ECLI:NL:RBNHO:2025:14402

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11689316
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van facturen en herstel van gebreken in stucwerk door onderaannemer

In deze civiele zaak heeft [bedrijf 1], een stukadoorsbedrijf, als onderaannemer werkzaamheden verricht voor [gedaagde], een aannemersbedrijf. [gedaagde] heeft de laatste twee facturen van [bedrijf 1] niet betaald, omdat zij van mening is dat het werk niet goed is uitgevoerd, met scheuren in het stucwerk en schade aan zwembadpompinstallaties als gevolg. [bedrijf 1] vordert betaling van deze facturen, vermeerderd met rente en kosten. In reconventie vordert [gedaagde] dat [bedrijf 1] de gebreken herstelt en schadevergoeding betaalt voor de beschadigde zwembadpompinstallaties. De kantonrechter heeft de vordering van [bedrijf 1] toegewezen, oordelend dat het werk is opgeleverd en dat [bedrijf 1] niet aansprakelijk is voor de geclaimde gebreken. De vordering van [gedaagde] is afgewezen, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat de schade aan de zwembadpompinstallaties door [bedrijf 1] is veroorzaakt. De kantonrechter heeft de proceskosten voor [gedaagde] vastgesteld en deze veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen en bijkomende kosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11689316 \ CV EXPL 25-2997
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser],handelend onder de naam
[bedrijf 1],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1],
gemachtigde: mr. G.A. van Gorcom,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 3],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. van der Hooft.
De zaak in het kort
[bedrijf 1] heeft als onderaannemer van [gedaagde] stukadoorwerkzaamheden verricht. [gedaagde] heeft de laatste twee facturen van [bedrijf 1] niet betaald. [gedaagde] is van mening dat [bedrijf 1] zijn werk niet goed heeft gedaan, want er zitten scheuren in het stucwerk en de zwembadpompinstallaties zijn beschadigd geraakt.
[bedrijf 1] vordert betaling van de twee facturen, te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie vordert [gedaagde] dat [bedrijf 1] binnen een redelijke termijn zijn werk herstelt en de schade aan de pompinstallaties vergoedt. De kantonrechter wijst de vordering van [bedrijf 1] toe en die van [gedaagde] af, omdat hij van oordeel is dat het werk van [bedrijf 1] is opgeleverd en niet aansprakelijk is voor de scheuren en de schade aan de zwembadpomp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 april 2025 met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde] met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 23 juli 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overlegging producties 6 tot en met 10 van [bedrijf 1];
- de akte tot overlegging productie 5 van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarbij [bedrijf 1] spreekaantekeningen heeft overgelegd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[bedrijf 1] drijft een stukadoorsbedrijf als eenmanszaak. [gedaagde] is een aannemersbedrijf.
2.2.
[bedrijf 1] heeft in de afgelopen jaren als onderaannemer van [gedaagde] stukadoorswerkzaamheden verricht voor het project [naam] [plaats 2] aan de [adres] te [plaats 2]. Voor deze werkzaamheden heeft [gedaagde] op 3 januari 2023 een lijst van [bedrijf 1] ontvangen met, voor zover relevant, de volgende inhoud:
2.3.
[bedrijf 1] heeft in de loop der tijd negen facturen naar [gedaagde] gestuurd voor een totaalbedrag van € 102.973,00. [gedaagde] heeft deze facturen betaald.
2.4.
[bedrijf 1] heeft op 7 oktober 2024 factuur 2024 035 van € 6.960,00 (BTW verlegd) naar [gedaagde] verstuurd.
2.5.
[bedrijf 1] heeft op 31 oktober 2024 [gedaagde] om betaling van factuur 2024 035 verzocht, omdat zij niet betaalde. Als antwoord hierop schrijft op 4 november 2024 een werknemer van [gedaagde] dat zij de betaling al heeft klaar gezet bij de bank, maar de betaling nog niet is geautoriseerd. Ook vermeldt zij dat zij die dag een mail er uit heeft gestuurd dat de betaling er vandaag uit moet.
