ECLI:NL:RBNHO:2025:14533

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
15-382164-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en bijkomende straffen voor meerdere gewelds- en vermogensdelicten door verdachte

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 18 november 2025 uitspraak gedaan in een complexe jeugdzaken waarin de verdachte, een jongere, werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder poging zware mishandeling, diefstal met geweld, mishandeling, en een leerplichtzaak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 10 augustus 2024 tot 5 juni 2025 betrokken was bij een reeks ernstige strafbare feiten, waarbij hij samen met anderen geweld heeft gebruikt tegen verschillende slachtoffers. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen, maar heeft hem wel schuldig bevonden aan de meeste feiten. De rechtbank heeft de verdachte een jeugddetentie opgelegd van 120 dagen, waarvan 54 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden verbonden aan de straf, waaronder een locatieverbod en deelname aan een gedragsinterventie. De rechtbank heeft ook vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij schadevergoeding is opgelegd voor de geleden materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar laten meewegen in de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/382164-24
Ter terechtzitting gevoegde parketnummers: 15/174094-25, 15/344474-24 en 15/025266-25
Uitspraakdatum: 18 november 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op terechtzitting met gesloten deuren van 4 november 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] , en
- wat de verdachte en zijn raadsman mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan,
- wat [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad),
- wat [vertegenwoordiger van de GI] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de jeugdreclassering) en
- wat [leerplichtambtenaar] , leerplichtambtenaar bij de gemeente [gemeente]
naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 6] en wat namens hen naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 15/174094-25, ten laste gelegd dat:
Parketnummer 15/174094-25(hierna te noemen:
zaak A)
Feit 1:
Primair
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Purmerend, in elk geval in Nederland, op de openbare weg te weten in het Purmerbos, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike en/of een (fiets)tasje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde partij 1] in het nauw te drijven en/of
- met een kettingslot in de richting van het hoofd van die [benadeelde partij 1] te slaan/zwaaien en/of tegen zijn arm te slaan, en/of
- die [benadeelde partij 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn been te steken/snijden;
Subsidiair
hij op of omstreeks 5 juni te Purmerend, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (steek-/snij-) verwonding aan het bovenbeen heeft toegebracht, door hem:
- met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het been te steken/snijden;
Meer subsidiair
hij op of omstreeks 5 juni te Purmerend, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:
- met een (ketting)slot in de richting van het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft gezwaaid/geslagen en/of
- met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het been van die [benadeelde partij 1] te steken/snijden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Purmerend [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] meermaals, in elk geval eenmaal, te slaan/stompen tegen het hoofd.
Parketnummer 15/344474-24(hierna te noemen:
zaak B)
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Parketnummer 15/382164-24(hierna te noemen:
zaak C)
Feit 1:
hij op of omstreeks 10 november 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vape, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zijn armen om de nek van die [benadeelde partij 4] te klemmen, en/of
- die [benadeelde partij 4] aan zijn jas/bovenlijf vast te pakken en te duwen, en/of
- die [benadeelde partij 4] achterover te trekken waardoor hij ten val komt, en/of
- ( terwijl het slachtoffer op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde partij 4] te slaan, en/of
- ( terwijl het slachtoffer op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met gestrekt been tegen het (boven)lichaam van die [benadeelde partij 4] te trappen/schoppen;
Feit 2:
hij op of omstreeks 29 november 2024 te Purmerend op de openbare weg ter hoogte van de [straat] te Purmerend, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 5] te dwingen tot de afgifte van geld en/of waardevolle goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij 5] en/of een derde toebehoorde(n)
- voor de fiets van die [benadeelde partij 5] is gaan staan, en/of (vervolgens)
- de kraag van die [benadeelde partij 5] heeft vastgepakt, en/of (vervolgens)
- heeft gezegd dat die [benadeelde partij 5] mee moest lopen, en/of (vervolgens)
