Verweerder stelde de WOZ-waarde van de woning vast op €524.000 voor het jaar 2023 en wees het bezwaar van eiser af. Eiser stelde beroep in tegen deze beschikking. Tijdens de beroepsprocedure bood verweerder een schikking aan waarbij de waarde werd verlaagd naar €453.000 en een proceskostenvergoeding werd voorgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet in stand kon blijven en verklaarde het beroep gegrond. De rechtbank stelde de WOZ-waarde definitief vast op €453.000. Vervolgens werd het geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding behandeld. Verweerder stelde een lagere wegingsfactor voor vanwege het lichte karakter van WOZ-zaken, terwijl eiser een hogere vergoeding vorderde inclusief vergoeding van het taxatierapport.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 voor de bezwaarfase en 0,25 voor de beroepsfase, wat resulteerde in een totale proceskostenvergoeding van €1.228,76. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiser ingediende taxatierapport (€128,26) en het griffierecht (€50). De uitspraak werd gedaan op 7 februari 2025 door rechter B. van Walderveen.