93 onder c Rv.
3.Hoge Raad 1 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC1995 en Benelux Gerechtshof 17 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL5284.
4.Gerechtshof Amsterdam 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2409.