- heeft gezegd 'wat heb je bij je? Haal je zakken leeg', althans woorden van gelijke strekking, en/of (vervolgens)
- een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, uit zijn jaszak heeft gepakt en aan die [benadeelde partij 5] heeft getoond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3:
hij op of omstreeks 29 november 2024 te Purmerend een fietssleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 4:
hij op of omstreeks 29 november 2024 te Purmerend een iPhone 13 mini, een identiteitskaart en/of een ING bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de telefoon uit de handen van die [benadeelde partij 6] te pakken, en/of (vervolgens)
- een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, uit zijn broeksband te pakken en voor zijn borst te houden, althans aan die [benadeelde partij 6] te tonen, en/of (vervolgens)
- tegen die [benadeelde partij 6] te zeggen dat hij niet de politie moet bellen;
Parketnummer 15/025266-25(hierna te noemen:
zaak D)
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 september 2024 tot en met 25 november 2024 te Zaandam, in elk geval in Nederland, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, terwijl hij als leerling of deelnemer van een school of instelling, te weten [College] College stond ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, het volledige onderwijsprogramma respectievelijk het volledige programma van de combinatie leren en werken te volgen dat door die school of instelling werd aangeboden, dan wel de instelling na inschrijving geregeld te bezoeken, terwijl ten aanzien van hem de leerplicht, als bedoeld in paragraaf 2 van genoemde wet was geëindigd en hij nog geen startkwalificatie had behaald.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 aan de verdachte in zaak A ten laste gelegde feiten. Een bewezenverklaring dient ook te volgen voor alle ten laste gelegde feiten in de zaken B tot en met D.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In de zaken B en D heeft de raadsman zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft zich in zaak C op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van wat hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd en zich voor de overige feiten in die zaak gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal hierna waar nodig ingaan op specifieke verweren.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Zaak A: vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Feit 1 primair (diefstal met geweld)
Een van de juridische vragen waarover de rechtbank zich dient te buigen is of de verdachte tezamen met zijn medeverdachte het oogmerk had om, met geweld, zich goederen van de aangever toe te eigenen. Uit het dossier zal dan moeten blijken dat het de bedoeling van de verdachte is geweest om een fatbike en een (fiets)tasje van de aangever weg te nemen en toe te eigenen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte achter de aangever is aangegaan met het doel om de eerder door de aangever weggenomen tas en laptop van zijn zusje terug te halen. Uit het dossier blijkt niet dat het oogmerk van de verdachte (en zijn medeverdachte) was gericht op het wegnemen van de fatbike en/of het (fiets)tasje van de aangever. Het aan de verdachte verweten geweld staat naar het oordeel van de rechtbank ook niet in relatie tot de verweten diefstal van de fatbike en/of het (fiets)tasje. Dat de verdachte geweld heeft gebruikt door het slachtoffer in zijn bovenbeen te steken en dat vervolgens op de fatbike van de aangever is weggefietst, biedt op zichzelf onvoldoende grond om te concluderen dat het geweld heeft plaatsgevonden in relatie tot het wegnemen van die fatbike en/of het (fiets)tasje van de aangever. Daarvan is ook anderszins uit het dossier niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Feit 1 subsidiair (zware mishandeling)
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, nu onvoldoende is vast komen te staan dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan de aangever. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is gebleken over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medische ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarom kan niet worden vastgesteld dat het letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. Meer in het bijzonder met betrekking tot zaak A, onder 1 meer subsidiair, en zaak C overweegt de rechtbank het volgende.
3.3.3
Bewijsmotiveringen
Zaak A feit 1 meer subsidiair (poging zware mishandeling)
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever op enig moment met een mes in diens been heeft gestoken. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever aanvaard. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde.
Zaak C feit 1 (diefstal met geweld)
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Enerzijds omdat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van de vape en anderzijds omdat er geen (direct) verband bestaat tussen het wegnemen van de vape en het geweld. Het geweld was een reactie op het geweld gepleegd door de aangever.
