In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 13 november 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er een ingewikkelde relatie bestaat tussen [de minderjarige] en zijn moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. De kinderrechter heeft de procedure gestart op basis van een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, die de machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] wilde verlengen. De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij zowel de moeder als vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren.
De feiten tonen aan dat [de minderjarige] sinds 28 mei 2025 weer bij zijn moeder verbleef, maar dat deze thuisplaatsing niet succesvol was. De kinderrechter heeft in eerdere beschikkingen al meerdere keren de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, en na een mislukte poging tot thuisplaatsing is [de minderjarige] opnieuw teruggeplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft de zorgen over de relatie tussen [de minderjarige] en zijn moeder benadrukt, evenals de gedragsproblematiek van [de minderjarige], die een vergrote opvoedvraag met zich meebrengt.
De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 juli 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de beslissing ondertekend op 27 november 2025, en tegen deze eindbeslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.