ECLI:NL:RBNHO:2025:14371

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11758717 \ CV EXPL 25-4024
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ernstige overlast door huurder

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Ymere en BIS Diensten B.V., die optreedt als bewindvoerder over de goederen van een huurder, hierna aangeduid als [gedaagde]. Stichting Ymere vorderde ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] wegens ernstige overlast en hinder die hij heeft veroorzaakt aan zijn buren, [betrokkene 3] en [betrokkene 5]. De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen, ondanks herhaalde waarschuwingen en een contactverbod dat aan hem was opgelegd. De overlast bestond uit bedreigingen, mishandelingen en andere vormen van intimidatie, wat leidde tot meerdere aangiftes tegen hem en strafrechtelijke veroordelingen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de ernstige tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, in combinatie met het opgelegde locatieverbod, voldoende grond vormen voor ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft ook de vordering van Stichting Ymere tot betaling van achterstallige huur toegewezen, omdat [gedaagde] deze niet had betwist. In reconventie heeft [gedaagde] een vordering ingesteld tegen Stichting Ymere voor het aanbieden van passende woonruimte, maar deze vordering is afgewezen omdat Stichting Ymere aan haar zorgplicht had voldaan door eerder alternatieve woonruimte aan te bieden, welke door [gedaagde] was afgewezen.

De rechtbank heeft de proceskosten aan [gedaagde] opgelegd, omdat hij in het ongelijk was gesteld. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11758717 \ CV EXPL 25-4024
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
STICHTING YMERE,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Stichting Ymere,
gemachtigde: mr. M. Stokvis,
tegen
BIS DIENSTEN B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [betrokkene 1],
te [plaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. B. Wernik.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 23 juni 2025, met 16 producties;
- conclusie van antwoord van 23 juli 2025 en een tegenvordering;
- conclusie van antwoord in reconventie en overlegging productie, productie 17;
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] en (de rechtsvoorganger van) Stichting Ymere hebben op 6 oktober 2020 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2]. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. [1] Het gehuurde is een maisonnette in een gebouw met meerdere door Stichting Ymere verhuurde appartementen.
2.2.
Bij beschikking van 23 juli 2015 heeft de kantonrechter bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [betrokkene 1]. Daarbij is [betrokkene 2], h.o.d.n. BIS Diensten, thans BIS Diensten B.V., als bewindvoerder benoemd.
2.3.
[gedaagde] had een affectieve relatie met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]). [betrokkene 3] woont op het adres [adres 2] en zij is de onderbuurvrouw van [gedaagde]. De relatie is in 2024 geëindigd nadat [gedaagde] in mei 2024 meermaals de banden van de auto van een neef van [betrokkene 3] had lek gestoken. [gedaagde] is daarvoor op 28 mei 2024 aangehouden door de politie.
2.4.
In verband met overlast door [gedaagde] heeft de heer [betrokkene 4], consulent overlast van Stichting Ymere (hierna: [betrokkene 4]), vanaf de tweede helft van 2024 namens Stichting Ymere (telefonisch) contact onderhouden met [gedaagde], met zijn buurvrouwen [betrokkene 3] en [betrokkene 5] (woonachtig op [adres 3], hierna: [betrokkene 5]), met de politie en met de voor [gedaagde] ingeschakelde hulpverlening. [betrokkene 4] heeft hiervan een verslag gemaakt. In dit verslag staat:
“22-8-2024 telefonisch gesproken met mw. [betrokkene 5] van de [adres 3]. (…) [betrokkene 1] ([adres 1]) zou een relatie gehad hebben met mw. [betrokkene 3] ([adres 2]). Mevrouw [betrokkene 5] bemiddelde om de gespannen relatie tussen die twee, met dreigende Whats-appjes vanuit [betrokkene 1], in rustiger vaarwater te houden. Volgens haar verhaal zou [betrokkene 1] zijn doorgedraaid en stond hij in de avond van 20-8-2025 voor de deur van [betrokkene 5] te dreigen met een hamer. [betrokkene 5] ging naar beneden en had een mes bij zich om zichzelf te verdedigen (…).”