De rechtbank verwerpt deze verweren, komt tot een bewezenverklaring van het feit en overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat een medeverdachte aan de aangever heeft gevraagd of hij van zijn vape mocht proeven. Daarop heeft de aangever zijn vape aan deze medeverdachte gegeven. Direct daarop heeft de medeverdachte tegen de aangever gezegd dat hij zijn vape niet terugkreeg en dat deze nu van hem was. Getuige [getuige] heeft verklaard dat er – naar de rechtbank begrijpt: door de medeverdachte tegen de aangever – iets is gezegd in de trant van
dacht je dat je die vape terugkreeg ofzo’. Vervolgens heeft de aangever de vape teruggevraagd en ook fysiek geprobeerd zijn vape terug te krijgen. Op veiliggestelde beelden van het incident is vervolgens te zien dat de verdachte met zijn armen de aangever om de nek klemt en hem naar de grond toebrengt. Direct daaropvolgend hebben de verdachte en zijn medeverdachten de aangever geslagen en geschopt en zijn zij weggegaan.
De rechtbank is van oordeel dat de medeverdachte, op het moment dat hij de vape niet teruggaf aan de aangever en daarbij zei dat hij de vape niet terug zou krijgen, de feitelijke heerschappij over de vape had. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm had de medeverdachte van meet af aan (al ten tijde van het vragen om de vape) het oogmerk om zich de vape van de aangever wederrechtelijk toe te eigenen. Zodra hij de vape in handen had, heeft hij zich als eigenaar daarvan gedragen. Daarna is door de verdachte en de medeverdachten in een 3-tegen-1 verhouding fors geweld gebruikt tegen de aangever, kennelijk om ervoor te zorgen dat hij de vape niet terugkreeg.
Zaak C feit 2 (poging afpersing)
De verdediging heeft verder bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, omdat de fiets van het slachtoffer niet is weggenomen. Als de rechtbank dat anders ziet, heeft de verdediging gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een mes aan het slachtoffer.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever heeft aangesproken en hem heeft gezegd dat hij zijn zakken moest legen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij in zijn broek een mes bij zich droeg. Het mes zou echter niet zichtbaar zijn voor het slachtoffer, evenmin heeft hij het mes aan het slachtoffer getoond. Het is de verdachte daarom onduidelijk waarom het slachtoffer op een gegeven moment is weggerend.
De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om aan de aangifte te twijfelen. De rechtbank betrekt hierbij dat de verdachte heeft erkend dat hij de aangever heeft gezegd dat hij zijn zakken leeg moest halen en zelf heeft aangegeven dat hij een mes bij zich had. Uit de overige bewijsmiddelen blijkt dat hij het mes slechts enkele momenten later heeft gebruikt bij een andere aangever ( [benadeelde partij 6] ). Daarbij heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring voor het gedrag van de aangever, die, – kennelijk uit blinde paniek – de hand van de verdachte wegduwt, van zijn fiets springt, wegrent en zijn fiets (met fietssleutel) achterlaat.
Bij deze stand van zaken acht de rechtbank de verklaring van de verdachte op dit punt onaannemelijk en gaat zij uit van de aangifte. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Zaak A
1 meer subsidiair:
hij op 5 juni 2025 te Purmerend, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in het been van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2:
hij op 5 juni 2025 te Purmerend [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] te stompen tegen het hoofd.
Zaak B
hij op 10 augustus 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander diverse winkelgoederen die aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Zaak C
1:
hij op 10 november 2024 te Zaandam tezamen en in vereniging met anderen een vape die aan [benadeelde partij 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zijn armen om de nek van die [benadeelde partij 4] te klemmen, en
- die [benadeelde partij 4] aan zijn jas/bovenlijf vast te pakken en te duwen, en
- die [benadeelde partij 4] achterover te trekken waardoor hij ten val komt, en
- terwijl het slachtoffer op de grond ligt die [benadeelde partij 4] te slaan, en
- terwijl het slachtoffer op de grond ligt met gestrekt been tegen het (boven)lichaam van die [benadeelde partij 4] te trappen.
