Eiser huurt sinds 2012 een bedrijfsruimte met onzelfstandige dienstwoning van gedaagde en exploiteert daar een restaurant. Eiser heeft herhaaldelijk gebreken gemeld aan het gehuurde, met name lekkages aan het dak. In een kort geding vonnis van 15 augustus 2024 en een bodemvonnis van 26 maart 2025 is gedaagde veroordeeld tot herstel van deze gebreken binnen een gestelde termijn, onder oplegging van dwangsommen.
Ondanks dat gedaagde herstelwerkzaamheden heeft verricht, bleven de lekkages bestaan, waardoor eiser dwangsommen heeft geïncasseerd. Gedaagde betwistte de onverschuldigdheid hiervan, maar de rechtbank oordeelde dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd omdat de lekkages niet waren verholpen.
Eiser vordert nu in kort geding hogere aanvullende dwangsommen omdat de herstelwerkzaamheden nog niet zijn afgerond en de bestaande dwangsommen onvoldoende prikkel zouden vormen. Gedaagde betwist de bevoegdheid van de kantonrechter en wijst op het hoger beroep tegen het bodemvonnis.
De kantonrechter oordeelt dat de kantonrechter bevoegd is en dat eiser een spoedeisend belang heeft. Echter, vanwege de afstemmingsregel moet de voorlopige voorziening aansluiten bij het oordeel van de bodemrechter. Omdat de bodemrechter reeds een dwangsom heeft opgelegd en geen misslag is vastgesteld, kan niet tot verhoging of aanvullende dwangsommen worden overgegaan. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.