Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 november 2025;
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], van 11 februari 2025 (p. 43 e.v.);
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], van 11 februari 2025 (p. 48 e.v.);
- een proces-verbaal van bevindingen bekijken camerabeelden van 11 februari 2025 (p. 18 e.v.); en
- een schriftelijk bescheid, te weten productie 2 van de toelichting behorende bij de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] van 11 november 2025, bevattende medische informatie (p. 17 e.v.)
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
350 [driehonderdvijftig] dagen. Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot
61 [éénenzestig] dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd, en stelt daarbij een proeftijd vast van
drie jaren.
- [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum en -plaats 2];
- [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum en -plaats 3],
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
dadelijk uitvoerbaarzijn.
€ 11.086,91 (elfduizend zesentachtig euro en eenennegentig eurocent), als vergoeding voor materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 1.568,28 (duizend vijfhonderdachtenzestig euro en achtentwintig eurocent), als vergoeding voor materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.