2:
hij op 29 november 2024 te Purmerend op de openbare weg ter hoogte van de [straat] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 5] te dwingen tot de afgifte van enig goed, dat geheel aan die [benadeelde partij 5] toebehoorde, door
- voor de fiets van die [benadeelde partij 5] te gaan staan, en (vervolgens)
- de kraag van die [benadeelde partij 5] vast te pakken, en (vervolgens)
- te zeggen dat die [benadeelde partij 5] mee moest lopen, en (vervolgens)
- te zeggen 'wat heb je bij je? Haal je zakken leeg', althans woorden van gelijke strekking, en
- een mes aan die [benadeelde partij 5] te tonen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3:
hij op 29 november 2024 te Purmerend een fietssleutel die aan [benadeelde partij 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
4:
hij op 29 november 2024 te Purmerend een iPhone 13 mini, een identiteitskaart en een ING-bankpas die aan [benadeelde partij 6] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 6] , gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de telefoon uit de handen van die [benadeelde partij 6] te pakken, en (vervolgens)
- een mes aan die [benadeelde partij 6] te tonen, en (vervolgens)
- tegen die [benadeelde partij 6] te zeggen dat hij niet de politie moet bellen.
Zaak D
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 9 september 2024 tot en met 25 november 2024 te Zaandam telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, terwijl hij als leerling van een school, te weten [College] College stond ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, het volledige onderwijsprogramma te volgen dat door die school werd aangeboden, terwijl hij nog geen startkwalificatie had behaald.
De taal- en of schrijffouten in de tenlasteleggingen zijn verbeterd. Volgens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A (parketnummer 15/174094-25)
Feit 1 meer subsidiair:poging tot zware mishandeling;
Feit 2:mishandeling.
Zaak B (parketnummer 15/344474-24)
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Zaak C (parketnummer 15/382164-24)
Feit 1:diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2:poging tot afpersing;
Feit 3:diefstal;
Feit 4:diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren.
Zaak D (parketnummer 15/025266-25)
Als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van negen (9) maanden waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee (2) jaren, onder de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad geadviseerd en daarbij een locatieverbod voor de straat [straat] te Purmerend.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met het adviesrapport van de Raad. Daaruit komt enerzijds naar voren dat een aanvullende jeugddetentiestraf niet helpend zal zijn voor het verlagen van de kans op recidive, gelet op de ontvankelijkheid voor groepsdruk bij de verdachte en de omstandigheid dat hij lijkt te zijn geschrokken van zijn eerdere (voorlopige) hechtenis. Anderzijds wordt geadviseerd geen specifieke consequentie te verbinden aan het schoolverzuim. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de niet benijdenswaardige jeugd van de verdachte, het feit dat hij zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden heeft gehouden, de omstandigheden van de gevallen, waaronder de aanleiding van de feiten, en de omstandigheid dat aangever [benadeelde partij 1] en zijn familie niet openstaan voor mediation.
Door de verdediging is bepleit dat het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest de door de verdachte ingezette opwaartse lijn zal doorkruisen. De verdediging heeft de rechtbank daarom verzocht om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en een taakstraf, waaronder een leerstraf, en een voorwaardelijke werkstraf. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de verdediging geen verweer gevoerd, ook niet voor wat betreft het gevorderde locatieverbod voor de straat [straat] te Purmerend.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het adviesrapport van de Raad van 29 oktober 2025 is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich (samen met anderen) in de periode van 10 augustus 2024 tot 5 juni 2025 schuldig gemaakt aan in totaal acht (ernstige) strafbare feiten, waaronder meerdere geweld- en vermogensdelicten.
De reeks van strafbare feiten begint op 10 augustus 2024 als de verdachte samen met een vriend (de medeverdachte) goederen wegneemt bij de [benadeelde partij 3] in Purmerend. Hiermee hebben de verdachte en zijn medeverdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de supermarkt en blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat schade en hinder veroorzaakt voor het gedupeerde winkelbedrijf.
