ECLI:NL:RBNHO:2025:14434

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/15/370651 / JU RK 25-1426
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in verband met verslavingsproblematiek van de moeder

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 13 november 2025 een beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De moeder van de kinderen kampt met langdurige verslavingsproblematiek, wat heeft geleid tot onveiligheid en onvoorspelbaarheid in hun leven. De jongste dochter, [de minderjarige 2], woont bij de juridische moeder, terwijl de oudste dochter, [de minderjarige 1], in een woongroep verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van beide kinderen voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigd wordt door de situatie thuis en dat vrijwillige hulpverlening niet voldoende is om de problemen op te lossen. De kinderrechter heeft de verzoeken van de Raad toegewezen en de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar verleend. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370651 / JU RK 25-1426
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R. Croes-Bleijendaal uit Heerhugowaard,
[de juridische moeder],
hierna te noemen: de juridische moeder,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 10 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op dezelfde datum;
  • de brief van de juridische moeder van 6 november 2025, ontvangen op 13 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
De juridische moeder is – met bericht van afwezigheid – niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] .
2.2.
De moeder en de juridische moeder zijn belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 2] . De juridische moeder heeft [de minderjarige 2] op [datum] erkend.
2.3.
[de minderjarige 1] verblijft op woongroep [woongroep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (24 uurs)] . [de minderjarige 2] verblijft bij de juridische moeder.
2.4.
Bij beschikking van 6 september 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie 24-uurs verleend voor de duur van vier weken. De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 september 2025 de voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd en de machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 6 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een zeer ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Er is met name voor [de minderjarige 1] langdurig sprake geweest van een onveilige thuissituatie en beide kinderen hebben al hun hele leven te maken met de verslavingsproblematiek van de moeder. [de minderjarige 1] volgt al geruime tijd geen onderwijs en er zijn grote zorgen over haar netwerk, haar beïnvloedbaarheid en haar seksuele ontwikkeling. [de minderjarige 2] is grotendeels opgegroeid bij de juridische moeder en er bestaan zorgen over de verzorging en veiligheid van [de minderjarige 2] en over de belastbaarheid van de juridische moeder.
3.3.
De moeder en de juridische moeder zijn op dit moment onvoldoende bereid, althans in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Bij de moeder ontstaat keer op keer een onveilige situatie door haar drugsverslaving en de juridische moeder bagatelliseert de zorgen rondom [de minderjarige 2] en is ambivalent in het aangaan van hulpverlening. Gezien de grote zorgen en de ernstige problematiek verzoekt de Raad de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
3.4.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat het de Raad zorgen baart dat de juridische moeder niet aanwezig is op de zitting. Haar afwezigheid past in het patroon waarbij zij bepaalde zaken afhoudt, terwijl de Raad het noodzakelijk vindt dat zij mee gaat werken en zich gaat openstellen voor de hulpverlening. Wat betreft de duur van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , denkt de Raad dat de periode van een jaar minimaal nodig is om te bekijken of de moeder in staat is om weer zelf voor de kinderen te zorgen. De Raad acht de termijn van een jaar ook aangewezen om voor de benodigde duidelijkheid en rust bij [de minderjarige 1] te zorgen. Toewijzing van deze termijn is daarbij nodig, omdat de hulpverlening daarmee trajecten voor de langere termijn kan uitzetten. Toewijzing van een kortere termijn heeft invloed op de mogelijke behandelplannen.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek van de Raad onderschreven. De GI is van mening dat [de minderjarige 1] op haar plek zit bij [woongroep] . [de minderjarige 1] is zelfbepalend en heeft zelf een aandeel in de onrust op de groep. [woongroep] staat bekend om de lange adem die men daar heeft en zal [de minderjarige 1] zodoende niet snel afwijzen. In [plaats] kan haar niet de stabiliteit geboden worden, die [woongroep] biedt. [de minderjarige 1] is nu nog op zoek naar afwijzing en zal zich afzetten, ongeacht de termijn van de uithuisplaatsing. Er is zo veel onrust geweest, dat duidelijkheid over een langere termijn rust zal kunnen geven. [de minderjarige 1] zou eigenlijk een uur per dag naar school gaan, maar dat lukt haar op dit moment niet. De regiebehandelaar vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (24 uurs)] kan starten met traumabehandeling voor [de minderjarige 1] , maar daar moet zij zich eerst voor openstellen.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met de verzoeken voor beide kinderen. De moeder heeft zelf lange tijd geprobeerd om hulp te krijgen voor zichzelf en de kinderen en heeft te maken gehad met verschillende instanties. Het is fijn dat er nu een aanspreekpunt is. De moeder deelt de zorgen over de juridische moeder niet. Zij ziet ook dat de juridische moeder zich meer zou moeten openstellen voor de hulpverlening, maar als het gaat om de zorg voor [de minderjarige 2] heeft de juridische moeder juist altijd de verantwoordelijkheid genomen. De moeder is bezig met een woningruil zodat zij na haar opname niet in haar oude omgeving terugkomt. Zodra de verhuizing rond is, zal zij opgenomen worden bij de Brijder voor haar drugsverslaving, waar ook psychologisch onderzoek zal plaatsvinden. De termijn van een jaar is nodig voor de moeder om aan haar herstel te werken en om duidelijkheid te bieden aan [de minderjarige 1] . [de minderjarige 1] moet zich nu op zichzelf kunnen focussen en niet op het herstel van de moeder.
4.3.
De juridische moeder heeft in haar brief naar voren gebracht dat het voor haar een turbulente periode is geweest en zij heeft daarin de rust gemist in haar gezin. Zij begrijpt dat dit hoort bij de verantwoordelijkheid die zij op zich heeft genomen voor de zorg voor [de minderjarige 2] . In het raadsrapport wordt aangegeven dat de juridische moeder een ‘laatste waarschuwing’ krijgt. Die opmerking houdt haar erg bezig omdat zij, naar haar weten, nooit een eerste waarschuwing heeft gekregen. De juridische moeder is het eens met het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en zij kijkt uit naar regievoering vanuit de jeugdbeschermer. Zij staat ervoor open om samen te werken en te laten zien dat de zorg voor [de minderjarige 2] goed geregeld is. Graag zou de juridische moeder een jeugdbeschermer krijgen vanuit de William Schrikker Stichting. Zij functioneert op moeilijk lerend niveau, is dyslectisch en heeft al ambulante ondersteuning vanuit LOEK-HAL. De juridische moeder is niet aanwezig bij de zitting, omdat zij mogelijk emotioneel wordt en dan minder goed kan verwoorden wat zij wil zeggen.