2.6.
Vervolgens heeft [bedrijf 1] op 8 november factuur 2024 044 van € 1.025,00 (BTW verlegd) naar [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft ook deze factuur niet betaald.
2.7.
Op 28 november 2024 laat de werknemer [bedrijf 1] weten dat zij van haar leidinggevende de factuur 2024 035 niet mag betalen.
2.8.
[bedrijf 1] heeft op 24 december 2024 een betalingsherinnering naar [gedaagde] gestuurd met de sommatie om de openstaande facturen, binnen veertien dagen te betalen, anders zou hij aanspraak maken op de rente en kosten en ter incasso de facturen uit handen geven.
2.9.
Omdat geen betaling volgde, heeft (de gemachtigde van) [bedrijf 1] op 15 januari 2025 [gedaagde] gesommeerd om de facturen met rente en kosten binnen vier dagen te betalen.
2.10.
[gedaagde] heeft in reactie op de sommatie de volgende dag geantwoord dat zij eind week 5 2025 inhoudelijk hierop zal reageren. [bedrijf 1] heeft op dezelfde dag en later op 22 januari 2025 daar bezwaar tegen gemaakt.
2.11.
[gedaagde] heeft vervolgens in haar e-mail aan [bedrijf 1] van 22 januari 2025 geschreven dat zijn stukwerk bij [naam] scheuren vertoont.
2.12.
In reactie daarop schrijft (de gemachtigde van) [bedrijf 1] op 23 januari 2025 dat zijn werk al maanden klaar is en aan [gedaagde] gereed is gemeld. Het werk is volgens hem opgeleverd en bovendien zonder voorbehoud in gebruik genomen. Ook heeft [gedaagde] hem betalingstoezeggingen gedaan. Zij heeft wederom als antwoord gegeven dat een inhoudelijke reactie nog zou volgen.
2.13. (
De gemachtigde van) [gedaagde] heeft daarna op 12 februari inhoudelijk gereageerd op de e-mail van [bedrijf 1] van 23 januari 2025. Zij schrijft dat de door [bedrijf 1] uitgevoerde werkzaamheden niet zijn goedgekeurd en het werk niet zonder meer in gebruik is genomen. Ook schrijft zij dat er geklaagd is over een aantal onderdelen van het uitgevoerde werk. [gedaagde] stelt daarom een schouw voor.
2.14. (
De gemachtigde van) [bedrijf 1] heeft [gedaagde] op 24 februari 2025 gevraagd om toe te lichten wat de gebreken in het werk van [bedrijf 1] zijn en wanneer een schouw zou moeten plaatsvinden.
2.15. (
De gemachtigde van) [gedaagde] herhaalt op 27 februari 2025 dat [bedrijf 1] zijn stucwerk moet komen schouwen.
2.16.
[gedaagde] heeft op 27 mei 2025 een factuur van onder andere een bedrag van € 2.118,00 voor de vervanging van een defecte zwembadpomp ontvangen van Compass Pools Nederland B.V. voor meerwerk dat zij heeft moeten doen bij het zwembad van [naam].

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[bedrijf 1] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 7.985,00, te vermeerderen met de contractuele rente (1,5% per maand of een deel van een maand) danwel de wettelijke handelsrente vanaf 21 oktober 2024 (betreffende het factuurbedrag van € 6.960,00) en vanaf 22 november 2024 (betreffende het factuurbedrag van € 1.025,00) tot de dag van volledige betaling, te vermeerderen met € 774,25 (buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW));
  • [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de toegekende (buiten)gerechtelijke kosten en de nakosten vanaf de datum van dit vonnis.
3.2.