Vervolgens maakt de verdachte zich in november 2024 schuldig aan een viertal ernstige strafbare feiten, één keer op 10 november 2024 en drie keer op 29 november 2024. De eerste keer was het slachtoffer [benadeelde partij 4] op klaarlichte dag buiten een vape aan het roken. Desgevraagd leende hij deze uit aan één van de medeverdachten, die de vape zonder aanleiding niet wilde teruggeven. Toen het slachtoffer de vape terug wilde, heeft de medeverdachte deze bij hem weggehouden. Hierna heeft de verdachte van achteren zijn armen om de nek van het slachtoffer geklemd en hem ten val gebracht, naar eigen zeggen om zijn vriend te helpen, omdat hij zou worden geslagen door het slachtoffer, een lezing die op basis van het dossier evident onjuist blijkt te zijn. De verdachte en zijn medeverdachten hebben niet geschroomd om fors geweld te gebruiken tegen het slachtoffer. Zij hebben hem geschopt en geslagen, ook terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het slachtoffer heeft letsel aan het gepleegde geweld overgehouden, onder andere een scheur boven zijn wenkbrauw die gehecht moest worden op de spoedeisende hulp. Het zichtbare litteken in het gezicht van het slachtoffer herinnert hem nu nog steeds aan de nare gebeurtenis.
Op 29 november 2024 heeft de verdachte zich opnieuw gemengd in een situatie van een ander. Ditmaal zou hij hebben gehoord dat het broertje van een vriend door een jongen, genaamd [naam] , zou zijn geslagen. De verdachte had de intentie om deze [naam] hierop aan te spreken, en richtte zich tot het slachtoffer [benadeelde partij 5] , die toevalligerwijs ook [naam] heet. Het slachtoffer heeft geprobeerd de verdachte ervan te overtuigen dat hij nog nooit iemand had geslagen, maar daar nam de verdachte geen genoegen mee. Hij is voor de fiets van het slachtoffer gaan staan en heeft het slachtoffer bij de kraag gepakt, hem gemaand zijn zakken te legen en hem een mes getoond. Van dat laatste is het slachtoffer dusdanig geschrokken dat hij van zijn fiets is gesprongen en is weggerend. De verdachte heeft toen de fiets van het slachtoffer op slot gezet en de fietssleutel meegenomen. Zeer kort daarna kwam het slachtoffer [benadeelde partij 6] , een vriend van het eerdere slachtoffer [benadeelde partij 5] , bij de verdachte in beeld. De verdachte heeft toen de telefoon van het slachtoffer, waarmee hij naar [benadeelde partij 5] belde, uit zijn handen gepakt, hem een mes getoond en hem verboden de politie te bellen. Het feit heeft grote impact gehad op het slachtoffer: zijn leven is naar eigen zeggen kapotgemaakt en hij is zijn zelfvertrouwen kwijt.
Op 5 juni 2025 heeft de verdachte het slachtoffer [benadeelde partij 2] mishandeld door hem te stompen tegen zijn hoofd. Hij heeft zo hard geslagen dat het slachtoffer op de grond is gevallen. Dit alles vond plaats naar aanleiding van een ruzie tussen de zussen van de verdachte en het slachtoffer; een ruzie waarvan aanvankelijk door beiden was afgesproken zich er niet mee te bemoeien. Bovendien was de verdachte ten tijde van het feit geschorst uit de voorlopige hechtenis, voor incidenten waarbij de verdachte heeft gedreigd met het gebruiken van geweld of geweld heeft gebruikt. Ook hier zag het op feiten en omstandigheden die niets met de verdachte zelf, maar met anderen te maken hadden. De schorsing heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw geweld te gebruiken en een strafbaar feit te plegen.
Ook niet (even) later op diezelfde 5 juni 2025 toen de verdachte zich, naar aanleiding van een ruzie tussen de zussen van de verdachte en het slachtoffer [benadeelde partij 1] , wederom schuldig maakte aan een ernstig strafbaar feit. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in het bovenbeen gestoken. Ook dit feit heeft veel indruk gemaakt op het slachtoffer. Niet alleen heeft het slachtoffer tot op heden nog psychische klachten door het voorval maar ook lichamelijk gaat het nog steeds niet goed met hem.
