ECLI:NL:RBNHO:2025:14436

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/15/371103 / JU RK 25-1501
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van complexe gezinsrelaties

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 13 november 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er een ingewikkelde relatie bestaat tussen [de minderjarige] en zijn moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. De kinderrechter heeft de procedure gestart op basis van een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, die de machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] wilde verlengen. De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij zowel de moeder als vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren.

De feiten tonen aan dat [de minderjarige] sinds 28 mei 2025 weer bij zijn moeder verbleef, maar dat deze thuisplaatsing niet succesvol was. De kinderrechter heeft in eerdere beschikkingen al meerdere keren de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, en na een mislukte poging tot thuisplaatsing is [de minderjarige] opnieuw teruggeplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft de zorgen over de relatie tussen [de minderjarige] en zijn moeder benadrukt, evenals de gedragsproblematiek van [de minderjarige], die een vergrote opvoedvraag met zich meebrengt.

De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 juli 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft de beslissing ondertekend op 27 november 2025, en tegen deze eindbeslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371103 / JU RK 25-1501
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 3 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 27 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [de minderjarige] bij beschikking van 7 juli 2021 onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 juni 2025, tot 7 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 7 juli 2021 heeft de kinderrechter voor [de minderjarige] een machtiging
tot uithuisplaatsing in een gezinshuis verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 april 2025, tot 7 juli 2025.
2.5.
[de minderjarige] verbleef vanaf 28 mei 2025 weer bij moeder. Bij beschikking van 7 juli 2025 is voor [de minderjarige] een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier weken, tot 4 augustus 2025. Bij beschikking van 17 juli 2025 is voornoemde beschikking gehandhaafd en is de machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 4 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft drie jaar in het gezinshuis [gezinshuis] gewoond vanwege zorgen over de veiligheid en de dynamiek in de thuissituatie bij de moeder. In lijn met een eerdere beschikking van de rechtbank is op 4 april 2025 getracht [de minderjarige] thuis te plaatsen bij de moeder. De thuisplaatsing was echter niet succesvol waarna [de minderjarige] weer is teruggeplaatst bij het gezinshuis. Vanwege het loyaliteitsconflict van [de minderjarige] was het vanuit het gezinshuis lastig om te werken aan een terugkeer naar huis. Sinds 17 juli 2025 verblijft [de minderjarige] daarom bij de groep [groep] in [plaats] en wordt vanuit daar gewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder met een gedragen plan, waarbij de hulpverlening vanuit NiCare een belangrijke rol speelt. De dynamiek tussen [de minderjarige] en de moeder is echter ingewikkeld en hierin moet eerst structureel verbetering in komen voordat een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk wordt geacht. De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen totdat een terugkeer naar huis op een verantwoorde wijze gerealiseerd kan worden.
3.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat [de minderjarige] veerkrachtig met de recente gebeurtenissen omgaat, maar dat vooral op school wordt gemerkt dat het wel een weerslag op hem heeft. Bij [groep] heeft [de minderjarige] fijne begeleiders en hij heeft goed contact met zijn begeleider vanuit NiCare. Er hebben pas twee systeemgesprekken plaatsgevonden en NiCare heeft aangegeven mogelijkheden te zien in de systeemtherapie, waarbij de focus moet liggen op positief en fijn contact. Het is nieuw voor de GI dat [de minderjarige] niet gemotiveerd is voor systeemtherapie en er zal samen gekeken moeten worden wat daarin gaat lukken.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het verzoek. Zij ziet ook in dat het op dit moment niet mogelijk is voor [de minderjarige] om thuis te wonen. De moeder denkt dat systeemtherapie belangrijk is. Dat zou dan in persoon moeten plaatsvinden en niet online, dat werkt beter voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft nu vaker gezegd dat hij niet terug naar huis wil. Als hij dat echt meent, zal de moeder daar geen strijd over voeren met hem en kijken hoe zij er dan op een andere manier voor hem kan zijn.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat het goed gaat bij [groep] en op school. In zijn beleving zijn er niet echt problemen. De moeder is een paar keer bij hem op de groep geweest, maar nu al een aantal weken niet meer. [de minderjarige] merkt op dit moment niet dat er wordt gewerkt aan zijn thuisplaatsing. Aan systeemtherapie gaat hij niet meedoen, want dat past niet bij hem en hij denkt niet dat het echt zin heeft.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
Na ruim drie jaar in hetzelfde gezinshuis gewoond te hebben, is recent een poging gedaan tot thuisplaatsing van [de minderjarige] , welke niet goed is verlopen. Na een incident waarbij [de minderjarige] een ruit bij de moeder kapot heeft getrapt, is hij weer teruggeplaatst bij het gezinshuis. Inmiddels verblijft [de minderjarige] vanwege het loyaliteitsconflict dat hij in het gezinshuis ervaarde sinds juli 2025 op de groep [groep] . De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] nu niet bij de moeder kan wonen omdat hun relatie daar op dit moment te ingewikkeld voor is. Zowel de moeder als [de minderjarige] hebben een belast verleden en ook tussen hen is veel gebeurd. Zij hebben allebei een andere visie op bepaalde zaken en het lukt hen niet om naar elkaar te luisteren en elkaar te begrijpen. Daarnaast is bij [de minderjarige] sprake van gedragsproblematiek waardoor sprake is van een vergrote opvoedvraag, waar de moeder op dit moment onvoldoende aan tegemoet kan komen. [de minderjarige] zelf heeft aangegeven dat hij het niet ziet gebeuren dat hij weer bij de moeder gaat wonen en dat hij niet mee gaat doen aan de systeemtherapie.
6.3.
De kinderrechter maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van [de minderjarige] . Het is duidelijk dat de afgelopen periode veel impact op hem heeft. De school van [de minderjarige] , welke altijd een stabiele en veilige plek voor hem is geweest, heeft aangegeven zich zorgen over hem te maken. Hij sluit zich meer af voor anderen dan voorheen en heeft een onverschillige houding. [de minderjarige] lijkt eraan gewend te zijn geraakt dat hij mensen om hem heen kwijtraakt, wat maakt dat hij mogelijk ook weinig motivatie meer ervaart om zich in te zetten voor de hulpverlening en om aan zijn relatie met de moeder te werken. Het is belangrijk om te zien dat hij bij [groep] goed geland is en dat hij zich openstelt naar de begeleiding, zodat daar professioneel zicht is op zijn welzijn en gemoedstoestand. [de minderjarige] lijkt bij [groep] op zijn plek te zitten en krijgt daar de structuur, duidelijkheid en rust die hij op dit moment nodig heeft.
6.4.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing zoals verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 juli 2026. Gelet op de mislukte thuisplaatsing en de impact daarvan op [de minderjarige] , is het van belang dat zorgvuldig bekeken wordt hoe het vanaf hier verder moet gaan. Er is tijd nodig om te onderzoeken in hoeverre er daadwerkelijk tot een doorbraak gekomen kan worden in de patronen tussen [de minderjarige] en de moeder en thuisplaatsing opportuun en in zijn belang is.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 juli 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 27 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.