5.De mening van [de minderjarige 1]

5.1.
heeft verteld dat zij het ermee eens is dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing langer voortduren. Zij wil het liefst weer bij de moeder wonen, maar snapt dat dat nu niet kan. Bij [woongroep] zit ze niet op haar plek. Zij gaat daar niet naar school, omdat zij zich niet kan concentreren, en zij slaapt slecht omdat het ’s nachts onrustig is door gedoe met de begeleiding. Daarbij is zij echter ook zelf betrokken. Zij wil bij haar oom wonen, zodat ze dichter bij de moeder en haar vriendinnen is, en zij mist haar zusje. [de minderjarige 1] wil graag één-op-één begeleiding krijgen.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De moeder kampt al lange tijd met verslavingsproblematiek, wat heeft gezorgd voor veel onveiligheid en onvoorspelbaarheid in het leven van de kinderen. Met name [de minderjarige 1] is geconfronteerd met de drugsverslaving van de moeder en de onveilige en instabiele thuissituatie. Vanwege haar persoonlijke problematiek is de moeder niet altijd beschikbaar geweest voor [de minderjarige 1] , waardoor ook de ouder-kindverhouding verstoord is geraakt. De moeder heeft geen grip meer op [de minderjarige 1] en mist daarnaast de pedagogische vaardigheden om met de gedragsproblematiek van [de minderjarige 1] om te gaan. [de minderjarige 1] kan zeer zelfbepalend zijn, is bekend met softdrugsgebruik, volgt op dit moment geen onderwijs en heeft geen andere dagbesteding. Haar gedragsproblematiek is mogelijk een gevolg van haar belaste verleden. Ook zijn er zorgen over het emotionele welzijn van [de minderjarige 1] . Zij heeft suïcidale uitlatingen gedaan en kan zelfbeschadigend gedrag laten zien. Zij heeft verder aangegeven dat haar hoofd zo vol zit dat zij daardoor niet aan leren toe komt. Tot slot bestaan er zorgen over haar beïnvloedbaarheid en haar algehele netwerk en het netwerk van het gezin, waarin drugsverslaving op de voorgrond staat.
6.3.
Als gevolg van de persoonlijke problematiek van de moeder is [de minderjarige 2] grotendeels opgegroeid bij de juridische moeder en sinds juni 2025 verblijft zij daar volledig. Zowel de kinderopvang van [de minderjarige 2] als de hulpverlening hebben zorgen geuit over de verzorging en veiligheid van [de minderjarige 2] bij de juridische moeder. De juridische moeder lijkt overbelast en houdt het contact met de GI en hulpverlening af. Recent heeft [de minderjarige 2] een opvallende gedragsverandering laten zien waarbij zij, onder andere, zichzelf pijn doet en zich niet wil laten verschonen. Ook komt [de minderjarige 2] vluchtig over in haar aandacht en contact en zij heeft een taalontwikkelingsachterstand.
6.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening omdat het voor de moeder moeilijk is om afspraken te maken en daarin betrouwbaar te zijn wanneer zij in gebruik is en de juridische moeder de zorgen niet lijkt te erkennen en onvoldoende openstaat voor hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Gezien de ernstige zorgen en de complexe problematiek is de termijn van een jaar aangewezen.
6.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Vanwege de persoonlijke problematiek en de aankomende opname van de moeder kan [de minderjarige 1] op dit moment niet thuis wonen. De vader van [de minderjarige 1] speelt geen betrouwbare rol in haar leven en kan ook niet voor haar zorgen. [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij zich niet op haar plek voelt op [woongroep] . De kinderrechter is gelet op hetgeen door de Raad en de GI naar voren is gebracht van oordeel dat de plaatsing daar op dit moment passend en noodzakelijk is. De kinderrechter schat met de Raad in dat het op dit moment van belang is dat [de minderjarige 1] gezien haar zorgelijke netwerk uit haar omgeving wordt gehaald en in een omgeving verblijft waar zij niet wordt afgewezen vanwege haar gedrag en waar zij structuur en kaders ontvangt. Nu [de minderjarige 1] al veel heeft meegemaakt, acht de kinderrechter het van groot belang dat er bij een terugkeer naar huis voldoende zekerheid bestaat omtrent de stabiliteit van de moeder en dat een terugkeer naar huis zorgvuldig en gefaseerd plaatsvindt. De kinderrechter gunt het [de minderjarige 1] en de moeder heel erg dat de moeder herstelt en [de minderjarige 1] weer bij haar moeder kan opgroeien, maar hier is tijd voor nodig. Om [de minderjarige 1] duidelijkheid en rust te bieden en om de juiste hulpverleningstrajecten in te kunnen zetten, acht de kinderrechter toewijzing voor de termijn van een jaar aangewezen.
6.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 13 november 2025 tot 13 november 2026;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 november 2025 tot 13 november 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 27 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.