Tot slot heeft de verdachte in de periode van 9 september 2024 t/m 25 november 2024 stelselmatig verzuimd van school, wat de rechtbank zeer laakbaar en zorgelijk vindt.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in een relatief korte periode meerdere ernstige feiten heeft gepleegd, waarbij hij (onder meer) op een uiterst vergaande manier zijn familie of vrienden zegt te willen beschermen en daarvoor op lichtvaardige wijze en uit het niets geweld heeft toegepast op de slachtoffers. De verdachte lijkt zich niet bewust te zijn van de ernst van de feiten, laat staan wat deze voor gevolgen hebben (gehad) voor het veiligheidsgevoel van de slachtoffers en de maatschappij in het algemeen. Ook lijkt de verdachte het moeilijk te vinden om problemen op een andere wijze, zonder geweld, op te lossen. Dit soort ernstige feiten veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. Het door de verdachte veroorzaakte spoor van geweld heeft hieraan bijdragen. In beginsel wordt daarom in soortgelijke gevallen volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte uitstaand uittreksel Justitiële Documentatie van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van 29 oktober 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. De Raad heeft daarin geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, de gedragsinterventie TACt Plus en een voorwaardelijke werkstraf, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte een positieve dagbesteding heeft, zich houdt aan het opgestelde weekschema, zich meewerkend opstelt richting de hulpverlening en de politie, zich houdt aan de avondklok en een contactverbod met de medeverdachten en slachtoffers. Ten aanzien van de leerplichtovertreding is de Raad van mening dat geen specifieke consequentie hoeft te volgen, omdat de verdachte inmiddels is vrijgesteld van de leerplicht.
De Raad ziet dat de verdachte de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. Hij doet zijn best, heeft een dagbesteding in de vorm van werk voor vier dagen in de week en hij ziet in dat hij zich moet omringen met pro-sociale vrienden die een positieve invloed op hem hebben. De Raad ziet desondanks een kwetsbare en fragiele verdachte en een hoog recidiverisico. Op dit moment lijkt de verdachte alle hulpverlening en ondersteuning nog nodig te hebben om op het juiste pad te blijven, temeer nu bij de verdachte vaardigheden om zijn emoties passend te reguleren, in onvoldoende mate aanwezig zijn. De Raad vindt het daarom wenselijk dat de ingezette hulpverlening doorgang vindt en wordt ingezet op gespecialiseerde ondersteuning voor het omgaan met emoties en vaardigheden om de kans op herhaling nog meer te verkleinen. Het opleggen van een jeugddetentie zal tot gevolg hebben dat alle ingezette hulpverlening om recidive te voorkomen, wordt doorkruist. Op de lange termijn zal dat de verdachte niet vooruithelpen. Tot slot gunt de Raad de verdachte de ruimte om toe te komen aan het bespreken van de ingrijpende gebeurtenissen die hij in het verleden heeft meegemaakt, bijvoorbeeld met een psycholoog.
Ter zitting heeft de Raad het advies gehandhaafd en daaraan het volgende toegevoegd.
Gelet op de herhaling van aan te leren vaardigheden die de verdachte nodig heeft, acht de Raad de training TACt Plus passender dan de reguliere training TACt. TACt Plus biedt jongeren met lichtverstandelijke beperking een individueel traject, gericht op het versterken van de sociale vaardigheden en de boosheidcontrole. De Raad vindt het van belang dat de verdachte leert hoe hij zijn emoties onder controle kan houden en op een rustige manier kan reageren, zodat hij niet meer in zorgelijke situaties terechtkomt.
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting aangegeven dat de verdachte sinds de start van de hulpverlening vooruitgang heeft geboekt, mede doordat hij zich lerend heeft opgesteld. Dat neemt niet weg dat de verdachte veel herhaling nodig heeft. De jeugdreclassering schaart zich achter het advies van de Raad.