[bedrijf 1] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Hij stelt dat partijen al jaren zaken met elkaar hebben gedaan. Dat gebeurde vrij informeel en zo is ook het project [naam] tussen partijen aan de orde gekomen zonder dat sprake was van een vast overeengekomen werk waarvan de aard en omvang voldoende duidelijk was en een vaste aanneemsom die voldoende duidelijk was. Tussen partijen is juist besproken dat niet op die basis, maar op basis van regie zou worden gewerkt en gefactureerd. De lijst van 3 januari 2023 is daarbij een prijslijst. Met een voormalige medewerker van [gedaagde] is expliciet besproken dat de prijslijst echter niet passend was en niet meer gebruikt zou worden. [gedaagde] heeft negen facturen betaald op basis van regie in 2023 en 2024 zonder ooit te stellen dat daaraan wat zou mankeren. Pas bij de conclusie van antwoord komt zij met de stelling dat sprake zou zijn van een vaste aanneemsom van net iets minder dan € 50.000,00.
Verder is het werk opgeleverd, althans er is in 2024 al opgeleverd aan de hoofdopdrachtgever [naam] die de woning in gebruik heeft genomen en/of ingebruikname van het werk door/namens [gedaagde] (onder andere door het beschilderen van het stucwerk) vormt acceptatie gelijkstaand aan oplevering in de relatie tussen [bedrijf 1] en [gedaagde]. Hij heeft zijn werk dus deugdelijk uitgevoerd en [gedaagde] moet daarom de laatste twee facturen betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 1], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] legt aan haar verweer het volgende ten grondslag. Partijen hebben op het project [naam] op basis van een door [gedaagde] aanvaarde offerte van € 49.755,00 samengewerkt. Dit is een vaste prijs. [bedrijf 1] heeft te veel kosten in rekening gebracht. Verder vertoont het werk van [bedrijf 1] scheuren en is het niet opgeleverd. [bedrijf 1] heeft ook niet mee willen werken aan de oplevering van het werk, aangezien hij wist dat [gedaagde] het werk op onderdelen niet zou goedkeuren.
3.5.
Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover nodig, nader ingaan.
In reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [bedrijf 1] veroordeelt de gebreken aan het buitenstucwerk in de vorm van scheurvorming te herstellen binnen een periode van acht weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, dit met inachtneming van de eisen van goed en deugdelijk werk en [bedrijf 1] veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan [gedaagde] van € 200,00 per dag dat [bedrijf 1] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 15.000,00 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
II. [bedrijf 1] veroordeelt tot betaling van € 2.118,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.7.
[gedaagde] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Er is sprake van scheurvorming in het stucwerk aan buitengevels van het pand van [naam]. [gedaagde] heeft deze scheuren in januari 2025 ontdekt. [bedrijf 1] is verplicht deze gebreken aan het werk binnen een redelijke termijn te herstellen. Hij heeft geweigerd herstel uit te voeren.
[bedrijf 1] heeft daarnaast bij de uitvoering van zijn werkzaamheden schade veroorzaakt door de technische installaties bij het aanbrengen van het stucwerk niet af te dekken, waardoor een grote hoeveelheid stucwerk op de pompinstallatie van het zwembad terecht is gekomen, zie de door [gedaagde] als productie 5 overgelegde foto:
[bedrijf 1] is aansprakelijk voor deze schade aangezien het werk niet is opgeleverd. De schade bedraagt € 2.118,00. [bedrijf 1] is verplicht deze gevolgschade aan [gedaagde] te vergoeden.
3.8.
[bedrijf 1] voert verweer. [bedrijf 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.
3.9.
[bedrijf 1] voert aan dat het werk in 2024 is opgeleverd. Voor zover sprake mocht zijn van een verborgen gebrek, wijst hij erop dat hij de gestelde scheurvorming betwist, alsmede dat [gedaagde] niet voldoet aan haar klachtplicht ex artikel 6:89 BW. [bedrijf 1] voert aan dat te onduidelijk is wanneer sprake zou zijn van scheurvorming, terwijl [gedaagde] de plicht heeft dit tijdig te melden en te onderbouwen. Ook onduidelijk is wat er voor scheurvorming is qua aard en omvang. De scheuren aan het stucwerk zijn [bedrijf 1] daarom niet toe te rekenen, omdat deze scheuren zouden kunnen voortkomen uit de werking van de ondergrond/constructie van de woning.