2.5.
Op 26 augustus 2024 heeft [betrokkene 4] telefonisch met [gedaagde] gesproken. In het verslag staat: “
Hij geeft toe een steen naar beneden te hebben gegooid op het terras van ([adres 2]) en bij ([adres 3]) voor de deur te hebben gestaan met een hamer. Duidelijk gemaakt dat Ymere streeft naar ontruiming als dergelijke meldingen over hem blijven binnen komen.”
2.6.
Op 7 september 2024 heeft de wijkagent contact gezocht met Stichting Ymere over de ontstane situatie waarbij de politie vanwege het burenconflict veelvuldig langs moet komen.
2.7.
Op 9 september 2024 heeft [betrokkene 5] aangifte gedaan bij de politie van bedreiging met de dood en discriminatie door [gedaagde].
2.8.
Op 14 september 2024 heeft [betrokkene 3] aangifte gedaan van bedreiging met de dood en van mishandeling door [gedaagde].
2.9.
Bij brief van 18 september 2024 heeft [betrokkene 4] aan [gedaagde] laten weten dat een Consulent Overlast van Stichting Ymere en de wijkagent K. Dekkers op 24 september 2024 op huisbezoek komen om te praten over de overlastmeldingen.
2.10.
Op 22 september 2024 heeft [gedaagde] auto- en fietsbanden lek gestoken en gedreigd. Hierop is hij door de politie meegenomen.
2.11.
Het Openbaar Ministerie heeft [gedaagde] naar aanleiding van de aangiftes van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] vervolgd voor bedreiging tegen het leven gericht, mishandeling en vernieling. Bij vonnis van 7 oktober 2024 heeft de politierechter [gedaagde] hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en is gevangenhouding bevolen. Aan [gedaagde] zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder verplicht contact met de reclassering en behandeling door de Waag of een soortgelijke instelling als de reclassering dat nodig acht. Onder behandeling wordt ook verstaan medicatie en opname in een zorginstelling. Daarnaast is hem een contactverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. In die periode mag hij op geen enkele wijze contact zoeken of hebben met [betrokkene 3] en [betrokkene 5]. Indien hij zich daar niet aan houdt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van een week voor iedere keer dat [gedaagde] niet aan de maatregel voldoet.
2.12.
Nadat [gedaagde] terugkwam uit detentie heeft hij het hem opgelegde contactverbod overtreden en is hij op 22 oktober 2024 opnieuw meegenomen door de politie.
2.13.
Stichting Ymere heeft naar aanleiding van de genoemde incidenten de wijkagent gevraagd op te schalen naar het Individueel Casus Overleg (ICO). Op 7 november 2024 heeft het eerste ICO plaatsgevonden. In het verslag van [betrokkene 4] staat: “
Algemene informatie over de situatie. [gedaagde] is sinds 20-9-2024 vier keer aangehouden na overtreding van zijn contactverbod bij [betrokkene 3] ([adres 2]) en [betrokkene 5] ([adres 3]). Heeft uitspraken bij de reclassering gedaan over vermoorden [betrokkene 3]. Er zijn mogelijk alcoholproblemen. Vermoeden van ADHD problematiek, beperkte impulscontrole, agressie problemen en maakt verwarrende indruk. Reclassering gaat hem voordragen bij Fivoor, onderzoek time-out opname of zorgopname, wenselijk dat hij voorlopig niet terugkeert en zorg/behandeling krijgt. Een Bestuurlijke Rapportage wordt in dit stadium nog niet verstrekt aan Ymere, omdat de burgemeester dat gaat weigeren omdat opname/behandeling nog in onderzoek is (…). Ymere maakt even een pas op de plaats. [gedaagde] zit nog minimaal 2 weken in detentie.
2.14.
Op 13 november 2024 is [gedaagde] (opnieuw) veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 12 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2.15.
Op 11 december 2024 is [gedaagde] vrijgelaten.
2.16.
Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] telefonisch gesproken met [betrokkene 3]. In zijn verslag staat:
“Ze meld dat [betrokkene 1] sinds gisteren weer terug is uit detentie en in zijn woning. Hij heeft de afgelopen nacht continue geluidsoverlast veroorzaakt. Harde muziek (politie is daarvoor langs geweest en heeft een waarschuwing uitgedeeld). Daarna nachtelijk actief met stofzuigen, stampen op de trap, bonken, etc.”
2.17.
Op 13 december 2024 is [gedaagde] wederom aangehouden. Dit keer omdat hij de zwager van [betrokkene 5] met een klauwhamer en een mes heeft bedreigd.
2.18.
Op 31 december 2024 is [gedaagde] vrijgelaten. Op 1 januari 2025 heeft hij [betrokkene 5] bedreigd en twee keer met een hamer op haar hoofd geslagen. [betrokkene 5] heeft op 1 januari 2025 aangifte gedaan van poging tot doodslag.
2.19.
Voor de door [gedaagde] op 1 januari 2025 gepleegde feiten is hij veroordeeld. Aan hem is onder meer een gevangenisstraf van 181 dagen opgelegd en een locatieverbod van twee jaar.
2.20.
Op 23 januari 2025 heeft het derde ICO-overleg plaatsgevonden. In het verslag van [betrokkene 4] staat: “
Aan samenwerkingspartners kenbaar gemaakt dat Ymere na het laatste incident intern heeft besloten dat er een ontruimingsprocedure gestart gaat worden. De aanvraag van Ymere om een Bestuurlijke Rapportage te verstrekken wordt beoordeeld, nader bericht volgt. De heer [gedaagde] blijft ditmaal tot 20-4-2025 in detentie. Er is een aanvraag zorgmachtiging in voorbereiding. Hij staat op de wachtlijst bij Fivoor. (…) Vanuit Ymere heb ik kenbaar gemaakt dat er in dit stadium nog bereidheid is vervangende huisvesting toe te wijzen, indien de heer [gedaagde] per direct de huur van zijn woning opzegt. Deze optie wordt binnenkort met hem besproken door de nieuw betrokken woonbegeleider van het RIBW.”
2.21.
Op 27 januari 2025 heeft Stichting Ymere bericht ontvangen dat de aanvraag voor een zorgmachtiging is afgewezen.
2.22.
Op 17 februari 2025 heeft Stichting Ymere zich bereid verklaard aan [gedaagde] vervangende huisvesting aan te bieden, mits hij de huur van [adres 1] daaraan voorafgaand zelf binnen twee maanden zou opzeggen en bij een eventuele tijdelijke terugkeer naar [adres 1] zich strikt aan het contactverbod zou houden. Stichting Ymere kon daarbij niet garanderen dat bij het einde van de voorlopige hechtenis direct een woning beschikbaar zou zijn. Dit voorstel is door [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) van Stichting Ymere met [gedaagde] op 20 februari 2025 besproken, die het heeft afgewezen omdat hij vond dat niet hij de huur zou hoeven op te zeggen.
2.23.
Bij brief van 27 februari 2025 aan [gedaagde], met afschrift aan zijn bewindvoerder, heeft Stichting Ymere toegelicht waarom zij de huurovereenkomst wil beëindigen. Zij accepteert niet dat haar huurders omwonenden bedreigen, stalken, uitschelden, mishandelen en laat staan dat zij accepteert dat een huurder een poging doet een omwonende te doden. Dit gedrag verwijt zij [gedaagde]. In de brief wordt [gedaagde] nog een laatste aanbod gedaan, dat in die zin afwijkt van het vorige aanbod van Stichting Ymere dat hij onder geen beding tijdelijk terug kan keren naar de [adres 1]. Ook dit aanbod heeft [gedaagde] afgewezen.
2.24.