Conclusie
Hoewel de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie zonder meer rechtvaardigen, vindt de rechtbank het niet passend om de verdachte terug te sturen naar de jeugdgevangenis, mede gelet op het adviesrapport van de Raad en wat de Raad daarover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. In de ernst van de feiten ziet de rechtbank wel aanleiding om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen, waarvan 54 (vierenvijftig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte voor de feiten reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank gaat uit van 66 dagen voorarrest. Dit betekent dat de verdachte nu niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis, maar dat hem een kans wordt geboden om aan zichzelf te werken en zijn leven (nog meer) te beteren. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van twee (2) jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en onder oplegging van de door de Raad geadviseerde voorwaarden en het door de officier van justitie gevorderde locatieverbod. De rechtbank kan zich verder vinden in het advies van de Raad en schaart zich achter de conclusie dat de verdachte baat zou hebben bij de leerstraf TACt Plus , zodat hij vaardigheden leert om zijn emoties te reguleren. Daarnaast vindt de rechtbank een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uur op zijn plaats.
De rechtbank zal de verdachte, conform het advies van de Raad, schuldig verklaren voor de leerplichtzaak, maar hiervoor geen straf opleggen.
Gelet op de ernst van de feiten, de lichtvaardige wijze waarop de verdachte uit het niets in staat is tot het plegen van geweld en de inhoud van het adviesrapport van de Raad, waaruit naar voren komt dat het recidiverisico zonder hulpverlening of behandeling groot is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1
[benadeelde partij 1] (zaak A, feit 1)
Vordering [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van een bedrag ad € 26.728,73 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het hierboven bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de benadeelde partij de hoofdelijkheid gevorderd. De gestelde materiële schade bestaat uit € 308,55 voor het eigen risico van de zorgverzekering, € 22,38 voor de kosten van medicatie, € 172,80 aan reiskosten en € 26.255 als vergoeding voor studievertraging (op basis van de Letselschade Richtlijn Studievertraging). De gestelde immateriële schade is begroot op € 8.500,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het eigen risico, verzocht om de reiskosten te matigen en verzocht om de benadeelde ten aanzien van de reiskosten niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging heeft wat betreft de post studievertraging primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde bepleit en subsidiair heeft de verdediging verzocht dit deel van de vordering te matigen. Het bedrag aan gevorderde immateriële schade moet volgens de verdediging ook worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
eigen risico en kosten medicatie
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 330,93 (bestaande uit de kosten voor het eigen risico en de medicatie) voldoende is onderbouwd en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025.
reiskosten
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vergoedbaarheid van de gevorderde reiskosten dat de wet daarvoor een basis moet bieden. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338) volgt dat de reiskosten in verband met bezoeken aan een advocaat geen rechtstreeks verband houden met het strafbare feit. Verder volgt dat reiskosten naar het politiebureau om aangifte te doen, niet gelden als kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid of schade, zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarom zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij op deze onderdelen afwijzen. De gevorderde vergoeding voor de bezoeken aan het ziekenhuis op 13 juni 2025 en 18 juli 2025 gelden wel als kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid of schade. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel toewijzen, te weten tot een bedrag van € 21,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025.
studievertraging
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij op dit punt nagelaten om het gestelde causale verband tussen de opgelopen studievertraging en het bewezen verklaarde feit te onderbouwen. De enkel daartoe overgelegde e-mail is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat beoordeling van de vergoeding voor de gestelde geleden studievertraging, gelet op het betwiste causale verband en de omvang, een onevenredig belasting van het strafgeding vormt, zodat de rechtbank de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
immateriële schade
De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 billijk voor, gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een totaalbedrag van € 1.852,03 dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden vastgesteld op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot zware mishandeling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
7.2
[benadeelde partij 4] (zaak C, feit 1)
Vordering [benadeelde partij 4]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 698,49 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het hierboven genoemde bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de benadeelde partij de hoofdelijkheid gevorderd. De gestelde materiële schade bestaat uit € 83,49 voor de gemaakte kosten voor een niet-behaald examen en € 15,00 voor de weggenomen vape. De gestelde immateriële schade is € 600,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair is gesteld dat de gevorderde vergoeding dient te worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Ook een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: diefstal met geweld) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
7.3
[benadeelde partij 6] (zaak C, feit 4)
Vordering [benadeelde partij 6]
De benadeelde partij heeft tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding van € 1.512,48 ingediend wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het hierboven genoemde bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de benadeelde partij de hoofdelijkheid gevorderd. De gestelde immateriële schade is € 850,00. De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
- post 1: telefoon € 527,96
- post 2: telefoonhoesje € 14,99
- post 3: ID-kaart € 42,35
- post 4: pinpas € 4,50
- post 5: reiskosten € 72,68
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Alleen voor wat betreft de telefoon heeft de verdediging verzocht deze af te wijzen, nu de benadeelde partij zijn telefoon terug heeft en hij anders in een situatie wordt gebracht waarin hij beter af is dan vóór het bewezen verklaarde feit.