[bedrijf 1] voert met betrekking tot de zwembadpomp aan dat voorafgaand aan deze procedure deze door [gedaagde] gestelde schade onbekend voor hem was. Hij betwist dat hij dergelijke schade ooit heeft veroorzaakt en het is ook onlogisch dat [bedrijf 1] al maanden klaar was met werkzaamheden en dat in mei 2025 een pomp vervangen zou moeten worden. [bedrijf 1] heeft juist wel alles afgedekt, gelet op de door hem als productie 7 overgelegde foto van 20 september 2024:
Subsidiair voert hij aan dat de vordering tot schadevergoeding van [gedaagde] niet toewijsbaar is, omdat [bedrijf 1] de vordering gemotiveerd heeft betwist en zij meer dan een half jaar later enkel een niet onderbouwde factuur overlegt. Dit is onvoldoende voor toewijsbaarheid, aldus [bedrijf 1]. Ten overvloede betwist hij dat vervanging van enige apparatuur of pomp nodig was en/of dit aan hem toerekenbaar is. Door het grote tijdsverloop kan [bedrijf 1] dit ook niet controleren of de kosten beperken, zodat hij in zijn belangen is geschaad.
3.10.
Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zal de kantonrechter deze gezamenlijk behandelen.
In conventie en reconventie
De aannemingsovereenkomst is op basis van een regieafspraak aangegaan
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 1] als onderaannemer van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor het project [naam] [plaats 2]. Partijen verschillen wel van mening over hoe deze aannemingsovereenkomst (en met welke prijs) tot stand is gekomen.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat partijen op basis van regie de overeenkomst hebben gesloten. [bedrijf 1] heeft namelijk voldoende onderbouwd toegelicht dat partijen de afgelopen jaren op basis van regie, dus zonder een afgesproken vaste prijs voor de werkzaamheden van [bedrijf 1], hebben samengewerkt. De door [gedaagde] overgelegde lijst is geen offerte, maar een prijslijst. Deze lijst is niet volledig, gelet op de teksten in het rood zoals “exclusief schildererk en steiger werk voor buiten”. Ook heeft [bedrijf 1] met een (voormalige) medewerker van [gedaagde] besproken dat de prijslijst niet passend was en niet meer gebruikt zou worden.
4.4.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat de prijslijst een offerte is, zodat dit feit niet komt vast te staan. Zij heeft namelijk tot de laatste twee facturen van [bedrijf 1] alle facturen zonder protest betaald. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat [bedrijf 1] zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] verplicht was na oplevering de laatste twee facturen te betalen. De betaling van deze facturen stond ook in eerste instantie klaar, gelet op de e-mail van [gedaagde] van 4 oktober 2024. Desondanks heeft [gedaagde] deze facturen niet betaald.
Het werk van [bedrijf 1] is opgeleverd; [gedaagde] moet de facturen betalen
4.5.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het werk van [bedrijf 1] niet is opgeleverd. De kantonrechter is van oordeel dat het werk van [bedrijf 1] wel is opgeleverd, gelet op het volgende.
4.6.
Het werk van een aannemer moet voor de oplevering door de opdrachtgever worden gekeurd. Doet de opdrachtgever dit niet, dan wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard (artikel 7:758 lid 1 BW). Na de (stilzwijgende) aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.
4.7.
[bedrijf 1] heeft voldoende onderbouwd toegelicht dat in 2024 over zijn stucwerk door of namens [gedaagde] heen is geschilderd. [gedaagde] heeft dit niet, althans niet voldoende, betwist zodat dit feit komt vast te staan. Hierdoor is sprake van stilzwijgende aanvaarding van het werk van [bedrijf 1] en is het werk voor risico van [gedaagde]. Bovendien heeft [gedaagde] pas nadat [bedrijf 1] zijn gemachtigde had ingeschakeld, aangevoerd dat het werk van [bedrijf 1] niet is opgeleverd (en dat er scheuren in het stucwerk zitten).
4.8.