Bij kortgedingvonnis van 14 april 2025 (zaaknummer 11574020 VV EXPL 25-38) is [gedaagde] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. In het kortgedingvonnis staat verder:
“(…) 4.9. (…) Uit het dossier valt op te maken dat [gedaagde] het vanaf medio 2024 met zijn ex-vriendin [betrokkene 3] en [betrokkene 5] (en hun familie) aan de stok heeft gekregen, tot mishandeling aan toe. Dat [gedaagde] naar zijn woning aan de [adres 1] terugkeert, is niet meer aan de orde. Over zijn goede of slechte contact met andere buren en over het eerdere (wan-)gedrag van [gedaagde] als huurder voorafgaand aan de zomer van 2024 is echter niets gesteld en [gedaagde] heeft onweersproken verklaard dat hij al heel lang aan de [adres 1] woont. Gelet hierop geeft de kantonrechter Ymere in overweging [gedaagde] alsnog een andere woning aan te bieden, mede omdat niet uitgesloten kan worden dat [gedaagde] bij het afwijzen van het eerdere aanbod onvoldoende besef heeft gehad van de gevolgen. (…)”
2.25.
Op 27 mei 2025 heeft Stichting Ymere het gehuurde laten ontruimen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Stichting Ymere vordert ontbinding van de tussen haar en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst en veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van de achterstallige huur over de maand mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
Stichting Ymere legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] vanaf de tweede helft van 2024 zich niet als een goed huurder heeft gedragen door ernstige overlast en hinder te veroorzaken en zijn buren [betrokkene 5] en [betrokkene 3] te stalken, bedreigen, uit te schelden, te mishandelen en hun spullen te vernielen. Deze buren voelen zich niet meer veilig. Ondanks waarschuwingen, de inzet van hulpverlening en een contactverbod is geen verbetering opgetreden in het gedrag van [gedaagde]. Bovendien is recentelijk aan [gedaagde] een locatieverbod opgelegd, zodat alleen op die grond tot ontbinding van de huurovereenkomst moet worden overgegaan.
3.3.
[gedaagde] erkent dat incidenten hebben voorgedaan maar verzet zich tegen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst. Hij is niet alleen verantwoordelijk, ook [betrokkene 5] heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan onder meer bedreigingen en mishandelingen. Stichting Ymere is alleen overgegaan tot ontruiming van het gehuurde en niet ook tot ontruiming van de woning van [betrokkene 5].
in reconventie
3.4.
Bij wijze van tegenvordering vordert [gedaagde] dat Stichting Ymere wordt veroordeeld om aan hem een passende woonruimte aan te bieden op straffe van een dwangsom.
3.5.
[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat Stichting Ymere op grond van de redelijkheid en billijkheid dan wel op grond van de zorgplicht gehouden is om een passende woning aan te bieden.
3.6.
Stichting Ymere voert verweer. Voor zover hier een wettelijke grondslag voor bestaat, moet de vordering worden afgewezen omdat Stichting Ymere aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hierbij licht zij toe dat zij in het verleden aan [gedaagde] twee keer eerder alternatieve woonruimte heeft aangeboden. [gedaagde] heeft dit aanbod telkens afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
Vanwege de samenhang van de vordering en de tegenvordering zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
De formele procespartij
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering die een persoon betreft wiens goederen onder bewind zijn gesteld, moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder ter zake van kwesties die de onder het bewind gestelde goederen betreffen. [2] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten goederen zijn in de hiervoor bedoelde zin. [3] De verhuurder heeft daarom terecht de bewindvoerder gedagvaard.
in conventie
Ontbinding van de huurovereenkomst
4.3.
De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] zodanig ernstige overlast heeft veroorzaakt, dat dit een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert die ontbinding daarvan rechtvaardigt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.4.
De bewindvoerder noch [gedaagde] zelf heeft de gestelde overlast als zodanig betwist evenmin als de incidenten die zich hebben voorgedaan. Verder staat vast dat [betrokkene 3] en [betrokkene 5] meerdere aangiftes tegen [gedaagde] heeft gedaan. [gedaagde] is in dit verband drie keer strafrechtelijk veroordeeld. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen. [gedaagde] is wegens voormelde gedragingen gewaarschuwd en hem is een contactverbod opgelegd, dat hij meermaals heeft overtreden. Deze tekortkomingen zijn, mede gelet op de duur en ernst daarvan en de vergeefse inspanningen van Stichting Ymere om verandering in het gedrag van [gedaagde] aan te brengen, van voldoende gewicht om de huurovereenkomst te ontbinden. Bovendien is recentelijk aan [gedaagde] een locatieverbod - voor de duur van twee jaar - opgelegd waardoor hij zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst ook niet meer kan nakomen. Dit alles maakt dat ontbinding van de huurovereenkomst in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is.