Oordeel van de rechtbank
telefoon
Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon op 24 december 2024 van de politie terug heeft gekregen. Dat betekent dat de benadeelde partij op dit moment in bezit is van zowel de weggenomen telefoon als een nieuw aangekocht toestel. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 250,00 en voor het meerdere af te wijzen.
telefoonhoesje, ID-kaart, pinpas, reiskosten en immateriële schade
De overige gevorderde schadevergoeding, bestaande uit een bedrag van € 134,52 aan materiële schade en € 850,00 aan immateriële schade, is door de verdediging niet betwist en zal dan ook worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 29 november 2024.
conclusie
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een totaalbedrag van € 1.234,52 dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden vastgesteld op nihil. De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: diefstal met (bedreiging van) geweld) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9a, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 302, 310, 311, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 4 van de Leerplichtwet 1969.

9.Beslissing

De rechtbank:
Zaak A, B en C (15/174094-25, 15/344474-24 en 15/382164-24)
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak A (15/174094-25) onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
54 (vierenvijftig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zijnde
66 (zesenzestig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zal meewerken aan het vinden en/of behouden van een positieve dagbesteding (in de vorm van werk/stage);
- zich houdt aan het opgestelde weekschema, waarbij hij minimaal vier dagen in de week naar zijn werk gaat en hij zijn afspraken met de hulpverlening (waaronder zijn coach en eventuele andere hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht) nakomt;
- zich meewerkend opstelt richting de hulpverlening;
- zich gedurende drie maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht, zal houden aan de avondklok, waarbij hij tussen 19:00 en 07:00 op zijn woonadres ( [adres] ) zal verblijven. De avondklok dient te worden opgebouwd bij gewenst gedrag;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met de medeverdachten, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht:
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] te [land] ;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met de slachtoffers, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht:
[benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );
[benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );
[benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
[benadeelde partij 5] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
[benadeelde partij 6] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter de jeugdreclassering noodzakelijk acht, niet zal bevinden in [straat] te Purmerend, zijnde de straat van het woonadres van het slachtoffer [benadeelde partij 1] .
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het
reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, en het zich
melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit
noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf van
35 (vijfendertig) urenin de vorm van de gedragsinterventie
TACt Plus, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 17 (zeventien) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van
40 (veertig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van € 1.852,03, bestaande uit € 352,03 aan materiële en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderdere reiskosten van en/of naar het kantoor van de gemachtigde en het politiebureau af en verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.852,03, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij 4]geleden schade tot een bedrag van € 698,94, bestaande uit € 98,94 aan materiële en € 600,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 4] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als een (van de) de medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk betaalt, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 698,94, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover een (van de) de medeverdachte(n) dit bedrag al aan de benadeelde partij en/of de Staat heeft betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij 6]geleden schade tot een bedrag van € 1.234,52, bestaande uit € 384,52 aan materiële en € 850,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 6] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde kosten voor de telefoon voor het overige af.
schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.234,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Heft op de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaken met parketnummers 15/174094-25 en 15/382164-24.
Zaak D (15/026266-25)
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Bepaalt dat met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.R.A.R. Sitaldin, voorzitter,
mr. J. Lintjer en mr. J.F. van Halderen, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. I.N. Inge en W. van den Bergh,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2025.