Nu het werk van [bedrijf 1] is opgeleverd, kan [gedaagde] alleen na oplevering vragen om herstel als [bedrijf 1] voor de scheuren in het stucwerk aansprakelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf 1] niet verplicht is de scheuren te herstellen. [gedaagde] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd gesteld dat de scheuren door toedoen van [bedrijf 1] zijn ontstaan, zodat dit niet komt vast te staan. Zij heeft niet toegelicht hoe de scheuren zijn ontstaan, hoeveel scheuren het er zijn en waar de scheuren precies zitten. Een enkele foto van een scheur is onvoldoende. Daartegenover heeft [bedrijf 1] mogelijke oorzaken van de scheuren aangevoerd, zoals fouten in de constructie van het gebouw. Dit soort scheuren ontstaan niet door ondeugdelijk werk van een stukadoor. [bedrijf 1] is dus naar het oordeel van de kantonrechter niet aansprakelijk voor de gebreken aan het stucwerk en is niet verplicht de scheuren te herstellen. Overigens zijn de scheuren pas in januari 2025 door [gedaagde] ontdekt, ver na de vervaldata van de facturen en de oplevering.
4.9.
De kantonrechter zal daarom de vordering in conventie tot betaling van de twee facturen toewijzen en de vordering van [gedaagde] in reconventie tot herstel van de scheuren in het stucwerk afwijzen.
4.10.
[bedrijf 1] vordert de contractuele rente over de factuurbedragen op grond van zijn branchevoorwaarden. Omdat [gedaagde] deze rente niet heeft betwist, zal de kantonrechter de vordering toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
De schadevergoeding is niet toewijsbaar
4.11.
[gedaagde] vordert een schadevergoeding voor de zwembadpompinstallaties van [naam]. Een grote hoeveelheid stucwerk is op de installaties terecht gekomen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een foto zonder datum van een deel van de pompinstallatie overgelegd waarop witte vlekken te zien zijn. [bedrijf 1] betwist dit en heeft een foto van 20 september 2024 van de gehele ruimte overgelegd waarop te zien is dat de installatie schoon is. Hij heeft daarnaast aangevoerd dat hij in die ruimte niet heeft gestuct, maar met spack heeft gespoten. Spack veroorzaakt volgens [bedrijf 1] niet de vlekken zoals te zien op de foto van [gedaagde].
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [bedrijf 1] aansprakelijk is voor de schade aan de zwembadpompinstallaties. Het is namelijk onduidelijk wanneer de schade is ontstaan en of dit aan [bedrijf 1] toe te rekenen is. De door [gedaagde] overgelegde foto bevat geen datum en kan dus erg recent zijn gemaakt. Ook is niet de gehele ruimte gefotografeerd. [gedaagde] heeft bovendien niet voldoende toegelicht hoe deze vlekken tot de schade van € 2.118,00 hebben geleid en waarom dit aan [bedrijf 1] is toe te rekenen. De kantonrechter zal daarom de vordering in reconventie van [gedaagde] tot schadevergoeding afwijzen.
In conventie
De buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
[bedrijf 1] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [bedrijf 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal dan ook het gevorderde bedrag van € 774,25 toewijzen. De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal hij toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [bedrijf 1] op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
Totaal
1.057,35
4.15.
De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
[gedaagde] moet ook de proceskosten in reconventie betalen
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van [bedrijf 1] op € 678,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 339,00).
4.17.
De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
In conventie en reconventie
De nakosten
4.18.
De kantonrechter zal [gedaagde] ook in de nakosten veroordelen. De nakosten bedragen € 135,00.
De kantonrechter zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.19.
De kantonrechter zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter op deze punten moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 7.985,00, te vermeerderen met de contractuele rente (1,5% per maand of een deel van een maand) vanaf 21 oktober 2024 over een bedrag van € 6.960,00 en vanaf 22 november 2024 over een bedrag van € 1.025,00 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 774,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.057,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.9.
verklaart de veroordelingen onder 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,
In conventie en reconventie voorts
5.10.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [bedrijf 1] van € 135,00 voor de nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11.
verklaart de veroordeling onder 5.10 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
1835