In deze zaak gaat het om een kort geding tussen ex-partners die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. De vrouw woont in de woning met haar meerderjarige kinderen en de vriend van haar dochter. Beide partijen willen het voorlopig gebruik van de woning. De voorzieningenrechter heeft op 9 december 2025, na een belangenafweging, besloten dat de vrouw en haar kinderen het gebruik van de woning voor de komende zes maanden toegewezen krijgen. Dit besluit is genomen omdat een van de kinderen kwetsbaar is door psychische problematiek en de vrouw geen alternatieve woonruimte heeft. De man, die de woning op 20 september 2025 heeft verlaten, heeft verzocht om het gebruik van de woning, maar zijn belangen zijn door de voorzieningenrechter als minder zwaarwegend beoordeeld. De vrouw heeft ook eigen geld in de woning geïnvesteerd en de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat haar belangen zwaarder wegen. De vordering van de man om een locatieverbod op te leggen aan de vrouw is afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was voor een inbreuk op haar recht om zich vrijelijk te verplaatsen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.