4.5.
[gedaagde] heeft nog betoogd dat ook [betrokkene 5] verantwoordelijk is voor de ontstane situatie. [gedaagde] was echter een gewaarschuwd man. Aan hem is een contactverbod opgelegd en hij heeft zich desondanks meerdere malen ernstig misdragen waarvoor hij meerdere malen strafrechtelijk is veroordeeld. Het betoog van [gedaagde] duidt erop dat hij geen dan wel onvoldoende verantwoordelijkheid blijft nemen voor zijn eigen gedrag.
Ambtshalve toetsing van: de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden
4.6.
Bij de beoordeling van de vordering die ziet op de betaling van de huurachterstand en de rente zijn de van toepassing zijnde algemene voorwaarden relevant. Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het servicekostenbeding en het beding betreffende de rente getoetst en deze zijn niet oneerlijk.
Huurachterstand
4.8.
Stichting Ymere heeft betaling van de huurachterstand ter hoogte van € 492,76 gevorderd. [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist, zodat deze vordering wordt toegewezen.
in reconventie
4.9.
[gedaagde] heeft om een passende woning gevraagd. Hij heeft daartoe gesteld dat Stichting Ymere op grond van de redelijkheid en billijkheid dan wel op grond van haar zorgplicht gehouden is om aan [gedaagde] passende woonruimte aan te bieden. Dit zou volgens [gedaagde] ook volgen uit het kortgedingvonnis (zie r.o. 2.24).
4.10.
De vordering van [gedaagde] is niet toewijsbaar. Noch daargelaten dat er geen wettelijke of contractuele grondslag (meer) bestaat voor het aanbieden van alternatieve woonruimte, heeft Stichting Ymere wel degelijk aan haar zorgplicht voldaan. Zij heeft namelijk in het verleden tweemaal alternatieve woonruimte aan [gedaagde] aangeboden (zie r.o. 2.22 en 2.23). [gedaagde] heeft de voorstellen van Stichting Ymere niet geaccepteerd. Mocht [gedaagde] bij het afwijzen van de eerder door Stichting Ymere gedane voorstellen inderdaad onvoldoende besef hebben gehad van de gevolgen dan betekent dat nog niet dat op Stichting Ymere thans nog de verplichting rust hem opnieuw een woning aan te bieden. Ook de omstandigheid dat de kantonrechter in kort geding Stichting Ymere in overweging heeft gegeven om [gedaagde] alsnog een andere woning aan te bieden, maakt dit niet anders. De suggestie van de kantonrechter in kort geding brengt namelijk niet mee dat op Stichting Ymere in dit verband enige verplichting is komen te rusten. Stichting Ymere heeft tijdens de mondelinge behandeling (uitgebreid) toegelicht waarom zij aan [gedaagde] geen alternatieve woonruimte meer heeft aangeboden. Het was gezien alle feiten voor Stichting Ymere begrijpelijkerwijs een gepasseerd station.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in zowel conventie als in reconventie betalen. Omdat de vordering en tegenvordering nauw verband met elkaar houden en gelijktijdig zijn behandeld, is aanleiding om de kosten in reconventie in dit geval te bepalen op nihil. De proceskosten van Stichting Ymere worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
793,04
Uitvoerbaar bij voorraad
4.12.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
ontbindt de tussen Stichting Ymere en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst,
5.2.
veroordeelt BIS Diensten B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1], om aan Stichting Ymere te betalen een bedrag van € 492,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt BIS Diensten B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1], in de proceskosten van € 793,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van BIS Diensten B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1] af,
5.5.
veroordeelt BIS Diensten B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1], tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Stichting Ymere worden vastgesteld op nihil,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Voetnoten

1.Huurreglement van 1 januari 2000 van de Woonmaatschappij
2.Artikel 1:144 lid 1 BW.
3.Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.